Constantijn Huygens

De briljante virtuoos

Den Haag 4 september 1596 - Den Haag 26 maart 1687

Constantijn Huygens was een uitzonderlijk getalenteerd dichter. Dat zijn poëzie moeilijk en tijdloos tegelijk is, komt vooral door het complexe en vindingrijke taalgebruik. Eén van zijn specialiteiten was het spelen met woorden, bijvoorbeeld met zijn eigen voornaam. Hij noemde zichzelf in het Latijn ‘Constanter’ (de standvastige), en met een Nederlandse variant: ‘Vastaard’, iemand met een stabiel karakter. ‘Jij kunt van de allergewoonste dingen iets bijzonders maken’, zei zijn vriend Pieter Hooft vol bewondering.

Huygens had een levendige belangstelling voor alles om zich heen. Hij gaf, vaak met humor, zijn mening over zijn leven en zijn omgeving.

Hoewel Huygens veel geschreven heeft, kwam het kunstenaarschap voor hem toch niet op de eerste plaats. Belangrijker vond hij zijn maatschappelijke carrière. Die was vol successen. Hij had een baan aan het Haagse stadhouderlijke hof, eerst als secretaris van prins Maurits van Oranje Nassau, later van diens halfbroer Frederik Hendrik. Deze taak als dienaar van de Oranjes en de Republiek nam hij heel serieus.

Als hij niet voor zijn werk op reis was, was hij graag in Den Haag. In het gedicht Batava Tempe, dat is ’t Voor-hout van ’s Gravenhage (1621) prees hij de belangrijkste straat in het centrum, het Voorhout. Dat is zo mooi als het prachtige Tempe, het beroemde Griekse dal uit de oudheid. Met humor beschreef Huygens vervolgens hoe dwaas verliefde mensen zich ’s zomers in dit Bataafse (Nederlandse) Tempe gedragen. Serieuzer is het gedicht De Nieuwe Zee-straet van ’s Gravenhage op Schevening uit 1666, over de dan net aangelegde Scheveningse weg. Huygens had voor die weg al in 1653 een ontwerp gemaakt. Hij maakte ook zelf de tekeningen voor zijn huis op het Plein in het centrum van Den Haag en voor zijn buitenhuis met tuin vlakbij de stad, in Voorburg. En ook daar schreef hij over: Domus (‘Huis’, een prozabeschrijving in het Latijn, 1639) en Hofwijck (1653). Dit is een bijna 3.000 versregels tellend gedicht over het dan net aangelegde landgoed, dat hij beschrijft zoals het er 100 jaar later uit zal zien.

Mijn leven lijkt wel een rad van onrust, verzuchtte Huygens herhaaldelijk. Ondanks zijn drukke baan had hij een grote vriendenkring, met bijvoorbeeld de Amsterdamse geleerde en dichter Barlaeus en ook andere dichters, zoals Hooft, Cats en Tesselschade Visscher, maar ook met veel buitenlandse geleerden. Zijn artistieke belangstelling was ruim: hij bespeelde diverse instrumenten, componeerde muziek en wist veel over schilder- en bouwkunst. Geen wonder dat hij zijn poëzie tussen de bedrijven door schreef. De titels van enkele bundels geven dat ook aan: Otia of ledige uren (1625) en Korenbloemen (1658, herziene druk in 1672). De eerste titel wijst op de tijd die hij aan poëzie besteedde: zijn weinige vrije uurtjes. Zijn poëzie groeide net als de korenbloemen tussen de tarwe op de akker: hij maakte haar tussendoor, een nuttige vrijetijdsbesteding. Hij verwachtte dan ook dat lezers zijn werk serieus namen en meedachten over de thema’s die hij aansneed.

Klara-podcast: DE CANON / 19. Korenbloemen van Constantijn Huygens – met Ad Leerintveld. Constantijn Huygens was een drukbezet man, dichten deed hij tussen het andere werk door. Dat hij vandaag bekend zou staan als een van de grootste dichters uit de Gouden Eeuw zou hem dus zeker verbazen.

In het weekend kon hij op zijn landgoed Hofwijck – de naam betekent ‘weg van het hof’ – ontsnappen aan zijn dagelijkse besognes. In het volgende gedicht denkt hij na over de verschillen met de rest van de week. Zoals gewoonlijk bij Huygens zit de tekst vol met gedachtesprongen. De lezer moet de moeilijke taal aandachtig volgen.

Rust op Hofwijck
28 november 1656

Op Hofwijk slaap ik maar, en droom van alle dingen,
op Hoofse en Haagse na: die weet ik te verdringen
met al wat Hofwijcks is, en tong, neus, oog en oor
vermaak bestellen kan. Ik proef, ik ruik, ik hoor,
ik zie met de ogen op, als mensen doen die waken,
maar ’t gaat gelijk men slaapt, en allerhande zaken
zijn hart ontmoeten laat, bij zorgeloos geval.
Drie halve dagen duurt dat slapen, en dat ’s al.

Van daar begin ik mij te manen door mijzelve
dat mij te passen staat op ’t woelend uur van elven
en waken heel de week, in de ongerustigheid
van allemans gekwel om allemans bescheid,
in stormen van geschil, in (erger) zoele winden,
die vijanden ter sluip aantasten, en wel vrinden
met hoon en achterklap, wel broeder, wel verwant,
en sparen rappigste nóch zuiverste van ’t land;
in over-ijdelheid van snappende saletten;
in ’t eeuwig roerende van wielen zonder wetten:
Voorhoutse molens van de kostelijkste snof,
die m’altijd draaien ziet en malen niet als stof.

Beminde Zaterdag, zijt gij nog ver van komen?
Spoed toch en help mij weer aan Hofwijcks zoeter dromen.
Kom, paarden voor de koets, ’k voel dat ik u genaak,
en Haag, goenacht; ik geeuw, maar van Hofwijckse vaak.

Op Hofwijck doe ik niets dan slapen en over alles dromen,
behalve over dingen van het Hof en Den Haag, die kan ik verdringen
met al het Hofwijckse vermaak dat tong, neus, oog of oor
kan brengen. Ik proef, ik ruik, ik hoor,
ik heb mijn ogen open, zoals wakkere mensen doen,
maar toch lijkt het alsof ze slapen en allerlei zaken
op zich af laten komen, zonder zorgen en toevallig.
Drie halve dagen duurt dat slapen en dat is het dan.

Daarna begin ik mezelf aan te sporen
dat ik me moet voorbereiden op het drukke tijdstip van elf uur
en dan heel de week scherp moet blijven, in alle drukte
van het gezeur van mensen over de verhalen van anderen,
van woedende meningsverschillen, van (nog erger) broeierige praatjes,
die heimelijk vijanden beschadigen, en zelfs vrienden
met hoon en roddel, zelfs broers, zelfs familieleden,
en noch de schurftigste nóch de oprechtste mensen uit het land sparen;
in de grote leegheid van kletsende gezelschappen;
in het eeuwig bewegen van zinloos rondrijdende koetsen:
hun dames als Voorhoutse molens met de duurste kleren,
die men altijd ziet rondrijden in nutteloze stofwolken.

Geliefde zaterdag, duurt het nog lang voor je komt?
Schiet alsjeblieft op en breng mij weer die fijne Hofwijckse dromen.
Kom, paarden voor de koets. Hofwijck, ik voel dat ik dichterbij u kom,
En, Den Haag, goedenacht, ik geeuw van Hofwijckse slaap.

Hofwijck is een zalige droom, die elke maandagochtend om 11 uur voorbij is. Ook in de werkelijkheid was het buitenverblijk vooral een droom van Huygens, de beschrijving van een geïdealiseerd bestaan in een deels geïdealiseerde tuin. Huygens beschreef Hofwijck alsof hij daar in de zomer verbleef. Hoe vaak hij er was, weten we niet precies, maar heel vaak zal het niet geweest zijn. Hij had het te druk met zijn werk, vooral in de zomer. Het gedicht is dus meer droom dan werkelijkheid. Het droommotief is een vast element bij Huygens, net als het verschil tussen wakker zijn en slapen. Hij beschreef het vaak met een paradox: sommige gebeurtenissen in de werkelijkheid lijken wel een droom, terwijl in je dromen juist alles waar lijkt. Dat besef kan je in een diepe crisis storten, zoals Huygens ondervond bij de plotselinge dood van zijn vrouw Susanna van Baerle in 1637. Zij stierf enkele weken na de geboorte van hun vijfde kind. Susanna was zijn absolute ster, zoals uit veel gedichten blijkt. Pas vele maanden later pakte Huygens de pen weer op, geholpen door het advies van Tesselschade Roemers Visscher: ‘Stel uw leed te boek, zo hoeft gij ’t niet te onthouwen’.

Huygens is altijd een scherpe waarnemer gebleven, ook op hoge leeftijd. In een epigram voor zijn gestorven hondje verwoordt hij nog eens kernachtig dat het beestje hem meer waard was dan de groten der aarde, die alleen maar hun eigen belang nastreefden:

Grafschrift van mijn hondje Gekkie
Hofwijck, 25 oktober 1682
Dit is mijn hondjes graf.
Ik zeg er niet meer af
niet meer af: dan dat ik wenste (en de weer’ld was niet bedorven),
dat mijn klein Gekkie leefde en alle groten storven.