Relationisme

Personages verweven met elkaar, natuur en technologie

Of het nu De brief voor de Koning (1962) van Tonke Dragt is, of De aanslag (1982) van Harry Mulisch: we zijn gewend aan verhalen die draaien om één individu, een ‘held’ die van alles onderneemt of wie van alles overkomt. De lezer van een roman wordt bijna altijd gevraagd zich te verplaatsen in de gedachten en gevoelens van die enkele hoofdpersoon. Vooral vanaf het modernisme aan het begin van de twintigste eeuw was dat meeleven met een individueel bewustzijn heel belangrijk in de literatuur, en dat bleef de hele eeuw zo. Eva van Carry van Bruggen is daarvan een goed voorbeeld.

 

Met het nieuwe millennium veranderde dat. Voortbordurend op het denken van de Joodse filosoof Emmanuel Levinas, gingen schrijvers en filosofen zich steeds meer realiseren dat de mens niet als individu bestaat. Dat onze identiteit, maar ook ons lichaam, wordt gevormd in relatie met anderen en ook met de dingen die ons omringen. De Amerikaanse filosofe Judith Butler beschreef dat bijvoorbeeld voor gender: je ‘bent’ geen meisje maar wordt tot een meisje gemaakt. Je past je aan en voert die rol dan ook verder op: door taal, door kleding en de manier waarop je je gedraagt en waarop je wordt behandeld. Die interactie tussen identiteit en de wereld geldt niet alleen voor gender, maar ook voor onze relatie met technologie: ooglenzen, pacemakers of iPhones betekenen dat we allemaal een soort ‘cyborgs1’ zijn. En door klimaatverandering zijn we ons nog meer gaan realiseren dat we deel uitmaken van een (fragiel) ecosysteem dat we niet controleren.

Belcampo en de dingen

Behalve filosofen denken ook schrijvers hier al heel lang over na. De Nederlandse schrijver Belcampo schreef in 1979 het magisch-realistische verhaal ‘De dingen de baas’, waarin de leden van een gezin ’s ochtends niet op kan staan omdat de dekens hen niet laten gaan. De zaken lopen steeds meer uit de hand, totdat ‘de dingen’ de straat opgaan om te demonstreren. Zo liet de schrijver zien dat we veel afhankelijker zijn van de materiële wereld dan we ons realiseren. Bij Belcampo kunnen de dingen praten. Datzelfde gebeurt in romans van de eenentwintigste eeuw. Dingen worden zelfs de vertellers, zoals ‘het brood’, ‘de sinaasappelgeur’ of ‘het licht’, in de roman Wij zijn licht van Gerda Blees (2020). In Jacht (2015) van Elvis Peters zijn het de dieren die vertellen, en die ook gaan lopen en praten als mensen.

Relationele romans

We noemen dit soort romans wel ‘relationeel’: het leven en de identiteit van de personages is steeds in relatie met andere mensen en dingen. Niet één centraal personage vertelt of focaliseert in de meeste relationele romans, maar steeds een ander krijgt het woord. Vaak scheppen auteurs een dubbelperspectief door vertellers en personages het woord te laten afstaan, door e-mails en brieven, tekstflarden, gedichten of berichten van anderen. Met die collages wijzen ze terug naar de avant-garde.

Niet alleen door de vorm, ook uit de inhoud van deze verhalen wordt duidelijk dat de mens niet langer het heft in handen heeft. Ze laten zien dat mensen verweven zijn met elkaar, met natuur en technologie. De romans van deze generatie schrijvers zijn verhalen over wat het betekent als relaties en identiteiten niet alleen relatief zijn, maar bovendien meer dan ooit in permanente ‘connectivity’, in een verbondenheid via media. Al die elementen treffen we ook aan in postmodern werk van bijvoorbeeld Gerrit Krol, Charlotte Mutsaers, Peter Verhelst, of Atte Jongstra.

Veranderde identiteit van de mens

Toch is er iets veranderd. Ging het Krol, Mutsaers, Verhelst en Jongstra om de filosofische ontdekking dat taal de wereld maakt, in de nieuwe romans van de eenentwintigste eeuw lijkt de identiteit van de mens op het spel te staan. Het zijn verhalen waarin het niet meer gaat om het ontwikkelen van authentieke, persoonlijke, eenduidige identiteiten, maar juist om het accepteren van het besef dat we allemaal per definitie gemaakt worden door de media, mensen en dingen die onze omgeving uitmaken, en dat we dus veranderlijke en (gender)fluïde wezens zijn. Hoe gaat een jong (en soms een wat ouder) mens met dat besef om zonder zichzelf te verliezen?

‘Relationisme’ is niet per se een positieve gewaarwording. Dat zie je aan Het tegenovergestelde van een mens (2017) van Lieke Marsman: de klimaatproblematiek neemt het leven van de hoofdpersoon over. De droom van de machtige mens die heerste over een wereld die hij kon proberen te kennen of zelfs veroveren, is niet makkelijk los te laten. Wat er voor de controle van de wereld in de plaats komt is ‘affect’, gevoel: het ervaren van jezelf, de ander, de wereld. Dat leidt tot intense en heel lichamelijke liefdesromans, zoals Liefde, als dat het is (2019) van Marijke Schermer. In de internationale literatuur is Normal people (2018) van Sally Rooney een bekend voorbeeld.

Vrouwelijke auteurs

Hoewel hier ook oudere auteurs genoemd zijn, en auteurs als Rachida Lamrabet en Saskia De Coster ook relationele romans schreven, wordt het relationisme vooral in verband gebracht met jonge schrijvers, de ‘millennial’ auteurs (geboren na 1980). Niña Weijers, Hanna Bervoets, Lieke Marsman en Nina Polak bijvoorbeeld, en ook Maartje Wortel, Lize Spit en Alma Mathijsen. Waarmee nog een andere radicale vernieuwing is ingeluid: voor het eerst is er een literaire stroming waarin vrouwelijke auteurs de boventoon voeren.

Vlogboek: Lieke Marsman / Charlotte Mutsears / Bart Moeyaert

In deze video bespreekt Jörgen de volgende drie boeken: Lieke Marsman - Het tegenovergestelde van een mens Charlotte Mutsaers - Rachels rokje en Bart Moeyaert - Broere