Vat vol gegevens: digitalisering en de roman

De opkomst van de pc en het internet hebben onze maatschappij drastisch veranderd, hoor je wel eens. Maar hoe ingrijpend is die impact van het internet op onze levens en onze literatuur? In het internettijdperk doemt de angst op dat literatuur en de roman overbodig zijn geworden. Want wat heb je aan een schrijver als zelfstandige computers alle mogelijke data – van al je Facebookposts tot complexe algoritmes die het weer voorspellen – razendsnel kunnen verwerken en analyseren? En wat stop je in een roman als bijna alles al op het internet lijkt te staan? Hoe vergaat het de Nederlandse en Vlaamse roman in tijden van internet?

Een schrijver die hardop zulke vragen stelt, is de Nederlandse auteur Maxim Februari (°1963). In zijn krantencolumns stelt hij ethische vragen over bijvoorbeeld internetbedrijven die slordig omspringen met gebruikersgegevens, of regeringen die automatische drones inzetten in militaire operaties. Hij denkt ook na over het lot van het geschreven woord, zoals we in de gebundelde columns in De onbetrouwbare verteller (2019) kunnen lezen: 

Tekst is hard bezig te verdwijnen. Tekst die in een natuurlijke taal is opgeschreven, bedoel ik. De roman wordt een televisieserie, de schrijver een mediafiguur en het wetboek wordt een set algoritmes. 

Op de vraag of die veranderingen erg zijn, antwoordt Februari ironisch: ‘Misschien niet.’ In het verleden is de roman immers al meermaals dood verklaard. Telkens lijkt het best mee te vallen: de roman overleeft, en weet zich aan te passen aan het veranderende medialandschap, zoals in het verleden de komst van film, radio en televisie een antwoord van de roman vergden.

Zo trekken sommige schrijvers het genre van de roman open om het internet in hun verhalen te betrekken. Romans die het internet thematiseren zijn bijvoorbeeld Emoticon (2004) van Jessica Durlacher, Het licht (2012) van Jeroen van Rooij en Het bestand (2015) van Arnon Grunberg. Digitale technologie speelt ook een rol in romans die zich afspelen in een dystopische toekomst, zoals Efter (2014) van Hanna Bervoets en Ewoud Kiefts De onvolmaakten (2020).

Die romans tonen op een kritische manier een mogelijke toekomst door hedendaagse ontwikkelingen uit te vergroten. Zo behandelt De onvolmaakten onze afhankelijkheid van digitale tools en artificiële intelligentie, waardoor we ons de risico’s van die technologie beter kunnen voorstellen. Ook het uitzicht van de roman zelf verandert: e-mailcorrespondenties, WhatsAppconversaties en vloggende personages vinden hun weg naar de literatuur, zoals dat onder andere gebeurt in Wormen en engelen (2017) van Maarten van der Graaff en Gebrek is een groot woord (2018) van Nina Polak.


Tegen de informatiestroom in

Vaak proberen schrijvers uit te zoeken wat de roman van het internet onderscheidt. Dat doen ze door bijvoorbeeld uit te zoeken hoe de mens vandaag over zichzelf of de wereld leert door middel van het internet. In Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken (2017) van Arjen van Veelen (°1980) probeert de ik-verteller om te gaan met de plotse dood van een vriend. Van Veelen baseerde zich hiervoor op zijn vriendschap met de vroeg overleden Vlaamse schrijver Thomas Blondeau (1978-2013). In de roman surft de rouwende verteller naar gruwelijke filmpjes, zoals onthoofdingsvideo’s van islamitische strijders. Naast de tekst vinden we screenshots van een video waarin een man levend begraven wordt. De lezer wordt zo medeplichtig gemaakt aan het klikgedrag van het personage: ‘Ik was medeplichtig, ik verkoos te blijven kijken, zoals je medeplichtig wordt aan een verhaal als je besluit de pagina’s van een roman om te slaan.’

Dichter bij de dood dan bij zulke video’s kom je niet, denkt de verteller. Toch leveren de beelden hem geen inzicht op. Ze brengen enkel een eindeloze stroom van aanstootgevende griezelbeelden. Betekenis blijft uit. Daartegenover staat de roman, waarin een schrijver overzichtelijke, betekenisvolle verbanden kan leggen. Zo komt Van Veelen tot een waardeoordeel over de roman in het internettijdperk:

Wie schrijft, blijft, inderdaad: alles blijft nu tot in de eeuwigheid opgeslagen, ook elk onnozel krabbeltje, elke giftige comment, elke statusupdate, alle kleineringen en luie betweterij, alle haat die nu op schrift wordt gesteld. […] Data zonder ziel. Wie zou in vredesnaam nog een boek schrijven als er al zoveel geschreven wordt?

De ironische vraag maakt het onderscheid duidelijk: het internet beschouwt hij als een ‘inferno van info’, de roman als betekenisvol maar bedreigd medicijn tegen information overload. 


Virtuele werelden in een papieren boek

Een heel andere houding vinden we in het werk van dichter, theatermaker en romanschrijver Peter Verhelst (°1962). In zijn monumentale roman Zwerm (2005) lopen verschillende verhaallijnen door elkaar en veranderen de personages zomaar van identiteit. Een van die vele personages is de junkie en dj Rimbaud, die voor zijn computer ligt en digitale beelden samenbrengt. Voor Rimbaud is surfen een lichamelijke ervaring die lijkt op de roes van harddrugs: 

De wereld stroomt binnen door microscopisch kleine openingen, verbonden met kanaaltjes die door zijn lichaam lopen. […] Als Rimbaud zichzelf leegknijpt, komen druppels tevoorschijn en elke druppel bevat een gigantische hoeveelheid beelden en klanken.

Met die indrukwekkende overvloed aan audiovisuele fragmenten bouwt de dj-junkie aan een eigenzinnige ‘geschiedenis van de wereld’.

Halverwege de roman versmelten de virtuele collagewerelden van Rimbaud met de andere verhaallijnen. Alles wordt pixel, en echt valt niet meer van onecht te onderscheiden. Rimbaud lijkt daardoor op de auteur, wiens geschoren hoofd ook de cover van het dikke boek siert. Net als Rimbaud verzamelde Verhelst allerhande ‘druppels’ uit de reële wereldgeschiedenis, zoals de Vietnamoorlog, de Holocaust en de aidscrisis. Door een verwarrende vermenging van fictie en werkelijkheid verkent Zwerm de grenzen van wat er mogelijk is in een papieren boek.


Losgeslagen data

In de romans van Verhelst en Van Veelen staat het geschreven boek op gespannen voet met het internet. Dat conflict wordt misschien nog het spannendst uitgewerkt in Klont (2017) van Maxim Februari. In Klont maakt Alexei Krups, een slinkse publieke intellectueel, furore met lezingen over de digitale dreiging. Hij noemt die dreiging de ‘klont’, en maakt er een warrig maar aangrijpend verhaal van. Die klont zou bestaan uit troepen losgebroken data die zich elk moment tegen de mens kunnen keren. Drones, computers en slimme koelkasten: de klont dreigt alles op te slokken. Bodo Klein, specialist in veiligheid en digitalisering, wordt eropuit gestuurd om het geval Krups te onderzoeken. Het wordt Klein snel duidelijk dat Krups’ verhaal over de klont voornamelijk op plagiaat en verzinsels berust.

In Klont raakt Februari aan verschillende filosofische kwesties omtrent digitalisering. Is het bijvoorbeeld wel echt zo verstandig om beslissingen over te laten aan ‘intelligente’, automatische algoritmes? En is de wereld te vatten in data, of blijven die enen en nullen abstracte reducties van een veel complexere wereld? Maar de belangrijkste vraag die Februari stelt is misschien wel hoe je verhalen over het internet en data-technologie kan vertellen. Krups’ apocalyptische verhaal over de klont mag dan wel niet kloppen, het prikkelt wel de verbeelding. We hebben blijkbaar toegankelijke verhalen nodig over de soms onoverzichtelijke technologische veranderingen. ‘De roman is tegenwoordig nog de enige machine die betekenis zoekt in een vat vol gegevens’, besluit Krups.

Februari’s roman verdedigt zo zijn eigen waarde: in de roman vinden schrijvers de instrumenten om na te denken over de diepgaande impact van digitalisering op mens en cultuur. Want als media veranderen, evolueren ook de manieren waarop we de wereld om ons heen waarnemen, begrijpen én vormgeven. Schrijvers zoals Februari, Van Veelen en Verhelst denken niet alleen na over de plaats van de roman in het internettijdperk, maar ook over de vraag hoe zij over deze veranderende wereld kunnen vertellen.