Documentaire literatuur toen en nu

De vluchtelingencrisis, het koloniale verleden, de klimaatcrisis, gender en diversiteit – het rijtje onderwerpen beheerst in de eenentwintigste eeuw de actualiteit en ze komen ook geregeld aan bod in hedendaagse romans.

Niet alle auteurs kiezen er bij deze onderwerpen echter voor om de weg van de fictie te bewandelen. De meer feitelijke teksten, die zich op politieke en sociale problemen richten, kunnen we beschrijven met de term ‘documentaire literatuur’. De term duidt op een specifiek soort van literaire non-fictie. Het gaat dan om het ‘documenteren’, het verzamelen en aanmaken van documenten waarmee de wereld op een bepaalde manier vastgelegd kan worden. Een belangrijke vraag die daarbij steeds opduikt is hoe dat kan. Wat zijn de meest betrouwbare methodes en wat kan de rol van de schrijver zijn? Bestaan er wel goede methodes om te documenteren? Verandert de blik van de schrijver-observator de dingen niet? Zijn de vragen van een interviewer niet sturend? In hoeverre kunnen we begrijpen wat zich op het wereldtoneel afspeelt? Anders dan bijvoorbeeld postmodernistische werken stelt de documentaire literatuur de onderzochte maatschappelijke kwesties wel centraal. Twijfels over de waarachtigheid van een zekere weergave worden wel in het relaas verwerkt, maar ze worden nooit het enige of belangrijkste aandachtspunt.

Vormen van documentair proza

Documentaire literatuur komt voor in verschillende vormen. Een klassiek geworden genre is bijvoorbeeld de reportage. In een reportage trekt de ik-verteller zelf op onderzoek uit, waarna die verslag uitbrengt van de opgedane ervaringen. Arnon Grunberg beschrijft in Kamermeisjes en soldaten (2006) bijvoorbeeld hoe hij undercover ging als hotelbediende. Cees Nooteboom heeft in zijn lange schrijverscarrière talrijke reisreportages afgeleverd. Hij was onder meer aanwezig bij Mei ’68 in Parijs en bij de val van de muur in Berlijn en berichtte later over de kleine bijzonderheden die met die grote aardsverschuivingen gepaard gingen. Een ander, typisch documentair genre is het interview. Niet de indrukken van de auteur staan daarin centraal, maar wel de antwoorden die iemand anders op een serie vragen geeft. De Wit-Russische Svetlana Aleksijevitsj won in 2015 de Nobelprijs voor een oeuvre dat vooral uit getuigenissen bestaat, opgetekend tijdens lange gesprekken. In 2011 ontstond er controverse rond de Nederlandse auteur A.H.J. Dautzenberg. In zijn boek Samaritaan (2011) wordt in een serie vraaggesprekken met dokters en specialisten beschreven hoe de schrijver een nier doneerde, maar later verklaarde hij dat hij de operatie nooit ondergaan had. Dautzenberg stelde dat het verschil tussen fictie en feit voor hem niet belangrijk was en creëerde met dit alles natuurlijk wel meer aandacht voor de donatieproblematiek.

Tot slot duiken in documentaire literatuur vaak ook allerlei documenten op. Archiefmateriaal, onderzoekspapers en brieven functioneren dan als een soort van informatiebron, of zelfs bewijs, over een bepaalde werkelijkheid. In Oorlog en terpentijn (2013) van Stefan Hertmans bijvoorbeeld speelt een verzameling schriftjes, met daarin de dagboeken van de grootvader van de schrijver, een centrale rol. De ik-verteller in de roman herschrijft ze om zo een beeld op te roepen van de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen.

Zoals dit laatste voorbeeld toont, hoeft het niet te verwonderen dat er heel wat verbeelding zit in documentaire literatuur. Duizend heuvels (2012) van Koen Peeters gaat bijvoorbeeld over Rwanda – over de cultuur van het land en haar koloniale en postkoloniale geschiedenis. Naast documenten en vraaggesprekken komt in het boek ook een sprekende haas voor, die de lezer erop wijst dat niet alles in informatie gevat kan worden. In veel hedendaagse romans treedt daarnaast ook vaak een fictionele reporterfiguur op. In La Superba (2013) van Ilja Leonard Pfeijffer bijvoorbeeld, verdiept de ik-verteller zich in de veelzijdigheid van migratie, onder meer in diepgaande gesprekken met een Afrikaanse vluchteling.

Drie momenten

De eerste decennia van de eenentwintigste eeuw zijn een hoogconjunctuur voor documentaire literatuur. Het is niet de eerste keer dat dit voorvalt in de literatuurgeschiedenis. In het Nederlandse taalgebied worden meestal drie periodes van hoogtij erkend. Die tendensen hebben steeds een internationale inslag en gaan vaak samen met ontwikkelingen in de mediacultuur. Documentaire literatuur is meestal een antwoord op de opkomst van een nieuw massamedium (zoals de krant, televisie, internet) en de veranderde ervaring van de wereld die dat met zich meebrengt.

In de jaren dertig werd in de zogenaamde Nieuwe Zakelijkheid een aantal boeken gepubliceerd die heel wat feitelijke informatie bevatten. Auteurs als Jef Last, M. Revis en Ben Stroman namen in hun werk allerlei cijfermateriaal en tekstfragmenten uit andere bronnen op. Zo riepen ze ‘de totaliteit van het harde moderne leven’ op, zoals Hendrik Marsman het omschreef. In Duitsland verwierven schrijvers als Egon Erwin Kisch en Joseph Roth in die tijd ook faam met hun literaire reportages.

In de jaren zestig, de tijd van studentenprotesten en grote maatschappelijke onrust, begonnen veel jonge, geëngageerde auteurs zich af te keren van de roman. Harry Mulisch zei onder meer: ‘Het is oorlog. En in oorlogstijd moet men zich niet bezig houden met het schrijven van romans.’ Hij publiceerde in dat decennium bijna geen fictie, maar leverde wel enkele reportages af, onder meer over het Eichmannproces en over het communistische regime in Cuba. De schrijvers Armando en Hans Sleutelaar publiceerden met De SS’ers dan weer een controversieel interviewboek, waarin SS’ers hun visie op de Tweede Wereldoorlog vanuit het daderperspectief uiteenzetten.

De meeste recente tendens is die waarin we nu in zitten. Geconfronteerd met de problemen van onze tijd en de media waarin ze ons bereiken, blijven schrijvers op zoek gaan naar manieren om geëngageerd en literair met die informatie om te gaan.