Arnon Grunberg

Van branie tot opinie

Amsterdam 1971

Arnon Grunberg kwam op zijn 23e met veel bombarie het literaire wereldje binnen, en het is eigenlijk nooit meer stil geworden rond zijn figuur. De media-aandacht voor de schrijver van vijftien romans en winnaar van talloze prijzen is altijd groot geweest. Zijn debuut Blauwe maandagen (1994) was meteen nogal provocerend, onder andere door de ironische manier waarop de hoofdpersoon ‘Arnon’ schreef over het Holocaust-trauma van zijn Duits-joodse ouders en over zijn eigen prostituée-bezoek. In die eerste jaren stond hij bekend als getalenteerd en geestig enfant terrible, een ‘briljant rotjoch’ dat graag tegen zere schenen schopte. Ook zijn volgende boeken, Figuranten (1997) en Fantoompijn (2000), waren satirische uitvergrotingen van aspecten van het leven van de jonge auteur: geldgebrek, ambitie, verlangen en het concentratiekamp-trauma van de generatie boven hem.  

In 2000 vond hij zichzelf opnieuw uit door onder een nieuwe naam, Marek van der Jagt, twee romans te schrijven. Al snel werd Van der Jagt echter herkend als Grunberg, vooral door de kenmerkende stijl: korte zinnen, sterke dialogen en geestige zijsprongen. Typisch grunbergiaans zijn ook de ultrakorte alinea’s en de absurde vergelijkingen tussen uiteenlopende zaken: ‘Voor mama was de realiteit een stationshal waar ze even doorheen moest’ (De geschiedenis van mijn kaalheid, 2000).  

Publieke intellectueel

Grunberg werd al snel columnist bij de VPRO-gids, en essayist bij NRC Handelsblad. Zijn invloed als publieke intellectueel werd nog groter toen hij een dagelijkse column kreeg op de voorpagina van de Volkskrant, de ‘Voetnoot’. Hij was toen al verhuisd naar New York. Juist Grunbergs buitenstaanderschap, als in New York wonende, Nederlands-Duits-joodse auteur, maakte het mogelijk om kritisch op de Nederlandse maatschappij te reflecteren. Hij reisde bovendien de wereld rond en schreef essays over filosofie, films en boeken, maar ook over het werk in een Afrikaanse mijn, of over de huwelijksmarkt in Oost-Europa. Ook ging het vaak over oorlog, waarbij hij ‘embedded’ ging in het Amerikaanse of Nederlandse leger. Maar die diversiteit aan onderwerpen betekent niet dat er geen vaste thema’s te ontdekken zijn in zijn fictie en zijn non-fictie.  

Thematiek  

Hoewel zijn werk na 2000 minder direct autobiografisch werd, hielden de mannen in Grunbergs romans ook altijd trekken van de auteur zelf. Ze zijn ook joods, wetenschapper of schrijver of ‘maken’ iets anders, zoals de architect in De man zonder ziekte (2012). Maar hoe hard ze ook hun best doen, het lukt ze niet om met hun werk van de wereld een betere plek te maken. Ook tegenover hun geliefden schieten ze alleen maar tekort. Zie bijvoorbeeld Tirza (2006), waarin de hoofdpersoon Jörgen Hofmeester thuis al net zo ‘overbodig’ wordt als op zijn werk. Het loopt vaak uit op geweld in een of andere vorm, of de verhalen nu spelen in Amsterdam-Zuid of in de Palestijnse bezette gebieden.  

Romans als Onze oom (2008) en De man zonder ziekte gaan nadrukkelijk over oorlog en terrorisme. Woedden de oorlogen in Grunbergs eerdere romans vooral binnenshuis, nu is er daadwerkelijk sprake van wapens, spionnen, verraders, militairen, explosieven en valse papieren. De twee romans stellen aan de orde hoe burgers (en militairen) gemangeld worden in de oorlog, en hoe moeilijk het is daarin te weten wat plicht is. Want wat is de meest ethische houding: zorgen voor je geliefden thuis, of hen verlaten om onrecht in de wereld te bestrijden? Het onoplosbare conflict tussen die twee eisen waaraan de hoofdpersonen moeten voldoen, maakt van hen tragische helden. Daarom zien we ook vaak intertekstuele verwijzingen naar tragedies als de Aïda, Antigone of Jephta of de Offerbelofte (Vondel). Zelfs wanneer de hoofdpersoon denkt het ‘goede’ te doen, is er altijd het risico dat hij het tegenovergestelde effect bereikt. Die universele waarschuwing wordt ook hier steeds in het licht van de geschiedenis Holocaust geplaatst. Door referenties aan het Eichmann-proces, en citaten uit kampliteratuur van bijvoorbeeld Primo Levi, en ook uit de memoires van Grunbergs eigen moeder (Zolang er nog tranen zijn, 2015).  

Trauma

Zo zien we hoe Grunberg het persoonlijke, het historische, het actuele en het universele in deze verhalen aan elkaar verbindt. Hetzelfde geldt voor zijn reportages, waarin de auteur zich opstelt als een ‘ooggetuige’, die louter verslag kan doen van het lijden van de ander.  

'Hij is al een tijd bezig met een project om pijn van anderen te voelen', staat er bijvoorbeeld over de hoofdpersoon van De asielzoeker (2003). De personages trachten te zorgen voor de zieke ander, met wie ze zich identificeren. In Huid en haar (2010) wordt pas goed duidelijk waarom die zorgrelatie noodzakelijk, maar ook onmogelijk is voor de hoofdpersonen. Een door Auschwitz getraumatiseerde en daardoor onbereikbare en moeilijke vrouwfiguur blijkt een spil in steeds weer nieuwe verbeeldingen. ‘Het echt gebeurde’ is zo de scharnier waar Grunbergs privéleven, zijn publieke optreden en zijn schrijven omheen draaien. Het echt gebeurde in de geschiedenis, het ‘echte’ dat hij opzoekt in wat hij zijn ‘missies’ noemt, en ten slotte het ‘echte’ uit de persoonlijke geschiedenis van zijn moeder, komen in het schrijven met elkaar in contact. Het ‘echte’ bestaat uit wreedheid en geweld, en uit het historische en persoonlijke trauma dat ze teweegbrengen. ‘Uiteindelijk gaat het erom dat je je verhoudt tot het lijden van de ander,’ vat de auteur zelf zijn menselijke en intellectuele plicht samen in een ‘Voetnoot’ (23 augustus 2017).  

Het besef dat literatuur tekort schiet in het licht van het geweld, dat ‘het goede’ niet bestaat, en waarschuwingen tegen de zelfgenoegzaamheid van degenen die daar wel in geloven, tekent Grunbergs rol als intellectueel in de publieke ruimte. Zijn houding wordt gekenmerkt door empathie met het lijden van de ander, en tegelijk een wantrouwen tegen iedere ideologische of humanistische grond waar zulk engagement zich op kan baseren. 

Vlogboek: 'Afgrond zonder vangnet'

Het is nogal een opgave om een oeuvre van een schrijver volledig door te lichten, zeker als dat een veelschrijver is als Arnon Grunberg. Yra van Dijk, hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Leiden zat ooit op dezelfde school als Grunberg en heeft haar fascinatie voor het werk van de schrijver, of dat nu zijn romans, lezingen, voetnoten of ooggetuigeverslagen zijn, in het boek Afgrond zonder vangnet gestopt.