Habitus

Radna Fabias, 2018

Er is nooit een dichtbundel geweest die zo succesrijk is gelanceerd als Habitus van Radna Fabias, geboren in 1983 in Curaçao. Nadat het boek in 2018 was uitgekomen, raapte de auteur in enkele jaren tijd álle belangrijke prijzen op die in Nederland en Vlaanderen aan poëzie worden gegeven, waaronder de Grote Poëzieprijs, de Herman de Coninckprijs en de Awater Poëzieprijs. Dat was opmerkelijk omdat geen enkele andere Nederlandse auteur ooit zoveel succes had gehad met een debuutboek. Maar het was ook nog nooit gebeurd dat een schrijver afkomstig van Curaçao zo succesvol werd in het Nederlandse taalgebied.

Het woord ‘Habitus’ kan zowel de gedaante van iets betekenen, dus de uiterlijke verschijningsvorm, als de houding die je tegenover de dingen aanneemt. Die twee betekenissen zijn zeker niet gelijk: zoals iets eruit ziet, zegt nog weinig over de manier waarop je ertegenaan kijkt. Juist dat spanningsveld bepaalt in sterke mate alle verhoudingen tussen voorwerp en kijker. Maar heel in het bijzonder is dat spanningsveld ook aanwezig in koloniale en postkoloniale verhoudingen. Dat zie je ook aan het bijzondere uiterlijk van de dichtbundel: het omslag is geheel zwart maar in het karton van de voorzijde zijn gaten geslagen van verschillende grootte, alsof de dichter wil zeggen: ik geef hier doorkijkjes van een zwarte werkelijkheid. Maar de pagina die volgt is ook zwart, dus door die zwarte gaten kijk je naar een ander soort zwart, een tint zeer donkergrijs. Het is dus niet allemaal hetzelfde soort zwart of grijs.

Curaçao

Habitus is onderverdeeld in drie ‘afdelingen’. De eerste afdeling heet ‘uitzicht met kokosnoot’, en gaat over een tropisch eiland en over hoe we ergens naar kijken. Fabias geeft in de gedichten in deze afdeling wrange observaties van een land waarvoor ongetwijfeld Curaçao model voor heeft gestaan, de voormalige kolonie van Nederland. Wie het eiland kent ziet in ‘een ingenieuze brug over het water in de haven’ direct de ‘Pontjesbrug’ van Willemstad: de reeks kleine bootjes die een beweegbare brug dragen die de twee centrale stadsdelen met elkaar verbindt. Er zit ongetwijfeld ook een autobiografisch element in de uiterste kritische manier waarop de rooms-katholieke wereld wordt opgeroepen (de Curaçaose bevolking is merendeels katholiek), zoals in de regels:

de teruggekeerde migrant hoort zichzelf de wind het water hoort de gefluisterde
doodsbedreigingen van de wind en het water is dit alles is de medemens is een kleine hete
kerk is de hete lucht is de hosti is het knielkussentje is een paar meter van de oceaan is de
oceaan is naast de kerk is de ezel is een braakliggend terrein waar de ezel geketend aan een
lantaarnpaal balkt tijdens de eucharistieviering is de ezel is het braakliggend rijm
is de ogen is
gespleten de teruggekeerde migrant is
zijn ogen sluit
zijn ogen sluit
zichzelf is gesloten
bidt
is het gebed om eenheid

Maar Fabias’ poëzie kan ook uitstekend gelezen worden zonder die verwijzingen naar de concrete, geografische wereld. Dan is het direct belangrijk om te weten hoezeer een voormalige kolonie bepaald wordt door uiterlijk, bijvoorbeeld door huidskleur: wie een lichtere huidskleur had, kreeg van oudsher meer aanzien, of door haardracht: glad haar zorgde voor meer aanzien dan kroeshaar. Dus uiterlijk bepaalde sterk je positie in de samenleving. Op tal van plaatsen speelt Radna Fabias met die historische gegevens: ze haalt ze naar voren en overlaadt die gegevens ook vaak met kritisch commentaar, zoals in de opening van het gedicht ‘bruid’:

zoals veel vrouwen wist ik altijd al dat ik een man zou huwen
het werd een zwarte man omdat dat beter bij mijn jurk zou staan
een kwestie van contrasten

Wat Radna Fabias niet wil is zoiets als een objectief beeld, een objectieve spiegel van de koloniale werkelijkheid geven. Als dat al zou kunnen. De diepste en meest traumatiserende invloed van eeuwen kolonialisme is wel geweest dat mensen uit de voormalige koloniën zichzelf níet in de spiegel konden herkennen. Zij werden voortdurend geconfronteerd met waarden en werkelijkheden die hun vreemd waren. In het onderwijs, in de media en in de kerken kregen zij een werkelijkheid te zien die totaal anders was dan hun eigen, zwarte werkelijkheid. Hoe kun je iets benoemen als je daarvoor nooit de woorden aangereikt hebt gekregen, en als die eigen werkelijkheid alleen maar beplakt werd met negatieve etiketten?

Onafhankelijk

Radna Fabias kwam op haar 17de naar Nederland en is zowel door de Europese en de Amerikaanse als door de Caraïbische werkelijkheid gevormd. Zij wil zichzelf niet zien als vertegenwoordigster van welke groep dan ook. Zij is iemand die onafhankelijk naar de wereld kijkt. Zij stelt vragen bij de werkelijkheid, en dan in het bijzonder de werkelijkheid van vrouwen – misschien zou je dat een feministische visie kunnen noemen. Haar visie op de vrouw als een wezen dat voortdurend probeert de eigen onafhankelijkheid te stellen tegen historische en emotionele afhankelijkheid verwoordt zij vooral in de tweede afdeling, getiteld ‘rib’. ‘Rib’ is een directe verwijzing naar het Scheppingsverhaal uit de Bijbel die verhaalt dat de eerste vrouw, Eva, is geschapen uit een rib van de man, Adam. Die afdeling opent met het gedicht ‘inspectie bij aankomst’, een opsomming van allerlei metingen en observaties van een vrouwelijk immigrant. De eerste zeven versregels luiden:

grofweg 1 meter 70 als het meetinstrument de haren omlaag duwt
veerkrachtig haar (fijn, krullend, her en der stug, veranderlijk, dorstig)
voorhoofd: onnadrukkelijk
wenkbrauwen: zwart – iets doorlopend –
wimpers: niet geteld ze zijn er, ze zijn donker
ogen: groot, donkerbruin, nadrukkelijk aanwezig zo ook
neus: nadrukkelijk etnisch

De beschrijving ‘als het meetinstrument de haren omlaag duwt’ verwijst naar een wijd uitstaand Afro-kapsel. En dat heeft ook een historische betekenis. Behalve het beeld van een moderne immigrante bij de douane, roept dit namelijk ook de beschrijvingen op zoals die in de slaventijd genoteerd werden van Afrikanen die aankwamen in de ‘Nieuwe Wereld’ (de Cariben en Suriname).

De beelden van vrouwen in de tweede afdeling zijn ongemakkelijk, soms sarcastisch. Het gaat ook hier om de manier van kijken. Je ziet vrouwen zoals die traditioneel gezien worden: als een lustobject of als een bruid die zich gewillig aan allerlei rituelen moet onderwerpen. Overal waar de traditie om de hoek komt kijken duikt bij Fabias de verontrusting op, of vaker nog benauwenis, angst en dood.

Immigranten

De derde afdeling van Habitus heet ‘aantoonbaar geleverde inspanning’. Die titel geeft het vervolg op de ‘aankomst’ uit de tweede afdeling. Dat vervolg bevat gedichten van de zogenaamd ‘ingeburgerde immigrant’, van mensen die zich bewegen in de urban culture, van junkies. Maar ook van ‘de ballotant’: de vreemdeling die aan de deur van een toevluchtsland klopt. De poëzie in de derde afdeling is misschien het sterkst politiek, of sociaal-geëngageerd, zoals de eerste strofen van het gedicht ‘tuig’ laten zien:

eerst tilde ik een flatgebouw op
er woonden 436 turken in
hun schoenen stonden bij de voordeur
ik probeerde het gebouw rechtop te houden zodat de inwonenden geen last zouden
hebben van de verschoven zwaartekracht
zo ben ik opgevoed

toen tilde ik de tippelstraat op ik rolde het om de turkenflat heen helaas
gleden er een paar transseksuele dames langs de ramen naar beneden
ze riepen iets tegen me
in het spaans
hartverscheurend

De bundel wordt besloten met een epiloog (een ‘nawoord’) van één gedicht in de ik-vorm, waarin verschillende eerdere elementen terugkomen in een gedicht over een persoon met ‘afgeklemde eierstokken’. Het is overigens gevaarlijk om in de poëzie direct de persoon van de dichter te herkennen. Als Radna Fabias íets niet wil, is het schrijven van ‘bekentenisliteratuur’: literatuur waarin een schrijver getuigenis aflegt over zichzelf.

Versvorm en stijlfiguren

De poëzie van Radna Fabias heeft niets te maken met traditionele versvormen. Haar gedichten zijn meestal lang, soms zelfs verschillende pagina’s lang. Ze bevatten geen traditionele vormkenmerken als eindrijm en metrum, of traditionele dichtvormen als sonnet of kwatrijn. De meeste gedichten zijn observerend, ze beschrijven wat iemand ziet. Daarbij heeft Fabias een voorkeur voor het stijlmiddel van de ‘enumeratie’, de opsomming, en ook die enumeraties zijn vaak pagina’s lang, waarbij de elementen die elkaar opvolgen soms verrassen:

we heten de ballotant welkom

de wind
de kranten mét culturele bijlage
de roltrappen
de horecaconcepten
de tweede kamer
jonge mannen met snorren
jonge mannen in leggings
het corps
de schouwburgen
de kunstmusea
de punctualiteit van het openbaar vervoer 

Interpunctie ontbreekt vaak in de gedichten: er zijn geen hoofdletters, geen punten en heel weinig komma’s. Korte zinnen worden zonder overgang direct achter elkaar geplaatst of schuiven soms in elkaar. Regels vullen nu eens de volle breedte van de pagina, om dan weer te worden afgewisseld met uiterst korte versregels, en die zijn dan soms weer tegen de linkerkantlijn aan geplakt, soms ook tegen de rechterkantlijn. Fabias kiest in haar poëzie dus radicaal allerlei mogelijke vormen van taal. Vaak lijken regels ready-mades, stukjes taal geknipt uit de werkelijkheid, zoals een stukje van een Facebook-bericht, van een handleiding of van een wetenschappelijk artikel:

de extractiewaarde van een product vertelt ons hoe makkelijk de smaak van het ene
product naar een ander product gaat
wij zijn producten
onze extractiewaarde is laag

In het loslaten van traditionele vormen is Fabias een geestverwante van generatiegenoten met een migratieachtergrond zoals de dichters Dean Bowen, Michael Tedja en Roberta Petzoldt. Ook in de motto’s die aan de afdelingen voorafgaan kun je al een poëzieprogramma zien dat de tradities loslaat. Eerst staat er een citaat van Bert Schierbeek, een van de experimentelen van de Vijftigers, die radicaal braken met traditionele versvormen. Dan volgt een citaat van Heinrich Müller, een Duitse schrijver die zich levenslang inzette voor de vrijheid van geest en woord. En vervolgens komt er een citaat van rapper The Notorious B.I.G. Verder zitten er verrassend weinig verwijzingen naar andere boeken of andere poëzie in Fabias’ gedichten. Daarmee geeft Fabias zichzelf dus ook niet echt een plaats in een literaire traditie.

Humor

Het bovenstaande kan de suggestie wekken alsof de poëzie in Habitus loodzwaar is, maar Radna Fabias observeert ook scherp en geestig. Van een Curaçaose vrouw zegt zij:

billen als bumpers waarop je naar een nabijgelegen eiland kunt liften

Al voegt zij daarop direct toe: ‘zegt men’. Als Fabias de woning beschrijft van een immigrant die toegang vraagt, staat er opeens:

belangrijke details: de bank is niet in plastic gewikkeld en
de ballotant bezit opmerkelijk veel palmbomen

Radna Fabias draagt in haar poëzie altijd verwondering uit en vaak ook verontrusting en angst. Omdat in haar gedichten ook vaak humor zit, wordt haar poëzie een tragikomische beschrijving van de wereld. Alsof Radna Fabias zeggen wil: we lachen om de tragiek te overwinnen, we lachen omdat het leven anders ondraaglijk zou zijn.

 

Geschreven door Michiel van Kempen

DichterBij Radna Fabias - genomineerde C. Buddingh'-prijs 2018

Een dagje naar het strand. Voor Radna Fabias is de zee een troostende plek. Radna Fabias draagt in DichterBij haar gedicht ‘Roestplaats’ voor.