Zedenspiegels en hoofse idealen voor schoolgaande monnikjes

Kinderboeken in de middeleeuwen

Boeken zoals we die vandaag kennen bestonden in de middeleeuwen nog niet. De boekdrukkunst werd pas in de vijftiende eeuw uitgevonden. Verhalen en handgeschreven teksten waren er natuurlijk wel al. Maar ze waren meestal niet voor kinderen bedoeld. Of toch niet voor hen alleen. Kinderen en volwassenen kregen haast hetzelfde te horen en te lezen. Voor teksten op kindermaat moest men in de middeleeuwen op school zijn.

 

Teksten voor kinderen waren zeldzaam in de middeleeuwen. Meestal had alleen de schoolleraar een handgeschreven leerboek in bezit. Naar verhalen en liederen luisterden kinderen en volwassenen samen.

 

Monnikjes in opleiding

Tien eeuwen geleden leerden maar weinig mensen lezen. Het was toen een vak apart, zoals tanden trekken. Kinderen die de kans kregen teksten te bestuderen, waren meestal monniken in opleiding. Vanaf hun zesde jaar maakten zij kennis met de taal van de bijbel: het Latijn. Alleen in het begin van hun studie mochten de monnikjes Nederlands spreken, en alleen als ze echt niet anders konden. Naast de Latijnse taal brachten leraren hun leerlingen ook goede zeden en wijze lessen bij. Daarvoor gebruikten ze schoolboeken. Ruim verspreid was de grammatica Ars minor van de Romeinse taalkundige Donatus. Ook de Disticha Catonis of Cato met zedenspreuken bleef lang in omloop en is het oudst bekende schoolboek van Nederlandse bodem. In de kloosterschool van Egmond werd een handschrift van omstreeks 1300 teruggevonden.

 

Burgers leren lezen

Vanaf de dertiende en de veertiende eeuw nam de belangstelling voor kennis en boeken toe. Voortaan gingen ook stadskinderen uit welgestelde handelsfamilies naar school om te leren lezen. Anders dan de monniken deden ze dat niet meer in het Latijn maar in de volkstaal. Ook leergierige volwassenen werden vanaf nu af aan gestimuleerd zich bij te scholen. Onder meer Jacob van Maerlant en Jan van Boendale bewerkten Latijnse teksten zoals de Cato voor een breed publiek van jonge en oudere lezers. De berijmde encylopedie Der leken spieghel (ca. 1325-1330) bijvoorbeeld is een adviesboek voor volwassenen en ouders, met één hoofdstuk dat speciaal voor kinderen lijkt te zijn bedacht. Het begint met de zin: ‘Die goede kinder willen wesen.’ Het goede leven, meent Van Boendale, is weggelegd voor kinderen die hun ouders en leraren te allen tijde gehoorzamen.

 

De lessen van Goetman

In de vijftiende eeuw steeg de populariteit van zogenoemde zedenspiegels. Teksten over goede manieren bereikten steeds meer burgers en werden bovendien nadrukkelijker voor kinderen geschreven. Of ze daadwerkelijk door een jong publiek gelezen werden, is door een gebrek aan getuigenissen niet te achterhalen. Toch is het waarschijnlijk dat jonge lezers een belangrijke afzetmarkt uitmaakten en het succes van de boekdrukkunst in de late vijftiende eeuw mede mogelijk gemaakt hebben. Een voorbeeld van een tweetalige zedenspiegel is Leere van hoveschede (ca. 1470). Daarin wordt de lezer aangesproken als ‘tu enfant / du kint’ en leert hij behalve Vlaams en Frans ook op een beleefde manier groeten en onderhandelen. Sommige schrijvers wekten vooral de indruk voor kinderen te publiceren. Dichter Lambertus Goetman bijvoorbeeld zegt zijn Spiegel der jonghers (ca. 1488) ’voor jonghe kindren sonderlinghe’ te schrijven, maar de drukker benoemt een ruimer lezerspubliek. Die ziet het boek liever in handen van iedere goede christen. De zedenspiegel kende hoe dan ook vele heruitgaven en stond vol deugdzame voorschriften zoals:

 

Hout u tonghe in u behoet
Ende draecht op niemant nijt oft haet;
Sijt altijt huesch, thoont blijden moet
Wanneer ghi achter straten gaet.

 

Hoofse idealen en volksverhalen

Hoofse teksten werden in de middeleeuwen aan schoolgaande monnikjes en handelslieden aangereikt. De vraag is nog of de kinderen aan het eigenlijke hof diezelfde teksten onder ogen kregen. Daarover is weinig geweten. Kinderen van adel kregen meestal privélessen van een huisleraar, en die werden nauwelijks gedocumenteerd. Bovendien stonden fysieke en sociale vaardigheden lange tijd hoger aangeschreven dan intellectuele ontwikkeling. De adel zou pas in de latere middeleeuwen volop aandacht aan kennis en teksten besteden. Zo had de jonge Jacoba van Beieren in de vijftiende eeuw, en in tegenstelling tot de jongelui die in het klooster of de stad school liepen, haar eigen boeken en leermaterialen. Edellieden leerden zedenlessen natuurlijk niet alleen uit het boekje. Het leven aan het hof zelf was de grootste leerschool. Bij gebrek aan goede voorbeelden konden zij, en dat geldt ook voor kloosterlingen en burgers, wijze lessen trekken uit de verhalen die volwassenen elkaar vertelden. Zowel aan het hof als op het plein legden jong en oud hun oor te luisteren. Voor volksvertellingen, sprookjes en ridderverhalen hoefde men in de middeleeuwen niet naar school. Die waren er voor iedereen.