Schaduw over ‘Chocamata’
Schaduw over ‘Chocamata’ van S.R. van Iterson geldt als het oudste jeugdboek van de eilanden die tot 2010 de Nederlandse Antillen werden genoemd. Het boek verscheen in 1953 bij uitgeverij Kluitman in Alkmaar, toen één van de toonaangevende uitgeverijen voor jeugdliteratuur. Het draagt de aanduiding: ‘Voor oudere jongens’.
Onder ‘Antilliaans jeugdboek’ verstaan we hier een fictionele tekst geschreven voor een jeugdig publiek (ongeveer 12 tot 16 jaar) én geschreven door een auteur die op één van de eilanden geboren is. Tot de Antilliaanse jeugdliteratuur – nu genoemd: Nederlands-Caraïbische jeugdliteratuur – rekenen we dus niet boeken geschreven door schrijvers van Nederlandse afkomst die zich afspelen op Curaçao, Aruba enz. Eerder zijn er wel andere boeken verschenen voor de Antilliaanse jeugd, zoals Corsouw ta conta (‘Curaçao vertelt’) uit 1944 van Nilda Jesurun Pinto, dat volksverhalen bevat (bijvoorbeeld over de spin Nanzi), of boeken geschreven door Nederlandse passanten voor de Antilliaanse jeugd, zoals Onder de tropenzon uit 1951 van de fraters Andreas Corsini en Walterus.
Succesvol auteur
S.R. van Iterson werd geboren als Siny Rose van der Breggen op Curaçao op 5 oktober 1919 als dochter van een Curaçaose moeder en een Nederlandse vader, die op het eiland werkte als directeur Openbare Werken en hoofdingenieur van Rijkswaterstaat. Siny droeg de achternaam van haar tweede man, ingenieur Gerrit van Iterson, met wie zij in 1951 trouwde. Zij ging op tweejarige leeftijd naar Nederland, maar keerde in 1948 weer terug naar Curaçao. Na 1953 leefde zij jarenlang in Colombia. Zij overleed in Den Haag op 7 augustus 2018.
Anders dan het merendeel van de latere jeugdboekenschrijvers van het eiland, schreef Van Iterson uitsluitend in het Nederlands: na haar debuut volgden In de ban van de duivelsklip (1954), Voetspoor in de Andes (1958), De schrik der wijde vlakten (1959), In de greep van de Rio Negro (1960), De smokkelaars van Buenaventura (1964), De adjudant van de vrachtwagen (1967), Het gouden suikerriet (1970), Om de Laguna Grande (1972), Weerspiegeld in de bron (1974), De heksen van Casa Roja (1980) en Het Quimbaya-goud (1985).
Van Iterson had behoorlijk succes met haar boeken, die met regelmaat herdrukt werden en ook vertaald in het Deens, Duits en Engels. De smokkelaars van Buenaventura werd gekozen tot één van de drie beste jeugdboeken van 1964. De titel De adjudant van de vrachtwagen werd in 1968 bekroond als Kinderboek van het jaar en ontving in 1973 de Mildred L. Batchelder-prijs. Het gouden suikerriet kreeg in 1971 een Zilveren Griffel. In 1972 werd Van Iterson genomineerd voor de Hans Christian Andersenprijs.
Jongensboeken
Het is niet duidelijk waarom Siny van Iterson alleen boeken voor jongens schreef. Ze zei er zelf over: ‘Ik schijn me het beste te kunnen verplaatsen in jongensgedachten.’ Schaduw over ‘Chocamata’ is in ieder geval een jongensboek in traditionele zin: de hoofdrollen zijn weggelegd voor twee jongens, Chimi en Hans, die allerlei avonturen beleven die in de jaren 1950 als echt jongensachtig golden: ze jagen op vogels en leguanen, ze meten elkaars krachten met vechten, ze gaan er ’s nachts op uit om een schat te zoeken. Ook begeven ze zich in gevaarlijke situaties in grotten en in het oude landhuis Chocamata, waar ooit een moord is gepleegd en dat sindsdien geldt als een spookhuis. De handeling wordt goed op gang gebracht doordat ’s nachts de schim van een oude vrouw voorbijschiet en door de mededeling van de veldwachter sjon Poli dat er een gevaarlijke gevangene is ontsnapt. De twee jongens gaan op onderzoek uit, maar moeten uiteindelijk uit benarde omstandigheden bevrijd worden door sjon Poli en Hans’ mopperende maar goedaardige oom sjon Fifi.
Curaçao
Siny van Iterson schreef het boek als reactie op de ervaringen die zij opdeed toen ze in Nederland naar school ging: ze ontdekte dat de kennis over haar geboorte-eiland bij haar docenten en medeleerlingen zowat nul was en ze besloot daar verandering in te brengen. Schaduw over ‘Chocamata’ leest als een landengids over Curaçao. De schrijfster trekt alle registers open om de flora, fauna en geologie van het eiland in al hun pracht neer te zetten – dat is de uiteindelijke schat die de jongens vinden. De auteur legt ook veel uit:
‘Chimi, kijk eens wat een prachtige appeltjes hier hangen. Wacht, ik zal er een paar plukken, dan hebben we wat te eten.’
Cimi was haastig opgesprongen.
‘Afblijven Hans, afblijven!!’ waarschuwde hij haastig.
Hans keek verwonderd om. Hij was net van plan geweest een paar van die grappige kleine vruchtjes van de boom te schudden.
‘Waarom? ‘ vroeg hij.
‘ ’t Is een manzalinja,’ legde Chimi uit. ‘Een manzalinja is “veneno”. Venijn…’ vertaalde hij haastig.
‘Vergiftig, bedoel je zeker,’ verbeterde Hans.
‘Ja, ’t is vergiftig, je krijgt er jeuk en uitslag van en als je het opeet word je ziek. Je kunt deze manzalinja overal aan de baaien vinden.’
(p. 64-65)
Rolverdeling
Dit fragment zegt ook al iets over de rolverdeling in het boek: Hans is de blonde brutale Hollandse durfal die weinig tot niets van het eiland weet, Chimi is de zwarte Curaçaoënaar die alles uitlegt, voorzichtiger is en ook omzichtiger omgaat met alle gebruiken op het eiland. Deze – letterlijke – zwart-wittekening van de jongens sluit ook enigszins aan bij de rolverdeling in koloniale jeugdlectuur, en zou een moderner vervolg krijgen met Sjors en Sjimmie. Opvallend is bijvoorbeeld dat Chimi op blote voeten loopt en Hans schoenen draagt. Maar van zoiets als een meester-slaafverhouding is in het geheel geen sprake, integendeel: Chimi is juist door zijn kennis superieur aan de Hollandse jongen. Ook beschrijft Van Iterson de Curaçaose wereld met veel meer kennis van details en met meer respect dan in oudere verhalen van Nederlandse schrijvers gebeurde.
Een belangrijk motief in het boek is de rol die geesten en ‘bijgeloof’ op het eiland spelen. Op tal van plaatsen wordt het traditionele eilandgeloof beschreven, en soms niet zonder kritische kanttekeningen. Het is met name de rooms-katholieke kerk geweest die op de Caraïbische eilanden alle vormen van brua (spiritueel ‘bijgeloof’) heeft proberen te bestrijden. Maar Schaduw over ‘Chocamata’ sluit zich niet zonder meer aan bij die scepsis over het ‘bijgeloof’, zoals blijkt uit deze scène bij het slachten van een geit:
‘Loop door, zo'n stom dier weet niks,’ antwoordde Augosto. ‘Denk jij dat ie weet dat ie nou geslacht wordt, Chimi?’
Chimi haalde zijn schouders op. ‘'t Zal hem niks helpen of hij het weet of niet. Ze moeten hem wel slachten, anders gebeurt er een ongeluk met een van de mannen, die de put graven. Je kan de boze geesten beter te vriend houden.’
‘Maar de frater op school zegt dat er geen geesten bestaan,’ zei Manuel weifelend. ‘Als ie zou weten dat we hier bij waren, zou er wat waaien.’
‘Frater Heronymus heeft nog nooit een put gegraven. Hoe kan hij nou weten of er diep in de grond kwaaie geesten zitten of niet.’
Manuel dacht na. Tegen deze logica kon hij niet op.
(p. 6)
Vervolgens wordt het slachten van de geit uitvoerig beschreven:
’t Warme bloed van de dode geit kleurde de droge gebarsten grond vlak bij de nieuwe put.
De mannen konden zich nu straks zonder vrees aan hun werk wijden. De boze geesten, diep in de grond, die verstoord werden door de arbeid van de gravers, konden hun nu niets meer maken. Er had bloed gevloeid bij de waterput die zij aan het graven waren. De mannen hadden al bij voorbaat hun offer gebracht.
De geit werd gevild en de vrouwen kregen allen een gedeelte van het vlees, dat zij in de blikken en houten bakken op hun hoofd mee naar huis droegen. Bij de foenchi, de dikke maïsbrij die zij in plaats van aardappelen aten, zou de giambo, een soort hutspot, die zij van gekookte groente en het geitevlees maakten, extra goed smaken. Zo had deze bezweringsmethode ook zijn praktische zijde!
(p. 7)
In dit fragment wordt ook duidelijk hoe Van Iterson voor de Nederlandse lezers woorden en begrippen uit het Papiamentu uitlegt. Overigens is het ook opvallend hoe dat op andere pagina’s niet gebeurt: daar moet de context maar duidelijk maken wat een woord betekent. Een duidelijk geval van Papiamentisering van de tekst.
Schaduw over ‘Chocamata’ is natuurlijk duidelijk een boek uit 1953, ook bijvoorbeeld in de zwart-wittekening van de karakters of de primitieve manier waarop de Chinees Wong spreekt (p. 87). Ook in sommige taalwendingen als ‘jullie zullen toch wel niet aan het plukharen gaan’ (p. 32) en ‘ben je betoeterd’ (p. 43) is het boek enigszins gedateerd. Maar tegelijkertijd is het in allerlei opzichten een boek dat afstand neemt van de traditioneel-Nederlandse beeldvorming over ‘de West’ en een waardig eerste begin van de Antilliaanse jeugdliteratuur.