Floris ende Blancefloer

Diederic van Assenede, ca. 1260, Vlaanderen

Het christenmeisje Blancefloer en de moslim-koningszoon Floris groeien van jongs af aan samen op aan het Spaanse hof. Als de koning, Floris' vader, hoort van hun heimelijke liefde wil hij het meisje uit de weg ruimen. De koningin stelt een list voor: Floris gaat uit logeren en ondertussen zal Blancefloer door kooplieden worden meegenomen naar verre streken. Een schitterend graf moet Floris doen geloven dat zijn geliefde dood is. Floris ontdekt het bedrog en besluit Blancefloer te gaan zoeken.

Karel de Grote

In Babylon aangekomen, weet Floris uiteindelijk langs de wachters te komen en verstopt in een bloemenmand binnen te dringen in de toren waar Blancefloer wordt vastgehouden door de emir. Wanneer de emir Floris bij Blancefloer in bed betrapt, wil hij hem doden. Het komt echter tot een rechtszitting, waar de sterke liefde tussen de twee jonge mensen de aanwezigen roert: Floris en Blancefloer mogen blijven leven. Wanneer het bericht komt dat Floris’ ouders zijn overleden, keert het jonge paar naar Spanje terug. Beiden worden daar gekroond en Floris laat zichzelf en heel zijn volk dopen. Ze krijgen een dochter, Berte met de grote voeten, die op haar beurt de moeder zal zijn van Karel de Grote.

Fragment waarin Floris, staande bij het graf van Blancefloer, een eind aan zijn leven wil maken (vs. 1205-1226).

Doe rechte hem Floris van den grave,
Niet verre bleef hi staende daer ave;
Tenen griffie voedersele hi vinc
Daer ene guldine griffie in hinc,
Die hem hadde gegeven Blancefloer
Op minne, doe hi van haer voer.
Alse Floris die griffie uut trac,
Hi hiltse vor hem ende sprac:
‘Dese griffie, Blancefloer, daeddi maken
Ende gaefse mi bi derre saken,
Als icse dan saghe, dat si woude
Dat ic haers gedinken soude.
Nu leget mijn troest an di allene,
Du salt mi lossen uten wene,
Daer ic in ben, ende nemen mi dat leven,
Al ne waerstu mi niet daer toe gegeven.
Haest, dats wesen sal, dat doe.’
Metten woerde droech hise hem toe
Ende wildse te sire herten steken inne.
Dit sach sijn moeder, die conincinne,
Ende liep te hem waert ende prant
Haestelike die greffie uut sire hant.

Floris stond op van het graf en
bleef niet ver van daar stilstaan.
Hij pakte een griffelkoker,
met daarin een gouden schrijfstift,
die Blancefloer hem als teken van haar liefde
had gegeven toen hij van haar wegging.
Hij trok de griffel uit de koker,
hield hem voor zich en sprak:
‘Blancefloer, deze griffel heb je
laten maken en aan mij gegeven,
omdat je wilde dat ik aan je
zou denken als ik hem zag.
Nu ben jij, griffel, mijn enige toevlucht,
jij moet me verlossen uit mijn ellende
en me doden, ook al ben je
me niet voor dat doel gegeven.
Vooruit! Doe wat er gedaan moet worden.’
En met die woorden richtte hij
de griffel op zijn borst en maakte
aanstalten om hem in zijn hart te steken.
Zijn moeder, de koningin, zag dat, rende naar
naar hem toe en griste de griffel uit zijn hand.

Diederic van Assenede maakte zijn vertaling in verzen van de Franse Floire et Blancheflor naar eigen zeggen voor hoofse lieden die het Frans niet machtig waren. De Vlaamse dichter volgde zijn voorbeeldtekst nauwkeurig. Wel zette hij hier en daar het thema van deze liefdesgeschiedenis nog eens extra in de verf. Hij wilde duidelijk maken dat het pad van de hoofse minnaar weliswaar niet altijd over rozen gaat, maar dat oprechte, standvastige liefde tegelijkertijd ook inspireert tot ongekende heldendaden.

Ook onderstreepte Diederic al vertalend het belang van een drietal – bij uitstek vorstelijke – deugden: moed, wijsheid en zelfbeheersing. Floris, die ondanks zijn jeugdige leeftijd voor geen enkel gevaar terugdeinst, is de verpersoonlijking van ware heldenmoed. Daar waar de beide vorsten - Floris’ vader en de emir van Babylon - impulsief reageren, toont de koningin zich een verstandige vorstin: regeren is vooruitzien.

Deugden

De charme van Floris ende Blancefloer moet voor middeleeuwers niet alleen hebben gelegen in het romantische verhaal, maar ook in het feeërieke decor. De beschrijvingen van wonderbaarlijke bewegende beelden op het (schijn)graf van Blancefloer, de exotische tuinen en het fantastische paleis van de emir van Babylon zijn ongetwijfeld beïnvloed door de indrukken die de kruistochtvaarders in het Midden-Oosten hadden opgedaan. Vanwege deze elementen werd de Floris ende Blancefloer wel tot de zogenaamde ‘oosterse romans’ gerekend. Toch is deze tekst evengoed een ‘Karelroman’. Aan het slot krijgen we immers te horen dat Floris en Blancefloer de grootouders waren van Karel de Grote. Daarmee werd de roman feitelijk een stukje voorgeschiedenis van deze beroemde vorst - van wie menig middeleeuwse koning en edelman trouwens beweerde een afstammeling te zijn.

 

Men dedese ter scolen, ende si leerden;
Si ghingen te gader ende si keerden.
Van harre ouden, van haren daghen
Consten si van minnen, die si plaghen,
Menighen raet ende vele treken.
Doe mochtsi vriliken spreken
Haer ghelijkc andren sinen wille
Verholentlike ende stille.
Si ghingen ter scole gestadelike.
Si onder minden hem verholenlike.
Als deen bi den andren niet en was,
Vergat hi wat hi hoerde of las;
Ende wat so men hem seggen hiet,
Des en mocht hi onhouden niet.
Ter minnen hadden si goede stade.
Si waren beide van enen rade,
Van ere scoenheit, van enen sinne,
Ende even gestadech an die minne,
Dat si oec dicke lesen horden
Die treken, die ter minnen horden,
Ende mense oec te lesene sette
In Juvenale ende in Panflette
Ende in Ovidio de Arte Amandi,
Daer si vele leerden bi,
Dat hem bequam ende dochte goet.
Dus hadden si ter minne spoet.
Die boeke dadense haesten so
Ter minnen, dat si dicke vro
Beide waren ende in sorgen groet,
Dat si hadden liever te wesene doet
Dan gesceden lange te sine.
[...]
Sint dat si leren begonsten,
Binnen vijf jaren die kinder consten
Latijn spreken wel te maten.
Doe mochten si in wege ende in straten
Ende in den hove seggen in Latijn
Haerlijc andren den wille sijn,
Dattie leeke niet en mochten verstaen.

Men stuurde ze naar school om te leren. Samen kwamen en gingen ze. Voor hun leeftijd waren ze al aardig op de hoogte van de lessen en listen van de liefde. Zodoende konden ze elkaar vrijuit zeggen wat ze wilden. Ze gingen trouw naar school en beminden elkaar heimelijk. Als de een zonder de ander was, vergat deze wat hij hoorde of las, en onthield ook niet wat hij moest opzeggen. Ze hadden de gelegenheid elkaar te beminnen en waren eensgezind, even mooi ook, en even trouw. Ze hoorden immers dikwijls lezen over de listen die bij de liefde horen. Want men liet ze lezen in Juvenalis, en in Pamphilius Mauritianus' De Amore, alsook in Ovidius' De arte amandi. Hieruit konden ze veel opsteken, dat hen beviel.
Aldus kenden ze voorspoed in de liefde. De boeken bespoedigden hun vorderingen op liefdes gebied, en leerden ze ook de andere kant kennen: de zoete liefdespijn. Liever zouden ze sterven, dan lange tijd van elkaar gescheiden te zijn.
[...]
Binnen vijf jaar nadat ze voor het eerst naar school gingen — dus al op 10-jarige leeftijd -, spraken de kinderen uitstekend Latijn. Met als gevolg dat ze op straat en aan het hof in het Latijn tegen elkaar konden zeggen wat ze wilden, zonder dat enige leek er iets van verstond.