Mina Kruseman

Een Nederlands feministe en schrijfster

Velp 1839 – Boulogne-sur-Seine 1922

Mina Kruseman wordt beschouwd als een van de bekendste feministes van Nederland, die zich met haar geruchtmakende optredens en literatuur inzette voor de emancipatie van vrouwen in de negentiende eeuw.

Op zoek naar een vrij en onafhankelijk leven

Wilhelmina (Mina) Jacoba Paulina Rudolphina Kruseman werd geboren op 25 september 1839 te Velp, maar groeide grotendeels op in Nederlands-Indië. Zij droomde als jonge vrouw van een carrière als ‘cantatrice’ (zangeres/actrice). Zij bezocht daarom het conservatorium in Brussel, volgde zanglessen in Parijs en vertrok voor een tournee naar Amerika. Haar grote doorbraak bleef echter uit en zij keerde in 1872 terug naar Nederland. Daar ging zij op zoek naar een uitgever voor haar roman, Een huwelijk in Indië, die zij tijdens haar tournee had geschreven en die werd gekenmerkt door een feministische boodschap. Via die uitgever leerde zij collega-feministe en schrijfster Betsy Perk kennen. Zij gingen samen de planken op en trokken volle zalen met een avondvullend programma, waarin zij voorlazen uit eigen werk dat volledig in het teken stond van de zogeheten ‘verheffing van de vrouw’. Daarnaast begon Kruseman een drukke correspondentie met Multatuli (die zij erg bewonderde) en speelde zij de hoofdrol in zijn toneelstuk Vorstenschool (1872).

Kruseman hield er op jonge leeftijd al feministische ideeën op na. Toen zij negentien jaar oud was schreef zij bijvoorbeeld: ‘Ik vind dat wij, meisjes en vrouwen, zulk een ondergeschikte rol op het wereldtoneel te vervullen hebben!’ De opvoeding van meisjes was volgens haar niets anders dan een opleiding tot echtgenote. Alleen door een huwelijk konden vrouwen een positie in de negentiende-eeuwse maatschappij verwerven. Wie geen man kon vinden en ‘overschoot’ (zoals dat heette) kon alleen op medelijden van haar omgeving rekenen. In een tijd waarin een op de vijf meisjes noodgedwongen ongehuwd bleef door een demografisch tekort aan huwbare mannen, pleitte Kruseman onder meer voor het openstellen voor vrouwen van al het onderwijs en van alle beroepen ‘die meer kennis dan spierkracht vereischen’, zodat zij hun eigen brood konden verdienen en voor hun bestaanszekerheid niet langer afhankelijk waren van een man.

Hoewel Kruseman in korte tijd uitgroeide tot een beroemde feministe die grote successen boekte met haar voordrachten en publicaties, raakte zij teleurgesteld in Nederland dat volgens haar nog niet klaar was voor haar emancipatoire boodschap. Zij vertrok in 1877 naar het land van haar jeugd om daar een nieuw bestaan op te bouwen en schreef: ‘Ik heb mij hier in Indië gevestigd, om mij aan het onderwijs te wijden; ik werk dus voor mijn brood en leef hier als vrouw alleen, vrij en onafhankelijk, zonder iemand te benadeelen of tot last te zijn.’ Later ontmoette zij er haar levenspartner, met wie zij ‘in vrije liefde’ samenleefde en twee kinderen kreeg die allebei vroeg overleden. Trouwen deed ze niet – ondanks de vele huwelijksaanzoeken die haar naar eigen zeggen waren gedaan. Kruseman stierf in Frankrijk op 30 juli 1922.

Feministische Indische romans

Kruseman liet een divers oeuvre na dat bestaat uit artikelen, brochures, voordrachten, schetsen en twee romans, waarin zij steeds de maatschappelijke positie van de vrouw aan de orde stelde. In de aankondiging van haar eerste roman schreef haar uitgever: ‘Ik durf u de verzekering te geven, dat sedert Multatuli’s Max Havelaar geen werk van dien aard het licht zag, dat zoo algemeen besproken zal worden’. Een huwelijk in Indië (1873) is meer dan een roman en getuige de opdracht voorin ‘een droeve kreet uit het werkelijke leven’. De roman is een vorm van ‘tendensliteratuur’ (verhalen waarin de nadruk niet zozeer op literaire aspecten ligt, maar waarin het verhaal in dienst staat van een bepaalde maatschappelijke boodschap). De roman kan worden gelezen als een pleidooi voor de emancipatie van de vrouw, in het bijzonder voor het recht op echtscheiding (iets wat in de negentiende eeuw enkel onder specifieke omstandigheden en vaak alleen met instemming van de echtgenoot kon plaatsvinden).

De hoofdrol is voor Louise, een beeldschoon Indisch meisje dat wordt uitgehuwelijkt aan een veel oudere resident. Haar ouders zijn erg met hem ingenomen, Louise daarentegen vindt hem maar niets: ‘Wat is hij lelijk! Zo’n rood gezicht, en zulke grasgroene ogen, met zulk lichtgeel haar! Net boeloe jagong (maïs)! (…) Wie zou zo’n man willen hebben!’ Eenmaal getrouwd blijkt hij niet alleen lelijk vanbuiten maar ook vanbinnen. Hij bedriegt haar, mishandelt haar en stalkt haar als zij bij hem wegloopt (nadat hij haar een echtscheiding heeft geweigerd). Hij doet er alles aan om haar het leven zuur te maken en gaat daarbij zelfs over lijken, wanneer hij haar nieuwe geliefde tijdens een ‘noodlottige jachtpartij’ doodschiet. Door deze harde leerschool wordt Louise zich bewust van de ongelijke genderverhoudingen en gaat zij zich inzetten voor het recht op echtscheiding. De andere personages vrezen daarentegen dat zij haar verstand heeft verloren en door liefdesverdriet over haar gestorven minnaar ‘krankzinnig’ is geworden.

Tijdens haar verblijf in Batavia en later Soerabaja nam Kruseman vele Indische meisjes uit de minderbedeelde kringen onder haar hoede, die de inspiratiebron vormden voor haar tweede roman Paria’s (1900). Deze (tendens)roman is opnieuw een pleidooi voor vrouwenemancipatie en verhaalt over Lize, een beeldschoon Indisch meisje dat met een notaris trouwt – niet uit liefde, maar omdat hij geldt als een ‘goede partij’ en haar een onbezorgd leven belooft. Haar echtgenoot blijkt haar echter op allerlei manieren te bedriegen en wanneer zijn bedrog uitkomt, vraagt Lize om een echtscheiding (die hij haar weigert). Als zij vervolgens bij hem wegloopt, probeert hij haar jarenlang op te sporen om de kinderen die zij met haar nieuwe levenspartner krijgt, als de zijne op te eisen. Lize wordt door een ongelukkig huwelijk gevormd tot een geëmancipeerd personage dat vecht voor het recht op echtscheiding, maar uiteindelijk als ‘paria’ haar geboorteland moet verlaten.

In de literatuurgeschiedenis

Kruseman is voornamelijk de literatuurgeschiedenis ingegaan als feministe, maar wordt niet of nauwelijks gewaardeerd om haar literaire verdiensten. Literatuurhistoricus (en tijdgenoot van Kruseman) Jan ten Brink vatte destijds haar gedachtengoed een beetje spottend als volgt samen: ‘Vrouwen zijn engelen! Mannen zijn ellendelingen! Kinderen zijn naar!’ Rob Nieuwenhuys bespreekt in zijn Indische literatuurgeschiedenis Oost-Indische spiegel (1972) Kruseman samen met andere negentiende-eeuwse vrouwen die over Indië schreven (te weten Annie Foore, M.C. Frank, Melati van Java en Thérèse Hoven). Hij staat positiever tegenover hun boodschap dan tegenover de uitwerking ervan. Hun romans en verhalen zijn volgens hem van weinig ‘literaire’ waarde, maar vooral van historisch belang omdat zij de strijd om vrouwenemancipatie in beeld brengen.

Ook in nieuwe literatuurgeschiedenissen wordt Kruseman hoofdzakelijk besproken in de context van de negentiende-eeuwse vrouwenemancipatie. In Alles is taal geworden (2009) van Willem van den Berg en Piet Couttenier over de Nederlandse literatuur in de negentiende eeuw wordt zij bijvoorbeeld alleen genoemd als auteur van feministische tijdschriftartikelen, maar haar romans worden niet behandeld. In Romantici en revolutionairen (2019), een thematische literatuurgeschiedenis van de achttiende en negentiende eeuw van Rick Honings en Lotte Jensen, wordt zij in het hoofdstuk ‘De feminist’ besproken samen met andere tijdgenoten die de emancipatie van de vrouw door middel van literatuur onder de maatschappelijke aandacht wilden brengen.

 

Geschreven door Petra Boudewijn