Karel Lodewijk Ledeganck

Dichter en cultuurflamingant

Eeklo 1805 – Gent 1847

Ledeganck was de eerste die in de Provincieraad van Oost-Vlaanderen Vlaams sprak. Zijn bekendste werk, De drie zustersteden (1846), wordt het dichterlijke evangelie van de Vlaamse Beweging genoemd.

Martelaar voor de Vlaamse taal en cultuur

Hoewel het werk van Ledeganck niet beperkt kan worden tot zijn bijdrage aan de Vlaamse taalstrijd, hangt de evolutie van de dichter toch nauw samen met de ontwikkeling van de Vlaamse Beweging. De Vlaamse Beweging wilde het volk ervan overtuigen dat iedereen door zelfstudie en hard werk de sociale ladder kon beklimmen en aan de promotie van de Nederlandse taal en letterkunde kon bijdragen. Ledeganck werd het boegbeeld hiervan.

Ledeganck ging na het lager onderwijs als spoeler bij een wever werken omdat zijn ouders geld nodig hadden. Niet zonder enige overdrijving werd gesuggereerd dat Karel August Vervier, de nestor van de Vlaamse Beweging, Ledeganck uit de weverij zou hebben ‘gered’, maar de overlevering wil dat Vervier de eerste gedichten van Ledeganck zou hebben gelezen en dat hij besloot om zijn mentor te worden – een plaats die later Jan Frans Willems heeft ingenomen.

Zijn debuut als dichter maakte Ledeganck rond 1827 met het gedicht Heil en onheil der tooneeloefening, naar aanleiding van een literaire wedstrijd die in Deinze werd georganiseerd. Ledeganck, die daar samen met enkele andere leden van de Eeklose rederijkerskamer ‘Eikels worden Boomen’ aan had deelgenomen, behaalde de eerste plaats. Daarnaast heeft hij nog een prijs gewonnen voor zijn gedicht Het nut der broedermin. ‘Eikels worden Boomen’ werd gesticht door Karel August Vervier (voorzitter), Jan Baptist Rodrigos (regisseur), Angelus Bernardus Van Han (drukker) en Ledeganck zelf (secretaris). Aanvankelijk dichtte Ledeganck in de traditie van de rederijkers. Zijn gedicht De linnenmakerij, Vlaanderens welvaren dateert ook uit die periode en werd later gebundeld in zijn Bloemen mijner lente (1839).

Met Bloemen mijner lente (1839) distantieerde Ledeganck zich van zijn jeugdwerk. Hij maakte duidelijk dat hij andere plannen had. Hij wilde een aantal romantische gedichten van buitenlandse dichters vertalen om zijn lezers te laten zien dat het Nederlands ook een taal was waarmee men mooie gedichten kon schrijven:

Om de ongelukkige vooringenomenheid jegens onze schoone moedertaal tegen te gaan, had ik, reeds vóór eenigen tijd, het voornemen, daartoe een meer gepast werk te leveren, namelijk eene dichterlijke, doch zooveel mogelijk nauwkeurige vertaling van een aantal uitgekozene stukken der grootste dichters onzer eeuw, De Lamartine, Lord Byron en Schiller. Zulk eene vertaling, met den oorspronkelijken tekst op zijde, zoude tot vergelijking aanporren, en alzoo den kring der Vlaamsch-lezenden van lierverlede uitbreiden.

In het voorwoord van Bloemen mijner lente (1839) zinspeelde Ledeganck bovendien op zijn vertaling van het Burgerlijk wetboek (1841), die als een belangrijke bijdrage aan de Vlaamse taalstrijd wordt beschouwd. Daarom zou hij zich tot drie gedichten van Alphonse de Lamartine beperken, met name La Sagesse (uit de Nouvelles méditations poétiques), Hymne de l’enfant à son réveil en Le Solitaire (uit Harmonies poétiques et religieuses).

Het dichterlijke evangelie van de Vlaamse Beweging

Na de onafhankelijkheid van België (1830) gingen de recensenten steeds meer aandacht aan de nationalistische – eerder dan aan de stilistische – kwaliteiten van een literair werk besteden. Ledegancks romantische gedichten vertonen nog stilistische overeenkomsten met zijn vroegere gedichten. De drie zustersteden (1846) klinkt niettemin oorspronkelijker doordat de persoonlijke gevoelens en ervaring van de dichter in de drie lofzangen Aen Gent, Aen Brugge en Aen Antwerpen een prominente plaats krijgen.

De Vlaamse Beweging heeft een beslissende invloed op de receptie van De drie zustersteden (1846) gehad en kan de waarde van Ledegancks bundel hebben overdreven. Die bundel werd namelijk met de historische roman De leeuw van Vlaenderen van Hendrik Conscience vergeleken. Desondanks heeft de bundel een zekere invloed op het toenmalige publiek gehad.

In Vlaanderen verscheen De drie zustersteden (1846) in een bijzonder klimaat. Met het petitionnement van 1840 hadden de aanhangers van de Vlaamse Beweging al duidelijk gemaakt dat ze wilden dat de Nederlandse taal officieel erkend werd. Dat veranderde echter niet aan de situatie, omdat ze geen politieke macht hadden. Daarom gingen ze meer en meer de nadruk leggen op cultureel engagement en probeerden ze zo nieuwe leden te winnen.

Toen De drie zustersteden (1846) gepubliceerd werd, was het dus niet langer alleen een gedichtenbundel. Het werd gezien als een manifest van de Vlaamse Beweging. De dood van Ledeganck kort na die van Jan Frans Willems, de vader van de Vlaamse Beweging, heeft eveneens invloed gehad op de toenmalige receptie van zijn bundel. In korte tijd raakte de Vlaamse Beweging twee van zijn meest geëngageerde leden kwijt.

De belangrijkste dichter van de eerste generatie Vlaamse romantici

Ter nagedachtenis van de 150ste verjaardag van het overlijden van Ledeganck in 1997 werd in zijn geboortestad Eeklo feest gevierd. Paul Van de Woestijne en Hugo Notteboom publiceerden toen het boek Een dichter bij ons: Karel Lodewijk Ledeganck (1805-1847). We kunnen Ledeganck dus niet bepaald een ‘vergeten’ dichter noemen, maar we kunnen met recht opmerken dat zijn werk vandaag grotendeels in de vergetelheid geraakt is.

Enerzijds kan dat worden verklaard doordat de dichterlijke loopbaan van Ledeganck zich over amper 20 jaar uitstrekt. Anderzijds wordt hij gezien als een vertegenwoordiger van de Gentse groep, de kring rond Jan Frans Willems. Het is belangrijk om op te merken dat er twee groepen Vlaamse literatoren kunnen worden onderscheiden: de Gentse groep en de Antwerpse groep. Onder Willem I was Antwerpen al een belangrijk cultureel centrum. Voordat hij naar Eeklo verbannen werd, was Jan Frans Willems al lang actief in het Antwerpse literaire en culturele leven. Maar Gent werd gaandeweg het culturele centrum van Vlaanderen dankzij zijn universiteit. De eerste groep Vlaamse literatoren schaarde zich rond die universiteit. Tot de zogenoemde Antwerpse groep behoorden Hendrik Conscience en andere dichters, zoals Jan De Laet en Theodoor Van Rijswijck. In de voorlaatste strofe van de zang Aen Antwerpen verwees Ledeganck bijvoorbeeld al naar de Antwerpse groep van Vlaamse literatoren. Hij was zich ervan bewust dat die nieuwe dichtersgeneratie zijn plaats zou moeten innemen.

Laatste strofes van de zang Aen Antwerpen uit De drie zustersteden:

Bevoorregte en begaefde!
Uw kunstvermogen vond
Nog onlangs op uw grond
Ene andre bron dan die waeraen ge u immer laefde;
Een morgen hoorde 't Vaderland,
Verbaesd, een' juichtoon aen uw strand:
Het was een dichterkroost dat in uw schoot ontwaekte.
Dat kroost, waerin de gloed van vroeger barden blaekte,
Zong liedren wonderschoon, als stemmen der natuur,
Als galmen, opgewekt door ingeschapen vuer!

o, Laet hun maetgezangen,
Betoovrend als 't geschal
Der vooglen in het dal,
Myn' hesen gorgeltoon, myn staemlend lied vervangen!
Door hen worde, in het pure goud
Der moederspraek, uw' lof ontvouwd
En uwen roem verbreid tot 's aardryks verste boorden!
Ik leg de cither neêer, verrukt door hunne accoorden;
Den veegen bard gelyk, die 't voorhoofd buigt en zwygt,
Zoo haest een scheller toon uit kloeker borsten stygt!

Daar komt nog bij dat Guido Gezelle en de West-Vlaamse school in de tweede helft van de negentiende eeuw steeds meer in de belangstelling zouden komen te staan, waardoor de Gentse groep naar de achtergrond verdween.

Dit gezegd hebbende, mag en moet onderstreept worden dat de Vlaamse literatoren van de eerste generatie een belangrijke schakelfunctie vervulden door het recht op een eigen taal en een Vlaams-gerichte (en -gezinde) literatuur te verdedigen. We kunnen deze generatie daarom ook zien als een schakel tussen de rederijkerstraditie en de Romantiek in Vlaanderen.