Astrid H. Roemer

Autonoom en veelzijdig 

Paramaribo (Suriname), 1947

Astrid H. Roemer kreeg in 2016 de PC Hooftprijs. De jury schreef toen dat de Surinaamse schrijfster de geschiedenis van haar land in de romans mooi ‘literair verbeeldde’ en dat ze zich scherp mengde in het debat. Maar toen Roemer vervolgens in 2021 een nog grotere prijs kreeg (de Prijs der Nederlandse Letteren), werd de uitreiking daarvan afgelast juist omdat ze zich ‘in het debat’ had gemengd en Desi Bouterse had verdedigd op Facebook en Twitter. Die voormalige president was kort daarvoor veroordeeld voor de ‘decembermoorden’, de moord op 15 intellectuele opponenten in 1982. Een flinke rel was geboren, en Roemer liep haar feestje mis, hoewel de prijs aan haar bleef toegekend. Het is symptomatisch voor de ingewikkelde positie van de postkoloniale schrijver. Men wil in Nederland wel verhalen lezen over de ‘exotische’ oud-kolonie, maar niet als het te ingewikkeld wordt en te politiek. De rel toont ook aan hoe lastig het is voor een auteur om met één been in het eigen land staat, en met het andere been in Nederland, het land van de voormalig overheerser. 

Neem mij terug Suriname

Roemers romans worden in Nederland uitgegeven, besproken en bekroond. Maar ze gaan altijd over Suriname. Zo vormt Astrid H. Roemer een belangrijke culturele schakel tussen de twee landen met hun pijnlijke, gedeelde, koloniale geschiedenis. Dat gold al meteen voor haar eerste roman, Neem mij terug Suriname (1974, later herschreven als Nergens Ergens), over de tragiek van de jonge migrant die niet kan aarden in Nederland. Het werd een geliefd boek aan beide kanten van de oceaan, en de naam van de jonge schrijfster was meteen gevestigd. Ze putte bij het schrijven uit haar eigen ervaringen, want ze werd op haar negentiende alleen naar Nederland ‘gestuurd’ om haar opleiding tot onderwijzeres af te maken. 

Zamani

Ook de gedichten die Roemer schreef zijn vaak autobiografisch. De bundel Sasa of mijn actuele zijn, in 1970 verschenen onder het pseudoniem ‘Zamani’, loog er niet om. Het was, zo schrijft hoogleraar Caribische letteren Michiel van Kempen, ‘de eeuwenlange, trieste geschiedenis van de zwarte mens in Suriname, én van de weg die Suriname nog wachtte’. De dichtbundel Noordzeeblues (1985) is minder politiek, en beschrijft weemoedig het lot van de migrant, zoals in dit fragment: 

wij liggen verankerd - mijn moeder
mijn voet is zeewaardig en
de bruggen staan open en
de zeilen staan bol
wij zijn niet afgedreven - geen ogenblik
gehavend zijn wij

wend niet het gezicht af - mijn moeder
ook ik ben stukgewaaid maar
afstand krimpt en er is geen ruimte zonder
jou

In haar veel latere boek Gebroken Wit (2016) beschreef ze die moeilijke periode uit haar leven opnieuw, in een geschiedenis waarin drie generaties Surinaamse vrouwen worden gevolgd. Die roman lijkt voor de oppervlakkige lezer misschien een kabbelend drie-generaties-vrouwen-verhaal, met veel details over eten of het huishouden, maar is een wolf in schaapskleren. Achter alle kippensoep en kerkbezoekjes schuilt een minder lieflijk verhaal. Een door incest getraumatiseerde dochter is weggestopt in een inrichting, en zo blijkt ook vrouwelijke solidariteit een wassen neus onder de dreiging van patriarchaal geweld, dat wil zeggen: gericht op vrouwen en mogelijk gemaakt door het systeeem.  Het gaat bij Roemer vaak over zulk geweld dat vrouwenlichamen wordt aangedaan. In haar beroemde feministische en moeilijke roman Over de gekte van een vrouw (1982) is dat ook het thema. De nadruk op het alledaagse van de (zorg)relaties tussen mensen betekent dus niet dat ze alleen maar lieflijk zijn. Dat geldt ook voor de verbondenheid van mensen en de natuur: met dieren maar ook met bomen bijvoorbeeld. Die wordt ook allerminst geromantiseerd. 

Verlossing door filosofen

In de romans van Astrid H. Roemer kan de natuur gewelddadig zijn, zoals bijna alles in haar werk meerdere betekenissen heeft. Neem de ‘natuurgenezer’ die in de roman Lijken op Liefde voorkomt. Je moet als lezer zelf beslissen of zijn titel betekent dat hij de natuur ‘geneest’, of juist met hulp van de natuur mensen geneest. Het is allebei tegelijk waar. Haar boeken zijn dan ook filosofisch te lezen, en Roemer is sterk beïnvloed door postmoderne Franse denkers als Lyotard, Blanchot en Derrida, die haar altijd ‘verlossing’ bieden. Dat schreef ze in een essay, Zolang ik leef, waarin ze ook een mooie beschrijving geeft van haar eigen schrijfdoel:

De routine ontwrichten, de triomf bespotten, de complexiteit bezingen, de diversiteit roemen en tegelijk de toenemende onmenselijkheid (onmenselijkheid: dat alles wat ademt gemanipuleerd wordt naar een duidigheid en onwrikbare duurzaamheid) vervloeken? 

Het citaat laat zien dat Roemer in ingewikkelde zinnen schrijft, wat haar werk soms wat ontoegankelijk maakt. Het hoort allemaal bij het doel van de schrijfster: demonstereren dat een eenduidige betekenis niet bestaat in deze wereld.

Onmogelijk Moederland

Want wie tijdens of na het lezen van de lijvige trilogie Onmogelijk Moederland (bestaande uit Gewaagd leven (1996), Lijken op liefde (1997) en Was getekend (1998), propvol symboliek, personages en verwikkelingen, wil vaststellen wat dit alles nu betekent, komt bedrogen uit. Zoeken naar waarheden is hier een doodlopende weg. De moeilijke Surinaamse geschiedenis vlak voor en na de onafhankelijkheid (1975) wordt erin verteld door de ogen van verschillende personages. Zo kiest de schrijver geen partij, en laat ze zien hoe mannen, vrouwen, jongeren met verschillende achtergronden die jaren beleefden. 
Koloniale en postkoloniale stereotypen worden geïroniseerd en zo ontmaskerd. Zoals wanneer haar Nederlandse werkgever de Surinaamse huishoudster Cora vergelijkt met een ‘koraalrif’: 'oerschoon en in die hoedanigheid noodzakelijk voor een gezond milieu'. Dat is typisch een koloniale metafoor: de ‘ander’ wordt vergeleken met de natuur en zo tot een soort ‘nobele wilde’ gemaakt, ongerept door het moderne leven. De ironie bestaat eruit dat de lezer dan al weet dat deze Cora niet zo ‘oerschoon’ is, en dat de natuur bij Roemer überhaupt niet zo onschuldig is.

Sranantongo

Ook Roemers stijl is heel bijzonder. Zo speelt ze met standaarduitdrukkingen, zoals: “Zangles geven was zijn lust”; “Naar zijn gevoel liep alles haar naar hartenwens”; of “hij was een man van de daadwerkelijkheid”. Daardoor moet je als lezer altijd even twee keer kijken. Je wordt je ook bewust van het feit dat het Nederlands zelf in Suriname anders is. Vaak worden er ook uitdrukkingen gebruikt uit het Sranantongo – de taal van Suriname -  of wordt er verwezen naar inheemse of creoolse kennis en gebruiken. Traditionele verhaalanalyse met de nadruk op ‘thema’ of ‘motief’ blijkt hier dan ook zinloos, omdat het krioelt van de uiteenlopende motieven en verwijzingen naar andere teksten. Soms zijn die te verbinden met betekenissen, maar ze liggen nooit vast en zijn per definitie tijdelijk. Daarmee is de trilogie ook een postmodern werk. Zo kan een slang de ene keer verwijzen naar de Bijbel, en de andere keer naar inheems bijgeloof over vruchtbaarheid. Tegelijkertijd is Roemer met haar engagement en liefde voor het klassieke verhaal ook laatpostmodern. Dat Astrid H. Roemer zelf zich, evenmin als haar werk, laat vastpinnen op een betekenis of positie, maakt haar tot het toonbeeld van de literaire schrijver: autonoom en veelzijdig. 
 

VPRO Poëzie: Astrid H. Roemer op de Nacht van de Poëzie 2016

Dichter Astrid H. Roemer draagt voor op de Nacht van de Poëzie 2016 op 17 september 2016 in Tivoli Vredenburg, Utrecht.

Vlogboek: Ish Ait Hamou / Edward van de Vendel / Astrid H. Roemer

In deze video bespreekt Jörgen de volgende drie boeken: Ish Ait Hamou - Cécile, Edward van de Vendel & Anoush Elman - De gelukvinder en Astrid H. Roemer - Neem mij terug, Suriname.