Zendings- of evangelisatieliteratuur
Alle politieke en levensbeschouwelijke richtingen, of het nu gaat om het communisme, het socialisme, het christendom, enzovoort, hebben hun eigen literatuur voortgebracht. Voorbeelden daarvan zijn de communistische auteur Theun de Vries of de socialistische dichteres Henriëtte Roland Holst-van der Schalk. Binnen de christelijke literatuur vinden we onder andere de protestants-christelijke schrijvers Roel Houwink en Nelly van Dijk-Has en de katholieke auteur Anton van Duinkerken.
Eén van de mooie kanten van literatuur is dat die de lezer de mogelijkheid biedt om de levenservaringen van andere mensen te begrijpen zonder die zelf te hebben meegemaakt. Doordat schrijvers over zichzelf of anderen verhalen, maken ze een andere wereld tastbaar, of ze daarbij nou het onderwerp bewonderen of minachten. Dat geldt ook voor de zendingsliteratuur, een ietwat stoffig genre binnen de protestants-christelijke literatuur. (Bij de rooms-katholieken spreken we van missieliteratuur.)
Zendingsboeken - verhalende teksten, gedichten, reisverslagen en essays - werden geschreven door of over zendelingen. De auteurs ervan hebben gemeen dat ze zich allemaal laten inspireren door het christelijke zendingsbevel ‘Gaat dan henen, onderwijst alle volken’ (o.a. Mattheüs 28:19).
Christelijk circuit
Kenmerkend voor de zendingsboeken is dat ze circuleerden in een gesloten protestants-christelijk netwerk. Ten eerste verschenen ze bij een protestants-christelijke uitgever (zoals J.N. Voorhoeve in Den Haag, Callenbach in Nijkerk of Kok in Kampen). Ten tweede kwam de recensent van het zendingsboek uit de protestants-christelijke hoek en verschenen de recensies in protestants-christelijke week- en maandbladen, of in kerkbodes en predikbeurtenbladen. En ten laatste kocht het protestants-christelijk lezerspubliek die de recensies net had gelezen de boeken in protestants-christelijke boekhandels of leende ze in protestants-christelijke bibliotheken.
De auteurs kwamen uit onder andere de hervormde, lutherse en gereformeerde hoek, die allen een zendingsgenootschap hadden: het Nederlandsch Zendelinggenootschap (NZG), het Nederlands Luthers Genootschap voor In- en Uitwendige Zending en het Zendingsgemeenschap van de Gereformeerde Gemeente (ZGG). De Evangelische Broedergemeente (EBG) had als kerk al vanaf haar ontstaan een speciale status: voor haar was het zendingsbevel van de vroegchristelijke kerk ‘Gaat dan henen, onderwijst alle volken’ haar raison d’être. Nog geen tien jaar na de stichting van de EBG in het Duitse Herrnhut vertrokken in 1732 de eerste zendelingen van daar naar West-Indië (het Caraïbisch gebied) en naar andere gebieden waar andere zendingsgenootschappen niet kwamen.
Manusje-van-alles
De zendingsgenootschappen begrepen maar al te vlug dat zending geen amateurisme duldde. Het oprechte geloof van de zendeling in God alleen was niet genoeg. De kandidaten-zendelingen moesten na hun aankomst op de overzeese zendingsplaats zelfvoorzienend zijn: ze moesten zelf hun groenten kunnen telen, een huis bouwen, enzovoort. Kennis van tropische ziektes bleek ook noodzakelijk. Ten tweede moesten zij de leefgewoontes van de inheemse bevolking leren kennen. En ten slotte moesten ze het ‘levende en ware woord’ aan de ‘heidenen’ kunnen verkondigen. Ze moesten én de inheemse taal zo goed mogelijk spreken én stevige theologische bagage bezitten. Kortom: de zendelingen waren zowel landbouwer, als manusje-van-alles, dokter, antropoloog en polyglot-theoloog.
Niet alleen hun opleiding, maar ook het verblijf overzee kostte veel geld. Daarom waren ze volledig afhankelijk van de gunsten – lees: financiële gunsten – van hun zendingsgenootschap. In nood kent men zijn vrienden, vandaar dat de zendingsgenootschappen vaak interkerkelijk samenwerkten. De boeken geschreven door bijvoorbeeld een EBG-zendeling werden niet alleen door de EBG-aanhangers, maar door heel protestants Nederland gelezen.
Licht en duisternis
De zendingsliteratuur wilde de zendingsliefde bij de lezer aanwakkeren, hopend dat die het mooie zendingswerk financieel zou steunen. Maar de zendingsteksten hadden ook een informerende functie over de zending zelf. Kenmerkend voor zo’n tekst is de indeling in twee werelden: de ‘westerse wereld’ en die van de ‘heidenen’ of van de ‘primitieve mens’. Dit zijn de woorden die de Deense EBG-broeder Peter Martin Legêne (1885-1954) in Suriname, land mijner dromen gebruikt (p. 46). Er is sprake van één wereld van licht en één wereld van duisternis. Enkele voorbeelden hiervan zijn:
Één wereld van seksuele tucht (de christelijke wereld) en één van seksuele ontucht (de heidense wereld). Zo heet een Javaanse huishoudster in de roman De gevloekte plantage (1951) van Legêne ‘Djompo’, een naam in het Sranantongo die ‘wippen’ betekent en die haar promiscue levensstijl goed weerspiegelt. Maar de naam wordt gelukkig niet expliciet aan de Nederlandse protestants-christelijke lezer uitgelegd, dat is een boodschap voor ingewijden.
Één wereld van volwassenen (de christelijke wereld) en een wereld van kinderen (de heidense of primitieve wereld). Een voorbeeld daarvan is eveneens in De gevloekte plantage (1951) te vinden. Een oud ‘neger-moedertje’ wordt door Mien, een jonge en vrome Nederlandse vrouw, beschreven als kinderlijk gelovig en gelukkig.
Één wereld van vertrouwen (de christelijke wereld) en één van wantrouwen (de heidense wereld). In Lief en leed met onze kleinen (1922), een zendingsboekje geschreven door de hierboven al vermelde broeder Legêne, heeft een Hindoestaan ogen als een tijger. Deze jonge man was met andere woorden een ware hypocriet. In Lief en leed wordt eveneens gezegd dat de jonge wilde Hindoestaan Mahbub getemd moest worden. Door het werkwoord ‘temmen’ en door het adjectief ‘wilde’ te gebruiken krijgt de Hindoestaan dierlijke karaktertrekken.
In de zendingsliteratuur komen dus morele kenmerken (ontuchtig en kinderlijk optreden van een volwassen persoon) en lichamelijke kenmerken (zoals het geven van dierlijke kenmerken aan de ‘heiden’) aan bod, vaak aangeduid met woorden die tegenwoordig als kwetsend worden ervaren. Maar het zijn ook woorden die de lezer kunnen aansporen om na te denken over de wereld van vandaag de dag.
In de zendingsliteratuur is de hoop van Christus’ opstanding uit de doden expliciet - of vaak impliciet - aanwezig. Vandaar dat zendingsliteratuur opvallend vaak eindigt met een sterfbedscène. In Lief en leed eindigen vier van de tien schetsen met een sterfbedscène van een kind of van een jongvolwassene. Kenmerkend voor deze scènes is dat ze voor de stervende hoopgevend zijn, omdat die nu eindelijk in het Koninkrijk der Hemelen verblijft. Deze hoopvolle toon is voor de hedendaagse lezer misschien lastig te begrijpen, omdat nog maar weinig mensen de dood als opgang naar het eeuwige leven zien.