Indië in de Nederlandse letteren

Voorbij en niet voorbij

‘Een verloren paradijs’ – vol heimwee keken sommige Nederlandse schrijvers na de dekolonisatieoorlog (1945-1949) terug op de voormalige kolonie Nederlands-Indië, maar inmiddels is de blik op die tijd radicaal veranderd.

Vooral sinds de publicatie van het boek Oriëntalisme (1978) van Edward Said wordt er vanuit een postkoloniale visie steeds kritischer gekeken naar het koloniale verleden, ook naar de koloniale literatuur: het Westen had een stereotiep beeld gecreëerd van de niet-westerse ‘ander’ om op die manier zijn machtsstructuren te versterken. Postkoloniaal betekent dan ook niet alleen letterlijk ‘na de koloniale tijd’ (‘post’ betekent ‘na’) , maar ook ‘cultuurkritisch’, wat simpel gesteld wil zeggen: kritisch over het koloniale verleden. Hierbij wordt op een nieuwe manier, niet meer vanuit een uitsluitend westerse invalshoek, naar het koloniale tijdperk gekeken. Zo wordt de blik bijvoorbeeld niet meer alleen op de witte koloniale bevolking gericht, maar ook op de inheemse en Indische bevolking. Ook kijken we op een andere manier aan tegen de dekolonisatieoorlog.

Aanklacht tegen misstanden

Dat betekent overigens niet dat er in sommige Indische romans niet al veel eerder kritiek werd geuit op het koloniale systeem. Vanaf de negentiende eeuw begonnen er protestgeluiden te klinken.

Audio file
Fragment voorgelezen door: Reinder Storm

Aan U durf ik met vertrouwen te vragen of 't uw keizerlyke wil is:
Dat Havelaar wordt bespat met den modder van Slymeringen en Droogstoppels?
En dat daarginds Uw meer dan dertig millioenen onderdanen worden mishandeld en uitgezogen in UWEN naam?

Zo besloot Multatuli in 1860 zijn roman Max Havelaar, of de koffieveilingen der Nederlandse Handelmaatschappy, een scherpe aanklacht tegen de misstanden in Nederlands-Indië. Toch zou het nog bijna een eeuw duren voordat Nederland, na een bloedige koloniale oorlog, de onafhankelijkheid van Indonesië (uitgeroepen in 1945) erkende. Dat gebeurde pas eind 1949. Ook de visie op het einde van Indië was lange tijd in nevelen gehuld. En het duurde een tijd voor een nieuwe postkoloniale blik in de Indische romans begon door te dringen.

Wel is duidelijk dat het koloniale verleden, ook dat van Nederlands-Indië, diepe sporen heeft achtergelaten in de Nederlandse geschiedenis en literatuur. De Indische letteren van na 1945 gaan grotendeels over het Indische verleden en de nawerking van de dekolonisatie, die tot op de dag van vandaag doorgaat.

Oeroeg

Hella S. Haasse was een van de eerste schrijvers die de onafhankelijkheid van Indonesië thematiseerde in Oeroeg (1948), een roman die nog tijdens de dekolonisatieoorlog verscheen. Maar, zoals vaker gebeurde in literatuur uit die tijd, scherpte haar boek de kloof tussen Oost en West juist aan, dit keer in de als onmogelijk voorgestelde vriendschap tussen een Nederlandse en een Javaanse jongen. De witte hoofdpersoon kijkt terug op zijn jeugd en worstelt met de vraag of het hem verweten kon worden deel te hebben uitgemaakt van een maatschappij die hij als kind als paradijselijk ervoer, maar waarin juist ongelijkheid en onderdrukking, soms met geweld, voorkwamen. Toch overheerst de westerse blik in deze roman en in de essaybundel De nieuwe koloniale leeslijst (2020) wordt Oeroeg dan ook zeer kritisch benaderd. In deze bundel worden verschillende boeken uit de koloniale en postkoloniale tijd met een nieuwe, kritische blik gelezen en besproken.

Aanvankelijk domineert de herinnering aan het vooroorlogse koloniale verleden in de Indische literatuur, zoals in Nog pas gisteren (1951) en De tienduizend dingen (1955) van Maria Dermoût. De Indische schrijver Jan Boon, beter bekend als Tjalie Robinson of Vincent Mahieu, die ook in Nederlands-Indië werd geboren, maar na de dekolonisatie naar Nederland kwam, zorgde met zijn werken Piekerans van een straatslijper, Tjies en Tjoek , waarin hij vooral het leven in de Indische gemeenschap belicht, voor een nieuw geluid. Hij werd ‘de stem van Indisch Nederland’ genoemd, en liet de worsteling zien van het leven tussen twee culturen: de Indonesische en de Nederlandse.

Japanse concentratiekampen

Spreken over de dekolonisatieoorlog was lange tijd taboe. Teruggekeerde Indië-veteranen en repatriantenfamilies kregen geen gehoor en moesten zich zo snel mogelijk aanpassen aan het nieuwe vaderland, waarin wederopbouw vooropstond. Terwijl over de Duitse bezetting uitvoerig werd gesproken, werden de Japanse concentratiekampen doodgezwegen. Ze mochten niet vergeleken worden met het leed dat in Nederland en in de Duitse concentratiekampen was geleden, zoals bijvoorbeeld bleek uit de rel die ontstond naar aanleiding van Bezonken rood van Jeroen Brouwers (1981). In die roman verwerkte de auteur zijn ervaringen als klein jongetje in Japanse gevangenschap. Rudy Kousbroek, een schrijver die zelf ook enkele jaren in een Japans kamp doorbracht, verweet Brouwers dat hij het oorlogsleed zwaar had overdreven en dat zijn boek vol stond met ‘feitelijke onwaarheden’. Kousbroek beschuldigde zijn collega van geschiedvervalsing. Brouwers, op zijn beurt, noemde Kousbroek een ‘geobsedeerde raaskallende gelijkhebber’. Jaren later legde hij uit dat hij met Bezonken rood had willen opschrijven ‘hoe hij zich voorstelde Indië zogenaamd te herinneren’.

Lange tijd werd er dus voornamelijk gezwegen over de onafhankelijkheidsoorlog tussen Nederland en Indonesië, die na de Tweede Wereldoorlog begon en tot december 1949 duurde. In het begin werd deze oorlog eufemistisch omschreven als ‘politionele acties’; de Nederlandse oorlogsmisdaden werden ‘excessen’ genoemd en beschouwd als incidenten tijdens een missie die door Nederland werd omschreven als ‘het herstel van orde en recht’.

De tweede generatie

Hoe voor repatrianten de terugkeer naar het vaderland verliep, hoe ontheemd en eenzaam zij zich voelden en hoe zij worstelden met hun oorlogsverleden, is beschreven door Adriaan van Dis, eerst in Nathan Sid (1983) en later, uitvoeriger, in Indische Duinen (1994) en Familieziek (2004). Adriaan van Dis was een van de auteurs die samen met andere Indische schrijvers van de tweede generatie begin jaren tachtig debuteerde en een nieuwe thematiek introduceerde: ook Marion Bloem, Frans Lopulalan, Ernst Jansz en Alfred Birney thematiseerden hun Indische achtergrond in hun romans. Marion Bloem trok de aandacht met Geen gewoon Indisch meisje waarin ze de tweespalt beschrijft die een Indisch meisje ervaart en Frans Lopulalan belichtte in zijn roman Onder de sneeuw een Indisch graf de Molukse invalshoek en uitte scherpe kritiek op Nederland.

De belangstelling voor Indië bleef groot. Naast auteurs van de tweede generatie bleven oudere auteurs, die in de kolonie waren opgegroeid, over Indië schrijven. F. Springer schreef in 1981 Bougainville. In Bandung Bandoeng (1993) beschrijft een ik-persoon hoe hij in latere jaren als diplomaat terugkeert naar Indonesië waar hij ooit werd geboren. Een jaar eerder publiceerde Hella Haasse de bestseller Heren van de thee, waarin het koloniale verleden niet werd geproblematiseerd maar vooral het leven van 19e-eeuwse witte planters wordt beschreven. Pas in haar roman Sleuteloog (2003) bood Haasse een breder perspectief in de vriendschap tussen de witte hoofdpersoon en een Indisch schoolvriendinnetje die ze beschrijft in een terugblik. Helga Ruebsamen gaat in Het lied en de waarheid uit 1997 in op de moeilijkheid om herinnering en verbeelding van elkaar te scheiden.

Nieuwe visie op dekolonisatie

In 2016 zorgde Alfred Birney met de alom geprezen en gelauwerde roman De tolk van Java (Libris Literatuurprijs 2017) voor een radicaal nieuw beeld van de dekolonisatieoorlog. De hoofdpersoon, de Indische Allard Noland vertelt via het oorlogsdagboek van zijn vader die als tolk van het Nederlandse leger getuige was van wandaden over de gruwelen van de dekolonisatie en de trauma’s die dat opleverde voor vader en zoon. Ook het historische boek Revolusi (2020) van de Vlaming David van Reybrouck sloot aan bij de nieuwe visie op het koloniale verleden. Dido Michielsen gaf in haar roman Lichter dan ik (2020) een stem aan een Javaanse vrouw die met een Nederlander was getrouwd en op een bepaald moment haar kinderen vaarwel moest zeggen omdat ze naar Nederland vertrokken. Tot op de dag van vandaag werkt het Indische verleden door in de Nederlandse geschiedenis.