Eva

Carry van Bruggen, 1927

In de semi-autobiografische roman Eva vertelt Carry van Bruggen het verhaal van een joods-orthodoxe vrouw die worstelt met haar seksualiteit. Toch is het boek allesbehalve een gedateerde damesroman. Integendeel: Eva is nog springlevend.

Gisteravond laat al hing hij boven de daken klaar, de rosse lantaarns sloegen er hun gloed tegenaan en vannacht heeft hij zich laten zakken – de sneeuw. Het is de eerste sneeuw van het nieuwe jaar, het is de eerste sneeuw van de nieuwe eeuw – sneeuw die de wereld vernieuwt. Het is vandaag de Nieuwe Eeuw – gister liep de Oude Eeuw ten einde.

Zo begint Eva. In het boek ‘gebeurt’ er niet zoveel: de lezer leert de jonge Eva kennen rond haar achttiende, op de vooravond van de nieuwe eeuw. Haar tweelingbroertje David heeft net werk gevonden, als huisleraar van een rijke, zieke jongen: zo’n carrière als privé leraar was voor Eva uitgesloten, dat was alleen voor mannen weggelegd. Kort nadien verlaat ze het claustrofobische, joodse gezin waarin ze opgroeide om als onderwijzeres in de stad te gaan werken. Daar bloeit ze open tot een leergierige jonge vrouw. Via haar vrienden leert ze het socialisme kennen, dat haar tegelijk aantrekt en tegenvalt. Ze trouwt, krijgt kinderen, gaat vreemd, en scheidt van haar man. Op een vakantie op een Waddeneiland ziet ze de man terug op wie ze twintig jaar eerder heimelijk verliefd werd, en die ze nooit vergeten is. Ze vrijen, één keer. Einde boek. Niet bepaald een plot om van achterover te vallen. Verrassing: daar gaat het ook niet om.

Geen banaaltje zijn

Veel belangrijker dan de actie, is wat er in het hoofd van Eva gebeurt. Al vanaf het begin zuigt ze de lezer mee in de stroom van haar gedachten. Niet via de klassieke techniek van de monologue interieur, maar eerder in een soort dialoog, een tweegesprek met zichzelf. Want Eva worstelt. Met alle grote dingen in het leven. De dood. Haar seksualiteit. De tweespalt tussen liefde en lijfelijk verlangen. Het verlangen wordt indirect aangeduid met ‘het heel erge’ of ‘het ergste’. Met haar verlangen ‘erbij te horen’ en het besef ‘anders te zijn’: wil ze zich nu onderscheiden van de groep of er juist in opgaan? Een gewone vrouw zijn, een ‘banaaltje’ dat genoeg heeft aan koket gekwebbel over mode, of bij de jongens horen. Meedenken. Denken. Al in het eerste hoofdstuk, als ze als kind met de leraar waar ze stiekem verliefd op is Vondel leest, spreekt ze die droom uit: ze wil alles begrijpen. Alles doorgronden. Hoewel ze weet dat zulke ambities voor meisjes en vrouwen ongepast zijn.

Wat is het moeilijk om hier niet gek te doen. Je schijnt toch maar niet zo licht te kunnen afzien hoe anderen zich gedragen. Dit halfjaar al doet ze haar best. Van de eerste dag af heeft ze haar best gedaan. Ze zeiden: je moet je haar laten groeien, je loopt voor idioot met je jongenshoofd, en ze heeft het gedaan. (…) Ze zit met de zusters en de vriendinnen op Bertha’s kamertje, ze pakte een lapje mouw, ze grijpt een plukje rok tussen haar vingers, ze zegt: wat mooie stof – wat kost je die stof, zo ziet en hoort ze anderen doen, het lijkt eenvoudig, maar... je moet het kunnen. Hetzelfde met de modeplaten. Ze zegt: dit zou mij wel flatteren – maar de anderen lachen.

Ongepast voor vrouwen of niet, Eva wil denken. Net als de schrijfster Carry Van Bruggen, die zichzelf ook eerder een ‘denker’ vond dan een ‘artist’. En dus ook nooit echt haar plaats in de wereld vond. Of zoals ze het zelf heel mooi formuleerde: ‘Er is geen ander zijn dan anders zijn.’

Virtuoos modernisme: alles en veel

Ook vormelijk wil Van Bruggen zich niet aan de regeltjes houden. Het vertelperspectief springt van de ik-vorm naar de jij naar de zij, al naargelang de afstand waarmee Eva zichzelf bekijkt. Reflectie en actie wisselen elkaar razendsnel af, in zo’n zinnelijke, zinderende taal dat zelfs de opschortingstekens die ze als sneeuw over de zinnen uitstrooit geen rust brengen. Gesprekken zijn er ook, massa’s gesprekken, waardoor Eva soms wel een Franse praatfilm lijkt. En soms dwaalt ze af in haar gedachten en vertelt ze een mini-essay tussendoor. Het hele boek lang ren je als lezer met haar mee. Bijvoorbeeld in deze scène, waar ze (anderhalve pagina lang) een papierprop beschrijft die over de straat komt aangewaaid.

Kijk, daarbuiten, juist voor de deur, ligt een grote, losse papierprop, blinkende wit, tegen de trottoirrand gewaaid. Hij ritselt, hij spartelt als onder een hand gevangen... spant zich in om verderop te komen de winkel voorbij... je ziet dat duidelijk gebeuren... je zou hem wel willen verlossen, verder helpen... Het lijkt of hij leeft... je zou haast zeggen: hij heeft een werkende wil, als je hem zó hardnekkig ziet streven. En waarom zou je eigenlijk niet mogen zeggen dat hij leeft? Een afgezonderd stukje wind, dat is zijn plooien binnengekropen... dat is hem tot ziel, tot wil, tot streven geworden. Een afgezonderd stukje wind... en een mens dan...? Ja, maar er gebeurt zo onmetelijk veel in een mens...

Zulke stream of consciousness vinden we ook terug bij auteurs als James Joyce en Virginia Woolf, de Angelsaksische tijdgenoten van Van Bruggen. Ze hebben elkaar nooit gekend, maar toch vertoont hun vernieuwende stijl veel gelijkenissen. Van Bruggen zelf bewonderde gek genoeg juist veel auteurs die traditioneler schreven. Ze vertaalde bijvoorbeeld Oscar Wilde en De Musset, en ze hield van Colette, Charlotte Bronte, Friedrich Hebbel, John Galsworthy en George Bernard Shaw.

De wereld begrijpen

Eva is een autobiografisch boek, maar niet op een ‘klein-ikkerige’ manier. Van Bruggen staart niet in haar navel om zichzelf te vinden, maar probeert vanuit haar navel (het meest wezenlijke punt van haar zijn) de wereld te begrijpen. Het hele boek lang worstelt Eva, als vrouw in een preutse tijd, met haar eigen seksualiteit. Met veel willen, smachten, hunkeren en niet kunnen. Maar Van Bruggen vertelt niet alleen dat persoonlijke verhaal: ze gebruikt het om grote filosofische thema’s te belichten. Zoals haar gevecht met het socialisme en het feminisme, twee -ismen waarvan de kerngedachte haar aantrok maar de stelligheid haar afstootte.

Jacob Israël de Haan

Of haar relatie met haar broer, de homoseksuele dichter Jacob Israël De Haan, die grofweg werd vermoord in Israël. In het boek laat ze Eva’s broer juist ‘zichzelf de dood aandoen’ — waarna ze het recht op zelfdoding onderzoekt. En goedkeurt. Of toch niet afkeurt. Net zoals ze homoseksualiteit niet afkeurt. Het huwelijk, dat ze vergelijkt met een eendenkooi: een fuik waar je invliegt om vanuit die gevangenschap eeuwig naar de vrijheid te verlangen. Maar tegelijkertijd een veilige haven voor wie het leven in vrije vlucht ondraaglijk vindt. En het moederschap, dat haar in het echte leven bij elkaar hield, en waarover ze hier nuchter schrijft: ‘Dat is geen ideaal, dat is een drift.’

Non-binair avant-la-lettre

Hoezeer de wereld de afgelopen honderd jaar ook veranderd is, toch is dit boek niet verouderd. Precies omdat het wanhopige zoeken en twijfelen van Eva van alle tijden is. En ook haar andere thema’s zijn opvallend modern gebleven. Ze is een jongensmeisje, een androgyne verschijning met kort haar die voelt dat ze niet tussen de andere vrouwen past. Van Bruggen wou mens zijn, meer dan m of v. Als auteur. Als filosofe. Als persoon. Maar helaas wel een vrouw, die beseft dat ze als denker en intellectueel niet echt een plaats tussen de mannen krijgt. Dat was haar feminisme. Haar gevecht. En dat is, nog steeds, het gevecht van veel denkende vrouwen vandaag.

Zelfs de seksuele worsteling van Eva is niet gedateerd, want het zijn niet de religie en de preutsheid van haar tijd die haar blokkeren. Het is zijzelf. Ze flirtte omdat ze wou voelen, ze snakte naar overgave: mannen noemden haar een ‘allumeuse’ en verweten haar dan vloekend dat ze ‘niet wou’.

Wie eigenlijk denk je dat ik zocht aan te steken? Mijzelf, enkel mijzelf, altijd mijzelf zocht ik aan te steken. Maar de ander ontbrandde en ik bleef koud. Koud. Nu denk ik zelf dat mannenwoord. Koud – omdat ik in dit directe, in dit beperkte... Koud –, met mijn brandende hart...

Ook Carry kon het niet, zei haar zoon na haar dood, ‘niet met vrouwen en niet met mannen.’ Ze probeerde het wel, zelfs op het kraambed probeerde ze het, met de dokter, maar ze kon het niet. De overgave wilde maar niet lukken. Iets zat haar in de weg. Wellicht haar denken, dat uiteindelijk haar dood zou worden. Eva werd Carry van Bruggens laatste roman. Ze pleegde zelfmoord op haar 51e, vermoedelijk nadat ze zichzelf had ‘doodgedacht’. De dood van haar broer, het floppen van haar filosofische essay Prometheus, haar kinderen die het nest uitvlogen — het werd haar allemaal te veel. Ze stortte in. De ‘slingerslag’ tussen denken en voelen was doorgeslagen, en haar rusteloze brein richtte haar genadeloos te gronde.

Fixdit-podcast: Carry van Bruggen's Een coquette vrouw

Over Carry van Bruggen en haar roman Een coquette vrouw (1915). Annelies Verbeke gaat in gesprek met Saskia Pieterse, Sjaron Minailo en Jannah Loontjens over deze uitzonderlijke schrijver en de plaats van deze roman in haar oeuvre.