Âtman

Leo Ferrier, 1968

De roman Âtman van Leo Ferrier is een van de allerbeste en opmerkelijkste romans uit de Surinaamse literatuur. Het boek verscheen in 1968 bij de toonaangevende uitgeverij De Bezige Bij in Amsterdam, dat een jaar eerder In de straten van Tepalka van Tip Marugg had uitgebracht. Die boeken vormden zo de voorbode van een geheel nieuwe generatie jonge schrijvers uit het Caraïbisch gebied – in Nederland was alleen Albert Helman als romanschrijver Ferrier voorgegaan.

Leo Ferrier (1940-2006) was een zoon van de eerste president van Suriname, Johan Ferrier (die zelf bekend werd als verteller van Anansi-verhalen) en een broer van Cynthia Mc Leod-Ferrier (die jaren later bekendheid verwierf met haar historische romans). Leo Ferrier was wat de Surinamers noemen een moksi watra: iemand met het bloed van verschillende etniciteiten in zich. Hij werd opgeleid tot onderwijzer en ging later naar het conservatorium in Utrecht. Maar een depressie die jarenlang zou aanhouden verhinderde een carrière als pianist en zou ook maken dat hij na twee romans stopte met schrijven. Deze autobiografische achtergrond speelt een rol in Âtman.

Hindostanen

Een tweede gegeven dat de roman sterk heeft bepaald, vormen de politiek-etnische spanningen tussen de twee grootste bevolkingsgroepen in Suriname in de jaren ’50 en ’60 van de twintigste eeuw: de Creolen (Afro-Surinamers) en de Hindostanen. De Creolen claimden van oudsher het recht de échte Surinamers te zijn die al eeuwen in het land woonden; de Hindostanen, als contractarbeiders uit India gekomen ná 1873, waren uitgegroeid tot de grootste bevolkingsgroep en eisten hun deel op van de economische en politieke macht.

Derde bepalende factor is het kolonialisme dat de Surinaamse bevolking eeuwenlang in slavernij had gehouden. Vooral middels het onderwijs had de koloniale macht het volk gehersenspoeld en geestelijk geknecht. Leo Ferrier zette de Surinamer neer als zelfbewust, brutaal, toekomstgericht, maar tegelijk ook vol van de twijfels die elk mens kent die geboren is op het kruispunt van culturen.

Integratie van tegenstellingen

Âtman introduceert allereerst Lonnio, een conservatoriumstudent die vakantie viert in zijn geboorteland Suriname en daar de rust zoekt die hem moet genezen van een spierontsteking en die hem ook mentaal weer in evenwicht moet brengen. We volgen hem wanneer hij de Surinamerivier oversteekt naar Nieuw-Amsterdam, waar de Commewijnerivier en de Surinamerivier bij elkaar komen. Dit was de plaats van aankomst van Brits-Indische (Hindostaanse) contractanten, van een fort en een gevangenis. Lonnio stamt af van een contractant die in 1902 in Suriname is gearriveerd, maar hij heeft ook Creools en Joods bloed door zijn aderen stromen. Die etnische menging, het feit dat hij geen stadsjongen is maar ook geen ‘districtsjongen’ (een jongen uit de provincie), rijk noch arm, brengen hem op een zoektocht naar harmonie, naar integratie van de tegenstellingen in hemzelf. Hij verzet zich tegen de historisch gevormde verdeeldheid in het land:

Ik hoor mijn bruine onderwijzer met Chinese naam schelden op de donkere Creoolse kinderen met erg kroeshaar. Hij noemt ze oerstom. Schetst hen het gevaar dat hun wacht als zij in het leren falen. Dat de Hindostanen het land zullen overmeesteren en beheersen. Als de andere Hindostaanse kinderen en ik goede cijfers halen zegt hij: “Goed zo hoor, morgen zal je een grote meneer worden en alle Negers de baas zijn”. Tegen de Creoolse kinderen met slechte cijfers zegt hij dat ze er zelf om smeken de bedelaars van de toekomst te worden. Dat ze lui zijn en allemaal op een kantoor willen gaan zitten en vergeten dat het verbouwen van rijst ook goede verdiensten heeft. (p. 42-43)

Lonnio raakt bevriend met de rijke Creoolse jongen Orlando en de eenvoudige Javaanse districtsjongen Karsilan. De laatste beziet hij nogal naïef als ‘een grote eenheid, die hij immer blijven zal’. Alle drie de jongens studeren hard om als individu een volwaardige plaats in de samenleving te veroveren. Maar dat is nog niet genoeg. In zichzelf heeft Lonnio aanvankelijk het Afrikaanse element willen wegdrukken. Hij accepteert het pas in Nieuw-Amsterdam op het moment dat hij een gedetineerde Creool kust in wiens lichaam hij dat van Orlando ziet, de jongen met wie hij zijn eerste seksuele ervaringen had. Acceptatie van het Afrikaanse in zichzelf en van zijn geaardheid, betekent het uitbannen van schuldgevoelens. Langs die weg kan hij komen tot volledige integratie van de psychische elementen waaruit hij bestaat.

Brahman, de grote wereldziel

Een oude Hindostaan – een goeroe of leermeester - vertelt Lonnio wat werkelijke kennis betekent. Kennis van ‘Âtman’ is de diepste kern van ons eigen zelf, los van elke lichamelijkheid, los ook van willen, denken, voelen en begeren. Het gaat om het centraal stellen van de liefde. In de ultieme liefde is niet langer het individuele ‘ik’ belangrijk, de mens gaat op in iets groters dat uitstijgt boven de individualiteit. In de Indiase heilige geschriften, de Upanishads, wordt dit gezien als het samenvallen van Brahman en Átman. ‘Brahman’, de grote wereldziel, is het alomvattende, bovenindividuele wezen, dat zich in het binnenste van de mens openbaart door en als Âtman, wanneer men het Zelf ziet. Dit betekent dat je je eigen ‘ik’ helemaal hoort, verstaat en herkent. 
Die liefde zal Hindostanen en Creolen tot hun ware zijn in wederzijdse acceptatie moeten brengen. Het bloed van beide groepen is in wezen één: 

Handel overeenkomstig je geweten. Ken je Âtman, dan zul je pas ook werkelijk kunnen delen in de schone harmonie van het leven in Suriname, waar allen één zijn. Echt één. (...) Word één met alles in je en je zult een nog hogere vrede kunnen zien... Zoek in alle mensen de liefde. Je zult die ook vinden, want alle mensen zijn en horen bij dat grote Ene, dat is. Besef de vergankelijkheid van je lichaam, dat de ene keer zwart is en dan weer licht, je haar dat kroes zijn kan en ook glad kan liggen. (...) nu zijn wij in ons beider niet zijn, één groot zijn geworden. (p. 171-172)

De roman is een hechte constructie van talloze symbolen (bloed, slangen, de heilige kanabloem) en motieven (rasvermenging, overspel, rassenscheiding - het tehuis voor Hindostaanse kinderen te Alkmaar, glad en kroes haar, de indoctrinatie door het onderwijs, de aangeleerde superioriteit van het ‘blanke ras’). Ideeën uit het christendom, hindoeïsme en winti worden gesmeed tot een geheel dat wil getuigen van de mystieke eenheid van alle Surinamers. Daarmee is Âtman een psychologische en sociale roman ineen.

El sisilobi of het basisonderzoek

Leo Ferrier was niet de enige Surinamer die met zijn werk wilde bijdragen aan de eenheid van de natie; vooral de nationalistische dichter R. Dobru met zijn gedicht Wan bon wilde dat ook. Maar artistiek deed Ferrier de hoogste gooi. Misschien was die gooi een wel erg ver doorgevoerd gedachtenexperiment. In Leo Ferriers tweede boek bleek hij niet de harmonie maar de verwarring te thematiseren. Dat boek, El sisilobi of het basisonderzoek, bestaat uit een extreem vormexperiment, waarin het lijkt alsof Leo Ferrier zichzelf bewust was geworden dat het idealisme van Âtman te ver was doorgedreven, en dat zijn debuutroman toch niet helemaal zuiver weergaf wat er allemaal in zijn eigen, roerige ziel leefde. De scepsis, de ironie en het cynisme had hij uit zijn eerste boek geweerd, maar namen in zijn tweede roman de overhand.