Willem Ogier

Humoristisch toneelschrijver
Antwerpen (gedoopt) 17 juli 1618 - Antwerpen 22 februari 1689
Herzien door Estel van den Berg

De Antwerpenaar Willem Ogier schreef op zijn zeventiende zijn eerste klucht: Droncken Heyn (1635). Hij was toen nog geen lid van een rederijkerskamer. Op school bij de augustijnse paters had Ogier al toneelvoorstellingen meegemaakt, maar hij was daar niet onderwezen in het schrijven van toneel. Zoals hij in het voorwerk van Droncken Heyn aangeeft, had hij het helemaal zonder hulp geschreven:

Maer ick had’ het ongheluck
Dat my niemandt conde prysen,
Noch ghebreken onderwysen,
Knecht, en Meester,  in dit stuck. (Ogier, De seven hooft-sonden, 206)

Moeilijke start

Het was voor iemand als Ogier niet vanzelfsprekend dat hij een beroemd toneelschrijver zou worden. Hij groeide op onder moeilijke omstandigheden. Kort na zijn geboorte vluchtten zijn protestantse ouders van Antwerpen naar Amsterdam, waar meer ruimte was voor niet-katholieken. Toen zijn vader overleed, besloot zijn moeder toch terug te keren naar Antwerpen. In 1628 begon ze er een handwerkschooltje. Dat werd echter in 1633 door het stadsbestuur gesloten, op verdenking van protestantse opruiing. Met de verkoop van zelfgemaakt brei- en speldenwerk probeerde ze nog wat te verdienen.

De jonge Ogier bezorgde zichzelf aanvankelijk de reputatie van losbol. Op negentienjarige leeftijd werd hij ongehuwd vader van een dochter (15 januari 1638). Hij trouwde, zoals toen gewoonte was, met de moeder, Cornelia Loemans. De baby overleed al snel en ook Cornelia liet datzelfde jaar nog het leven. Kort daarna ging Ogier ook nog failliet en werd zijn inboedel verkocht.

Ondanks deze tegenslagen bleef Ogier gericht op zijn literaire ambities. In 1639 mocht hij zijn Droncken Heyn voorlezen in de Antwerpse rederijkerskamer De Olijftak. Deze eerste voorlezing was een afknapper, zoals Ogier aangeeft in het voorwerk, omdat hij zich niet had gehouden aan de regels van de rederijkers voor toneelteksten:

Hier brocht ick den Dronckaerd’ voort
Bij des Camers wyse Mannen.
Maar dees’ Klucht die wert ghebannen,   
Als sy’t hadden uitghehoort.

Want k’en hadde gheene Maet 
Naar der Rethoryken Reghel.
En ik seyd’ die nauwe peghel 
Is voor die hem dat verstaet. (Ogier, De seven hooft-sonden, 206)

Uit de laatste twee versregels kan worden opgemaakt dat Ogier de strenge regels van de ‘wyse Mannen’ achterhaald vindt.

Vernieuwer van de klucht

De klucht Droncken Heyn brak op een aantal punten met de regels van de rederijkers en ook met de conventies van het kluchtig toneel. Ten eerste hield Ogier zich niet aan een vast aantal lettergrepen per versregel. Verder was zijn spel langer dan de meeste kluchten, maar weer niet zo lang als een blijspel. 

Wat een teleurstelling leek te worden, kwam toch nog goed. Joan Janssens, een ervaren rederijker, had oog voor de vernieuwingen van de jonge dichter. Dankzij Janssens werd het stuk op 18 oktober 1639 opgevoerd tijdens het feest van de patroonheilige van De Olijftak, Sint Lukas.

Droncken Heyn gaat als volgt: Heyn, een jonge losbol die het geld van zijn oudere vrouw in de kroeg wegdrinkt, krijgt in zijn roes het bericht dat zijn echtgenote is overleden. De nachtwakers proberen hem te koppelen aan een jong, zwanger meisje. Als hij op het punt staat met haar te trouwen, komt niet alleen de jongeman op de proppen die het meisje had bezwangerd, maar verschijnt ook Heyns eigen vrouw, die alleen maar flauwgevallen was. Gehuld in een laken leest ‘dit spook’ hem de les! Het stuk kende een groot succes:

Onse Stadt scheen noyt versaedt 
In het sien, en in het hooren:
Hondert mael, en cond’ niet stooren 
Want het bleef in eenen staet.  (Ogier, De seven hooft-sonden, 207)

Ogier werd in 1643 schoolmeester en later deken (voorzitter) van het Sint Ambrosiusgilde van de schoolmeesters. In 1660 werd hij factor van De Olijftak. Hij trouwde in 1648 voor de tweede keer; een dochter uit dit huwelijk, Barbara, werd ook toneelschrijver.

De zeven hoofdzonden op de planken

Ogier doopte Droncken Heyn later om tot De Gulsigheydt. Dit stuk werd het eerste in een reeks over de zeven hoofdzonden.  Op 18 oktober 1644 voerde de rederijkerskamer De Violieren De Hoveerdigheyt (‘De hoogmoed’) op. Ogier verwees daarin naar de Spaanschen Brabander van Gerbrandt Adriaansz Bredero, uit 1618. Het volgende stuk in de reeks was De Gramschap (‘De boosheid,’ 1645), in 1646 kwam De Onkuysheydt uit, en in 1647 Haet en Nydt. In alle stukken leidt zondig gedrag niet alleen tot lachwekkende misverstanden; in De Onkuysheydt vallen zelfs twee doden.
Met het vertonen van moord op het podium bracht Ogier een volgende vernieuwing in de klucht. Het opvoeren van gruweldaden, zeker in een klucht, ging namelijk in tegen de klassieke fatsoenseis. Willem Ogier echter zag er nut in, zoals hij schrijft in het voorwerk van De Onkuysheydt:

Vele Hystory-schryversverklaeren dat by de oude Romeynen seker tyden waren verordonneert in welcke sy hunne slaeven de vryheyt tot alle ongheregeltheyt toelieten, ende als sy ten hoogsten van alle misbruycken waeren brachten sy hunne Kinderen in tegenwoordigheyt der selver, niet op dat sy alle ongeregelheyt van hun als fraey soude leeren, maer om hun (de leelyckheyt siende) vande selve te doen grouwelen ende ontwennen. T’selve syn wy nu uyt-beldende inde slaeven van de ongeschickte sonde van Onkuysheydt. …. (Ogier, De seven hooft-sonden, 96)

Zoals de Romeinen hun kinderen onderwezen in deugdelijkheid door hen te wijzen op het wangedrag van slaafgemaakte mensen, zo toont Ogier het zeventiende-eeuwse publiek in zijn stuk voorbeelden van de onkuisheid ter ontmoediging. Oftewel, don’t try this at home. Het voorbeeld dat Ogier aanhaalt is bedroevend, zowel in sociaal als opvoedkundig opzicht, en verduidelijkt dat hij zonden beschouwde als ‘slaafsheid’ aan de passies. Alleen heftige voorbeelden konden mensen afschrikken van of doen opschrikken uit die kritieke toestand. Als humanist verdedigt Ogier zijn keuze om gebruik te maken van negatieve voorbeelden met een verwijzing naar de klassieke Oudheid. 
    
Pas dertig jaar na De Onkuysheydt en Haet en Nydt bracht Ogier de twee laatste hoofdzonden op het toneel: De Traegheydt en De Gierigheydt (beide 1677). De Gierigheyt was deels gebaseerd op P.C. Hoofts Warenar (1617), dat ook over een vrek ging. Ogiers werk was intussen populair om de levendige, volkse scènes en de rake taal. Rond 1670 waren in Amsterdam verhollandste versies verschenen van De Gramschap (onder de titel Den Moetwilligen Bootsgezel) en Haet en Nydt. Beide kluchten waren bewerkt door de Amsterdamse acteur Jacob Sammers en beleefden talrijke herdrukken. Ze waren in Amsterdam te zien tot in de achttiende eeuw.
Het leven van Willem Ogier laat zien hoe iemand uit een kansarme achtergrond kon opklimmen tot een veelgelezen en invloedrijke schrijver. Misschien was het juist zijn perspectief als buitenstaander dat hem tot een literaire vernieuwer maakten.