Willem Elsschot

Reuzenzaken en kleine burgers

Antwerpen 1882 ‒ Antwerpen 1960

‘Een haring kan tragisch geschilderd worden, al zit er aan zo’n beest niets dat tragisch op zichzelf is.’ Dat schrijft Willem Elsschot (pseudoniem van Alfons De Ridder) in de inleiding tot zijn roman Kaas (1933). Het onderwerp van een schilderij is bijzaak, betoogt hij, en hetzelfde geldt voor een verhaal. Het gaat niet om de gebeurtenissen, maar om het tragische of juist komische effect van het vertellen. Door een persoonlijke stijl kan de schrijver emoties opwekken bij een publiek dat daar gevoelig voor is. Elsschots compacte oeuvre – een handvol gedichten en elf korte romans – weet al een eeuw lang steeds nieuwe lezers te boeien.

Tussen Tachtig en Forum

Dat de schrijver zijn stemming overbrengt op de lezer had Elsschot geleerd van de Tachtigers. Hij was opgegroeid in de late negentiende eeuw, toen de Beweging van Tachtig de toon aangaf in de Nederlandse literatuur. Als scholier schreef hij gedichten in de stijl van Herman Gorter en Willem Kloos.

Toch ging hij al gauw heel anders werken dan zij. In zijn debuutroman Villa des Roses (1913) is niets meer te merken van hun impressionistische woordkunst. Kloos schreef over Elsschot in De Nieuwe Gids ‘dat men zijn boek zoo vlug leest als een luchtig krantenartikel, maar dat er u meer van bijblijft’. Villa des Roses was een realistische roman zoals die destijds in de mode was, maar bracht ook iets nieuws door de vlotte en geestige toon.

In de jaren dertig werd Elsschot herontdekt door een jongere generatie. Menno ter Braak en andere schrijvers rond het tijdschrift Forum waardeerden zijn zijn voorkeur voor alledaagse taal en de autobiografische inslag van zijn romans.

Zakenman en schrijver

Een beroepsschrijver was Elsschot niet. De middelbare school had hij vroegtijdig verlaten. Als negentienjarige werd hij voor het eerst vader en ging hij opnieuw studeren. Daarna werkte hij onder meer als secretaris van een Argentijnse zakenman in Parijs en als kantoorbediende op een scheepswerf in Schiedam.

Elsschot werd vader van zes kinderen en begon een eigen zaak in de snel groeiende wereld van de reclame. Zijn dagelijks werk was het werven van adverteerders, bijvoorbeeld voor reclameborden op krantenkiosken. Hij bedacht ook campagnes en gaf gelegenheidspublicaties uit zoals catalogi en gedenkboeken.

Al die ervaringen verwerkte hij in zijn romans. In het essay ‘Achter de Schermen’ beschrijft hij zijn gewoonte om zichzelf en zijn gezinsleden ‘vanuit een hoek te gaan bespieden en ze een voor een onder het mes te nemen om uit hun bloed voor vreemden een filtraat te bereiden’. De lezers krijgen dus niet het leven zelf (het ‘bloed’) voorgeschoteld, maar een uitgezuiverde versie daarvan (‘een filtraat’).

Lijmen met Boorman

In de roman Lijmen (1924) is de hoofdrol voor Boorman, directeur van het Algemeen Wereldtijdschrift voor Financiën, Handel, Nijverheid, Kunsten en Wetenschappen. Ondanks de deftige titel heeft het Wereldtijdschrift geen abonnees. Boorman verkoopt zijn vele duizenden exemplaren alleen zo duur mogelijk aan ondernemers die hij ‘gelijmd’ heeft met een ronkende ‘studie’ over hun zaak.

Het Wereldtijdschrift drijft op wat marketingspecialisten vandaag storytelling noemen:

Een serieuze zaak moet kleven als een pleister, zuigen als een vampier en haar tent niet om de vijf of tien jaar elders gaan opslaan. Een goed hengelaar zoekt zijn plek uit en blijft dan zitten, wat donder! Heb je nu met trekmieren te doen, die hun verhuizingen niet kunnen verantwoorden, dan zeg je in de studie dat de kerels nergens kunnen blijven omdat de opstal wegens hun reuzenzaken overal dadelijk te klein wordt. Reuzenschepen, reuzenzaken, reuzenzuivelfabrieken, reuzenzeepziederijen, reuzenmetaaldraadgloeilampenfabrieken, vooruit maar, – je bent nu toch eenmaal hoofdredacteur.

Deze instructies geeft Boorman aan zijn nieuwe secretaris Frans Laarmans, die uiteindelijk het Wereldtijdschrift moet overnemen.

Tijdens het schrijven van Lijmen deed Elsschot twee belangrijke vondsten. Ten eerste bedacht hij het onvergetelijke duo Boorman en Laarmans. In het oorspronkelijke handschrift werd de rol van Laarmans nog vervuld door Mies, het nichtje van Boorman. In die oerversie van Lijmen kwam, net als in Elsschots eerdere romans, een alwetende verteller aan het woord. In de gepubliceerde roman doet Laarmans zelf zijn verhaal. Dat is Elsschots tweede vondst: de typisch moderne ik-verteller zal hij nooit meer loslaten.

Dwalen met Laarmans

Na Lijmen beginnen haast alle romans van Elsschot met een verstoring in het burgerlijke bestaan van Laarmans, die weer kantoorbediende is geworden. Hij krijgt het aanbod om een groothandel in volvette Edammer te beginnen (Kaas), zijn oudste dochter blijkt verliefd op een Poolse studievriend (Tsjip) enzovoort.

Zo’n aanleiding sleept Laarmans mee in onvoorziene en vaak komische belevenissen. Zijn twijfels en commentaren deelt hij met de lezer. Uiteindelijk keert hij onveranderlijk terug naar zijn kantoorkruk of zijn luie stoel.

In Het Dwaallicht (1946) loopt Laarmans drie Afghaanse zeelieden tegen het lijf. Ze zoeken naar een zekere Maria Van Dam en hij overtuigt zichzelf ervan dat hij als gids moet optreden:

Zo ben ik dan eindelijk de baan eens op met mensen die volkomen verschillen van de volksgenoten met wie ik gedoemd ben al mijn dagen te slijten, althans met mensen van een andere kleur, die anders lopen, anders groeten en lachen, misschien ook anders haten en beminnen, die in ieder geval van onze beroemdste medeburgers nooit hebben gehoord en voor wie onze vorsten en heiligen absoluut niet in tel zijn, dus zeer waarschijnlijk mensen naar mijn hart.

Ook dit avontuur loopt dood. Ondertussen heeft Laarmans wel afstand genomen van de scherpe, soms racistisch ingevulde tegenstelling tussen het ‘eigene’ en het ‘andere’, tussen ‘wit' en 'zwart’ die zijn ‘volksgenoten’ hanteren. Zijn gesprekken met de zeelui – bijvoorbeeld over de islam en het christendom – maken duidelijk dat de werkelijkheid veel complexer is.

Waardering

Na Het Dwaallicht schreef Elsschot nauwelijks meer, maar werd hij wel steeds beroemder. In 1951 ontving hij de Constantijn Huygensprijs en zes jaar later verscheen zijn Verzameld werk voor het eerst in één band. Kort na zijn overlijden werden al gedenkplaten onthuld in Rotterdam en Antwerpen. En ook sindsdien is de herinnering aan zijn werk levend gehouden: door collega-schrijvers als Simon Carmiggelt en Karel van het Reve, maar vooral door talloze lezers.