P.A. Daum

Chroniqueur van 'tempo doeloe'

Den Haag, 3 augustus 1850 – Laag-Soeren, 14 september 1898

In de meeste literatuurgeschiedenissen komt de naam van P.A. Daum niet voor en toch was hij in zijn tijd een veelgelezen auteur, vooral in Nederlands-Indië, het huidige Indonesië. Hoewel hij op zijn 48ste overleed, schreef hij tussen 1884 en 1894 tien ‘Indische’ romans, die als feuilleton (vervolgverhaal in een krant) werden voorgepubliceerd en pas later als boek verschenen. Daum wist de lezer vast te houden met levensechte personages, realistische dialogen en trefzekere typeringen.

Levensloop

Daum werd in 1850 geboren in Den Haag. Aanvankelijk werkte hij bij de Spoorwegen, maar in 1878 werd hij journalist bij Het Vaderland. Datzelfde jaar kreeg hij het aanbod om redacteur te worden van de Indische krant De Locomotief, die in Semarang (op Java) verscheen. Datzelfde jaar reisde hij naar Nederlands-Indië toe. Nadat Daum vier jaar als redacteur van De Locomotief had gewerkt, bood zich een nieuwe kans voor hem aan. In 1883 nam hij het failliete dagblad Het Indisch Vaderland over. Zijn eerste Indische roman Uit de suiker in de tabak verscheen daarin in 1883 en 1884 als feuilleton.

Na de ondergang van Het Indisch Vaderland verhuisde Daum van Semarang naar Batavia, waar hij redacteur werd van het nieuw opgerichte Bataviaasch Nieuwsblad, dat vanaf 1885 verscheen. In de loop van 1897 werd Daum ernstig ziek. Hij had het ‘aan de lever’, wat in die tijd betekende dat hij aan malaria leed. In de loop van 1898 reisde hij terug naar Nederland. Daum overleed op 14 september 1898.

Bekendheid

Daums werken vielen tijdens zijn leven bij een groot lezerspubliek in de smaak. Vooral in Indië werden zijn feuilletons en romans verslonden. Men zou Daum kunnen bestempelen als een vertegenwoordiger van de ‘nieuwe’ richting in de letterkunde die zich afzette tegen de idealistische, verheffende literatuur van die dagen. Niet voor niets toonde hij zich een bewonderaar van de Franse auteur Émile Zola. 

In het voorwoord bij Uit de suiker in de tabak schreef Daum dat zijn boek was voortgekomen ‘uit afkeer van de conventionele kostschoolliteratuur, die het romanlezend publiek wordt voorgezet’, en die volgens hem gekenmerkt werd door een ‘onware’ schildering van ‘personen en toestanden’. Hij wilde geen geïdealiseerde voorstelling geven van het leven in de kolonie, maar juist een realistisch beeld.

Goena-goena

Daums bekendste en meest herdrukte boek is Goena-goena (1889). Het vertelt het verhaal van Jean Bronkhorst, die als notaris in Indië werkt. Hij is getrouwd met Marie, met wie hij een prettig leven leidt. Daaraan komt een einde als ze kennismaken met Betsy den Ekster, die na de dood van haar man alles in het werk stelt om de rijke en knappe Bronkhorst te verleiden. Daartoe roept zij de hulp in van Sarinah, haar oude baboe (haar vroegere kindermeisje). Met inzet van goena-goena, ‘inlandse’ tovermiddeltjes, zorgt Sarinah ervoor dat Bronkhorst zijn hart aan Betsy verliest. In onderstaand fragment heeft Ketjil, de zoon van baboe Sarinah, de huisjongen Sidin de opdracht gegeven om een vreemd mengseltje te verstoppen onder een steen bij de deur van mevrouw Bronkhorst, zodat ze er onwetend telkens overheen zal lopen.

En Sidin begluurde en onderzocht nauwkeurig het mengsel, dat was samengesteld uit gabah, as, idjoek, beenderen van de koekang en enige grote punten van gewone naalden. […] Ondanks de geruststellende verzekeringen van Ketjil was Sidin niet met de opdracht ingenomen; hij zag zwart van vrees, en ten einde raad, liep hij, toen Ketjil weg was, naar Sarinah en beklaagde zich bitter over de soesah, die men hem bezorgde. Maar ook zij lachte hem uit. ‘Je kunt het gerust doen; mijn zoon heeft gelijk.’ ‘Waarom doe je het dan niet zelf?’ ‘Ik ben een oude vrouw.’ ‘Een oude vrouw kan het ook wel doen.’ ‘Ik dien hier niet; het zou gek staan als ik ging korèkken aan de vloer.’ ‘Ja, dat is allemaal maar bitjara kosong,’ zei hij brutaal. ‘Je bent zelf minder dan een vrouw,’ antwoordde de oude, boos. ‘Het is niet om de soesah, maar omdat je niet brani bent.’ ‘Zeker,’ erkende Sidin, ridderlijk lafhartig, ‘ik ben in 't geheel niet brani.’

Jean Bronkhorst wordt op den duur dolverliefd op Betsy, kan alleen nog maar aan haar denken en raakt steeds meer van zijn echtgenote Marie vervreemd. Betsy probeert Bronkhorst ervan te overtuigen dat hij van zijn vrouw moet scheiden. Zo gaat het van kwaad tot erger: Bronkhorst lijkt wel zijn verstand te hebben verloren. Tegen het einde van het boek is hij bereid om alles voor Betsy op te geven, maar dan grijpt de Europese gemeenschap in. Met hulp van Betsy’s zuster en haar man, en van de resident en diens vrouw, komt er een einde aan de betovering: ze dwingen Betsy te vertrekken en Bronkhorst komt ten slotte weer bij zinnen. De laatste zin van de roman luidt: ‘De goena-goena had uitgewerkt.’

Koloniale stereotypen

Daums boeken zijn niet alleen de moeite waard vanwege de verhalen, maar ook omdat je als lezer een goed beeld krijgt van het koloniale denken van die dagen, waaraan de auteur zich niet kon ontworstelen. In Goena-goena wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen Europees en inheems, en daarmee verbonden tussen ‘beschaafd’ en ‘onbeschaafd’. Telkens weer wordt de inferioriteit van de Javanen beklemtoond. Ze worden beschreven als vies, lui en dom. Als ergens een Javaan woont, leeft, of geweest is, ruik je dat, aldus de verteller: ‘De atmosfeer was bedorven; het stonk er naar nooit geluchte bultzakken, naar de vochtige uitslag van vloerstenen en muren, naar ranzige klapperolie’. 

Daums koloniale ideologie blijkt ook uit de manier waarop hij Betsy’s baboe beschrijft. Sarinah stelt zich tegenover Betsy op als een voorbeeldige dienares, maar in werkelijkheid is ze onbetrouwbaar en gevaarlijk. Met haar mysterieuze toverkunsten is ze voor een Europeaan angstwekkend. Steeds weer wordt beklemtoond hoe afstotelijk ze is. Ze ziet eruit als een bruine heks: oud, met lange grijze haren, een gerimpeld gezicht en een afschrikwekkende, ‘tandeloze mond’. 

‘Oost’ en ‘West’

In de loop van het verhaal maakt het personage Bronkhorst een opvallende verandering door. Daar is hij niet zelf verantwoordelijk voor, maar de goena-goena: een middel dat door de inheemse bevolking wordt ingezet om ‘het Westen’ naar ‘het Oosten’ te trekken. In die zin is het een bedreiging voor het koloniale systeem op zich en voor de superioriteit van het Westen. In het begin van het boek wordt Bronkhorst voorgesteld als een ideale, krachtige Europeaan, maar door de zwarte magie neemt hij steeds meer eigenschappen over van de inheemse bevolking: hij wordt brutaal, onbeschoft en gewelddadig. Betsy ondergaat eveneens een transformatie. Zij is een Indo-Europese: iemand van gemengde afkomst. In het begin van het boek is ze een voorbeeld van een Indo-Europese die zo veel mogelijk de Europese beschaving benadert. Maar gaandeweg raakt ze die status kwijt, omdat ze zich teveel overgeeft aan haar ‘oosterse bloed’. Aan het einde van de roman komt Betsy’s ware (inheemse) aard boven: ze is onredelijk, gewelddadig, schreeuwt en gilt, totdat het schuim op haar mond staat. Niet voor niets wordt ze aan het einde van het boek met haar kwaadaardige baboe uit de Europese gemeenschap gestoten. Uiteindelijk behaalt het Westen in de roman een overwinning op het Oosten en wordt het Oosten opnieuw door het Westen onderworpen. Daums moraal is dat 'wit' door eensgezindheid ‘zwart’ overwint.

Geschreven door Rick Honings