Marga Minco

Altijd de oorlog

Ginneken 1920

Marga Minco groeide op in een Joods gezin in Breda. Als enige van haar gezin wist zij aan deportatie door de Duitsers te ontkomen, waarna zij de hele oorlog zat ondergedoken. Haar ouders en haar broer en zus overleefden de Holocaust niet. De Tweede Wereldoorlog is het grote thema van Marga Minco. Zij is een van de vertolkers van het verhaal van de Joodse overlevenden in Nederland. Haar allerbekendste boek is Het bittere kruid uit 1957, dat tientallen malen is herdrukt.

Het bittere kruid

De ondertitel van Het bittere kruid is ‘Een kleine kroniek’. Een ‘kroniek’ is een zeer eenvoudige verhaalvorm. Het is traditioneel eigenlijk een opsomming van gebeurtenissen in strikt chronologische volgorde. Minco’s verhaal heeft kenmerken van zo’n droge kroniek, want op heel neutrale, sobere wijze vertelt een jong meisje wat zij en haar Joodse familieleden meemaakten tijdens de bezetting. Het schokeffect dat dit verhaal bij de lezer veroorzaakt, komt omdat die lezer veel meer kennis heeft over de afloop van de oorlog dan de personages. De alledaagse gesprekjes over de steeds strengere anti-Joodse maatregelen van de Duitsers worden daardoor bijvoorbeeld heel pijnlijk. Zoals in het hoofdstuk ‘De sterren’, waarin de familie de verplicht gestelde gele Jodensterren op de jassen gaat naaien:

‘Wat heb je er veel meegebracht,’ zei mijn moeder, die aan ieder van ons een paar sterren uitdeelde. ‘Kon je er zoveel krijgen?’
‘O ja,’ zei mijn vader, ‘zoveel ik maar wou.’
‘Het is wel gemakkelijk,’ zei ze. ‘Nu kunnen we er wat in reserve houden voor het zomergoed.’

Het meisje ontsnapt uiteindelijk als enige aan de arrestaties op last van de nazi’s en duikt onder. Zo overleeft ze de oorlog. Na de bevrijding in mei 1945, die voor haar eigenlijk geen vreugde brengt, beseft zij dat haar hele familie is vermoord in de kampen.

Impact

De impact van Het bittere kruid was bij verschijnen in 1957 groot. Marga Minco vreesde zelf eerst dat er voor haar verhaal niet veel aandacht zou zijn. Vooral in de eerste jaren na de oorlog, de wederopbouw, was er in Nederland niet heel veel ruimte voor het lot van de Joodse overlevenden. Maar Het bittere kruid trok wel degelijk direct sterk de aandacht. Veel critici loofden de sobere stijl die het verhaal zo sterk maakte en het grote drama dat vooral achter de beknopte zinnen gelezen moest worden. De beroemde historica Annie Romein-Verschoor schreef in een recensie dat de verbijstering die het boek veroorzaakte niet in de laatste plaats kwam door Minco’s ‘schijnbaar argeloze’ manier van schrijven, ‘een broze vorm van “understatement”. Zo argeloos, dat men pas achteraf overdenkt, hoeveel kunst er aan te pas is gekomen (…).’
Ook internationaal had het boek grote impact. Het bittere kruid is onder meer vertaald in het Duits, Engels, Frans, Italiaans, Hongaars, Portugees, Spaans, Chinees en Hebreeuws.

Een leeg huis

In 1966 publiceerde Minco Een leeg huis. Ook in deze roman gaat het over een Joods meisje, Sepha, dat als een van de weinigen van haar familie aan de Duitsers is ontsnapt. Ze brengt de oorlog door in de onderduik. Na de bevrijding kan ze in juni 1945 enige tijd aansterken op een van de adressen in Friesland, maar dan gaat ze toch terug naar Amsterdam. Onderweg ontmoet Sepha een ontheemde lotgenoot, Yona, die ook bijna iedereen heeft verloren. In Amsterdam vinden Sepha en Yona enkel lege huizen terug. De leegte staat niet alleen voor de verdwenen familie, maar ook over de leegte in hun eigen leven als overlevenden. Sepha’s vriend Mark leeft ook nog, maar ze onderhouden na de oorlog een moeizame relatie. Hij is praktisch, wil vooral verder zonder te veel terug te kijken. Yona blijft daarentegen vooral gericht op het oorlogsverleden, zij kan zich er niet aan onttrekken en springt uiteindelijk uit een trein. Sepha bevindt zich tussen hen in. Anders dan Het bittere kruid wordt dit verhaal met flash-backs verteld, je springt als lezer steeds heen en weer door de tijd. Dat benadrukt dat voor Sepha de oorlog nog altijd een bijna permanent aanwezige realiteit is.

De overlevenden

De hoofdpersonen van Minco moeten telkens accepteren dat zij tot de weinige overlevenden behoren, niet in de laatste plaats door volstrekt toevallige omstandigheden. In de roman De val uit 1983 worstelt de oude mevrouw Frieda Borgstein in het bejaardentehuis nog altijd met het verlies van haar familie en met de vraag waarom zij de oorlog wel heeft overleefd en alle anderen niet. Door louter toeval ontsnapte zij aan een val van de Duitsers: in de oorlog hadden mensen van het verzet een vluchtroute voor haar gezin weten te regelen. Als ze zullen worden opgehaald rent Frieda nog even naar boven om een truitje voor haar dochtertje te halen. Maar ondertussen komt niet het verzet, maar de arrestatiewagen. Frieda ziet nog net de auto om de hoek slaan als ze weer beneden komt. Uiteindelijk komt zij decennia na de oorlog toch om het leven door een letterlijke val.

De overlevenden in Minco’s werk hebben een onmiskenbaar schuldgevoel over hun ‘redding’. Ook de grote eenzaamheid van de overlevenden is heel belangrijk. Minco’s hoofdpersonen voelen zich eenlingen te midden van mensen die niet kunnen of niet willen begrijpen wat zij als overlevenden na de oorlog nog steeds moeten doormaken.

Absurde verhalen

Niet al het werk van Minco gaat over de oorlog. Ze schreef ook al vóór 1940, korte verhaaltjes in de Bredasche Courant. Na de oorlog schreef zij absurde en humoristische verhalen voor onder andere het tijdschrift Mandril en Het Parool. Enkele van deze verhalen werden onder andere opgenomen in de bundel Meneer Frits en andere verhalen uit de vijftiger jaren uit 1974. Net als in haar verhalen over de oorlog hanteert Minco in deze op het eerste gezicht humoristische stukken echter ook een sobere, beknopte stijl. Ze lijken vaak lichtvoetiger, maar de sfeer van beklemming kan soms ook in deze verhalen de overhand nemen. Deze absurdistische verhalen van Minco worden door dit soort bizarre situaties wel vergeleken met het werk van Franz Kafka.

Schrijven als noodzaak

Maar ook al maakt Minco in haar verhalen dus af en toe uitstapjes naar andere thema’s: de oorlog komt altijd weer terug. Schrijven over de oorlog is voor haar een noodzaak. Het is een manier om alle mensen die niet zijn teruggekeerd te eren en in taal levend te houden. In 1980 zei ze tegen interviewer Jan Brokken: ‘Een van de drijfveren om Het bittere kruid te schrijven is ongetwijfeld geweest dat ik mijn familieleden verder wilde laten leven, door over ze te schrijven.’ En in 1991 verbaasde Minco zich er in een interview met Ischa Meijer bijna zelf over dat hun gesprek vrijwel direct over de oorlog ging:

“‘Vreemd,’ zegt Marga Minco (70), ‘nu hebben we het weer meteen over de Tweede Wereldoorlog. Nou ja - het is mijn thema. Een donker gat. Dat schrijven van mij is toch een voortdurende poging tot verklaring. Ik denk niet dat ik ooit daarover uitgeschreven raak. Zo bij perioden denk ik wel: het volgende boek zal over iets heel anders gaan - maar wanneer ik dan daadwerkelijk aan de slag ga, komt die oorlog toch weer boven. Altijd.’”

Het adres

In 2019, veel te laat volgens velen, kreeg Marga Minco de P.C. Hooftprijs voor verhalend proza. De toekenning bracht wel een pijnlijkheid aan het licht: de bestuursvoorzitter van de P.C. Hooftprijs bleek een kleinkind te zijn van de familie die Minco had beschreven in het verhaal ‘Het adres’, net als Het bittere kruid verschenen in 1957. In dit verhaal belt een vrouw, de enige overlevende van haar familie, aan bij de mensen die goederen van haar ouders in bewaring hadden genomen. In de woonkamer ziet ze her en der bekende huishoudelijke spulletjes staan en ze begrijpt dat van teruggave niets zal komen. De mensen zoals uit deze familie werden ‘bewariërs’ genoemd: ze pikten de spullen van vervolgde Joden in, ook al beloofden ze die alleen maar goed te zullen bewaren.