Jan Baptist Stalpart van der Wiele

Katholiek met een roeping
Den Haag, 22 november 1579 - Delft, 29 december 1630
Herzien door Tommie van Wanrooij

Jan Baptist Stalpart van der Wiele werd eerst advocaat, maar voelde zich in dat vak niet helemaal thuis. Zijn roeping lag in de rooms-katholieke kerk. Hij ging in Rome studeren en kwam als gedreven aanhanger van de contrareformatie terug naar de Noordelijke Nederlanden. Strijdlustig propageerde hij een zuivere, sobere levenswijze, met ernst maar ook met humor.

De weg naar het priesterschap

Stalpart groeide op in Den Haag, in een vroom katholiek gezin. Zijn vader was advocaat en het was de bedoeling dat de zoon hem daarin zou volgen. Na een juridische opleiding in Leiden, Leuven en Orléans (Frankrijk), werd hij in 1598 inderdaad beëdigd als advocaat bij het Hof van Holland en bij de Hoge Raad. Lang bleef hij daar echter niet. In 1602 ging hij opnieuw naar Leuven, nu als student theologie. Nadat hij zijn priesterwijding had ontvangen, vertrok hij naar Rome om te promoveren in de theologie. Daar verkeerde hij in hoge kerkelijke milieus en leerde hij het geestelijk-culturele leven van de priesters kennen.

In Rome waren veel mensen rond 1600 voorstander van een zuivering van het rooms-katholicisme. Priesters zouden op basis van hun kennis en enthousiasme de gelovigen opnieuw moeten inspireren om zuiver en sober te leven, zoals Christus gewild had. In deze contrareformatorische beweging zag Stalpart veel heil. Na zijn terugkomst in de Republiek, in 1611, zou hij deze inzichten in praktijk brengen. Hij werd pastoor en rector van het begijnhof en het St.-Aagtenklooster in Delft, waar hij bleef tot zijn dood in 1630.

Muziek als medicijn

Stalpart wilde zijn publiek doordringen van de zuiverheid van het katholicisme. De mens moest zich niet blindstaren op uiterlijk vertoon, maar zorgen dat hij innerlijk eerlijk en volhardend Christus’ idealen naleefde. Die opvattingen zijn te vinden in zijn serieuze leerdichten en in zijn bundels met ernstige en humoristische liederen. Voorbeelden van een goede levenswijze haalde hij onder andere uit de geschiedenis van het rooms-katholicisme, met speciale aandacht voor de lotgevallen van mensen die na hun dood heilig waren verklaard. Zo stond in het leerdicht Vrouwlick cieraet van Sint’ Agnes versmaedt (Vrouwelijke sieraden door St. Agnes afgewezen, 1622) het leven van het Romeinse meisje Agnes (uit de 3e of 4e eeuw) centraal. Van uiterlijk vertoon, zoals dure kleren en sieraden, wilde ze niets weten. Ze wilde non worden en weigerde te trouwen met een niet-christelijke jongeman, waarvoor ze op dertienjarige leeftijd met het zwaard ter dood werd gebracht. Stalpart ontleende aan haar levensverhaal een hele lijst kleding- en gedragsvoorschriften voor vrouwen.

Uitleggen en stichten waren ook de doelen van zijn vele liederen die hoofdzakelijk verzameld werden in Stalparts drie liedbundels. De eerste bundel, Gulde-Iaer Ons Heeren Iesu Christi (1628) ging over de zondagen van het kerkelijk jaar met uitleg en gebeden. In zijn tweede bundel, Extractum Katholicum tegen alle gebreken van Verwarde Harsenen (1631), probeerde Stalpart mensen die ‘besmet’ waren met de protestantse leer te genezen. Zijn laatste bundel, Gulde-jaers feest-daghen of den schat der geestelycke lof-sangen (1634), omvatte meer dan vijfhonderd liederen over Roomse heiligen en was de succesvolste. De bundel moest al herdrukt worden in 1635. In 1644 werden deze liederen door de pastoor Cornelis Vermeulen onder de titel ’t Ronde jaer grondig herwerkt op populaire deuntjes. In die vorm verschenen tot ver in de achttiende eeuw nog herdrukken.

Subtiele humor

Je zou bij Staparts religieuze en belerende liederen misschien een diep serieuze toon verwachten, maar die was er lang niet altijd. Stalpart was een fijngevoelig auteur, die vaak met subtiele humor werkte. Dat deed hij ook in het volgende gedicht over de heilige Isidorus (wiens feestdag op 4 april valt). Over hem ging het verhaal dat hij tijdens het bidden op zijn werk werd vervangen door engelen, die zijn werk met nog meer hartstocht uitvoerden. Als de baas van de vrome Isidorus hem controleert, slaat hij achterover van verbazing als hij drie engelen zijn akker ziet ploegen.

Sinte Isidorus, patroon van de landbouwers
Stem: Tobias tot sterven genegen

Door ’t bidden gink nooit tijd verloren,
sprak Isidoor, Gods uitverkoren,
wanneer zijn heer
hem hinder dede
aan zijn gebeden.

Den goeden knecht had om te leven
hem in een bouwmans dienst begeven.
Hij wrocht, maar zocht
den dienst der kerken
voor all’ zijn werken.

Waarover ’t heerschap zeer verbolgen
ging Isidorum vervolgen,
maar vand hem ’t land
wel fluks gaan eren,
naar zijn begeren.

Drie ploegen zag hij even wakker
gaan drijven over zijnen akker,
daarvan den man
verbaasd gelaten
wierd bovenmaten.

‘Wie zie ’k daar’, riep hij, ‘vriend des Heren,
gaan ploegen met zo witte kleren?
bid vrij, ’k zal dij
o Isidore,
niet meer verstoren.’

Het waren englen – wildij ’t zinnen
die hem den tijd weer holpen winnen,
tot merk dat kerk,
noch mis, noch metten
geen werk en letten.

Hiermee leeft eeuwig Isidore,
en doet ons volgen op uw’ sporen!
’t Gebed wint met
de handen t’samen
den hemel. Amen.

Baas boven baas: bidden is nooit verspilde tijd, want de dienst aan God komt altijd op de eerste plaats.