Boeli van Leeuwen

Een tropische verrassing

Curaçao, 10 oktober 1922 – Curaçao, 28 november 2007

Maar al te gemakkelijk worden ze vergeten, de Caribisch-Nederlandse schrijvers, veelal dubbeltalig, schrijvend over onbekende werelden, onbekende verhoudingen, gevoelens, multiculturele schoonheid en lelijkheid, gedompeld in tropisch zonlicht. Boeli van Leeuwen was er zo een. Op Curaçao is de omgangstaal het Papiaments en wordt door vrijwel iedereen Spaans, Engels en Nederlands gesproken. Die meertaligheid leidt tot een ruimer wereldbeeld, wat het makkelijker maakt de facetten van het leven aanschouwelijk te maken. Verreweg de meeste Curaçaose auteurs schrijven in feite in een taal die niet de hunne is, wat tot uiting komt in de bijna academische manier waarop ze de Nederlandse taal hanteren. Door deze taalproblematiek is het misschien wonderlijk dat Curaçao, Aruba en Bonaire, eilandjes met nog geen 300.000 inwoners, een flink aantal belangrijke Nederlandstalige schrijvers hebben voortgebracht, die de taal pas op de lagere school aangeleerd hebben.

Curaçao, Nederland, Spanje en Venezuela

Willem Cornelis Jacobus van Leeuwen, ‘Boeli’ voor iedereen die hem kende, was schrijver en jurist, geboren als zoon van de gezaghebber van Bonaire. Van Leeuwen woonde behalve op Curaçao en Aruba, ook in Nederland, waar hij in 1947 met zijn moeder naar toe reisde voor zijn studie rechten en waar hij de oorlogsjaren doorbracht, in Barcelona (Spanje), waar hij zijn postdoctorale studie afrondde, en in Caracas (Venezuela) waar hij advocaat was. Hij keerde in de jaren vijftig op Curaçao terug en werkte voor het gouvernement als ambtenaar, waaronder enkele jaren op Aruba en uiteindelijk, tot zijn pensionering in 1982, als Secretaris van het Eilandgebied Curaçao, wat vergelijkbaar is met een Nederlandse gemeentesecretaris. Tekenend voor Van Leeuwen is dat hij na zijn pensionering niet achter de geraniums ging zitten maar zich liet inschrijven als onbezoldigd pro-deo advocaat voor de armen. Hij nam afstand van zijn status als hooggeplaatst ambtenaar en zette een zonderlinge strooien hoed op waarmee hij de rest van zijn leven onafscheidelijk bleek. Het leven tussen de ‘randfiguren’ van de Curaçaose maatschappij werd nu werkelijkheid, lang na de publicatie van zijn eerste romans die dit bestaan al beschreven.

Prijzen

Behalve proza schreef Van Leeuwen poëzie en het scenario voor de film Corsow (1966), waar hij de Nederlandse staatsprijs voor Filmkunst voor kreeg. Dat was niet de enige prijs die hij in ontvangst mocht nemen. In 1961 kreeg Van Leeuwen voor zijn roman De rots der struikeling de Vijverbergprijs (tegenwoordig de F. Borderwijkprijs). In 1983 werd hij voor zijn literaire werk bekroond met de Cola Debrotprijs, de belangrijkste Antilliaanse culturele onderscheiding. En op zijn 85e verjaardag, 10 oktober 2007, kort voor zijn overlijden, kreeg Van Leeuwen de bijzondere oeuvreprijs van het Nederlandse Fonds voor de Letteren op het paleis van de gouverneur van de Nederlandse Antillen.

De rots der struikeling

De rots der struikeling (1959) is het verhaal van de Curaçaoënaar Eddy Lejeune die in Nederland studeert, in een concentratiekamp belandt en in Venezuela op raadselachtige wijze aan zijn eind komt bij het zoeken naar diamanten. Eddy Lejeune, naar het lijkt een alter ego van de schrijver, is de weg kwijt op het snijvlak van twee culturen en op zoek naar een onvindbare God, een God om aan vast te klampen. De zoektocht naar een houvast lijkt een terugkerend thema in alle boeken van Van Leeuwen. Een uitzondering daarop is de korte verhalenbundel Geniale anarchie. De zoektocht voert Van Leeuwen langs verschillende grote denkers. De Man van Nazareth, de filosofen Nietzsche, Freud, Darwin, Marx, de in Caracas wonende Nederlandse kunstenaar Cornelis Zitman, en andere intellectuelen die hem inspireerden bij zijn pogingen een anker te vinden, spelen in vrijwel al zijn boeken een rol.

Multicultureel eiland

Wat ook een grote rol speelt in Van Leeuwens werk, is het zoeken naar houvast. Het hoofdpersonage Kai in Een vreemdeling op aarde (1962) woont op Curaçao, maar heeft een Venezolaanse moeder en een Friese vader. Dat multiculturele maakt dat hij zoekt naar houvast. In het bekrompen Nederland van de jaren vijftig kan hij niet aarden en zoekt zijn heil in de alcohol. Hij vertrekt naar Spanje op de vlucht voor zijn alcoholverslaving. Een kortstondige liefdesrelatie zet Kai weer op zijn benen. Uiteindelijk vind hij de kracht om terug te gaan naar Curaçao en zichzelf in het felle tropenlicht in de ziel te kijken. Want het multiculturele eiland ligt aan de basis van wie hij is. Kai vertoont grote gelijkenissen met de schrijver zelf. Een vreemdeling op aarde is Van Leeuwens meest autobiografische roman. Het bewogen leven dat Van Leeuwen heeft geleid, liet zijn sporen na in zijn literaire nalatenschap. Hij was in Nederland in de oorlogsjaren, in Spanje ten tijde van de dictator Franco, in Venezuela tijdens de dictatuur van de nietsontziende potentaat Marcos Péres Jiménez, en op Curaçao ten tijde van de arbeidsonlusten die leidden tot de verwoestende opstand van dertig mei 1969 waarbij half Willenstad in vlammen opging. Het diepmenselijke medeleven met de slachtoffers, de armen, de minderbedeelden, voert in zijn boeken de boventoon.

In de tweede helft van de jaren zestig was Boeli van Leeuwen sterk betrokken bij de vormgeving van de toekomstige staatkundige structuur van de toenmalige Nederlandse Antillen. Hij schreef zijn ‘Verslag aan de Staten van de Nederlandse Antillen omtrent onze toekomstige staatkundige structuur’, een doordacht essay in literaire stijl. Het stuk was richtinggevend in de discussie over bestuurlijke decentralisatie en zetelverdeling in het parlement van de Nederlandse Antillen. Ook bemoeide Van Leeuwen zich met de relatie van de Nederlandse Antillen met het grote buurland Venezuela en schreef daar meerdere ‘position papers’ over. In die tijd maakte Van Leeuwen in een vraaggesprek de opmerking dat alle giganten uit de hedendaagse wereldliteratuur uit Zuid-Amerika en het Caribisch gebied stammen. ‘Waar geen werkelijk brood is’, zo merkte hij op, ‘geeft de profeet geestelijk brood’.

Schilden van leem

Boeli van Leeuwen is de zestig ruim gepasseerd als hij Schilden van leem (1985) schrijft en dat is merkbaar. Hij put uit zijn ervaringen als bestuurlijk ambtenaar en uit hier zijn kritiek op het postkoloniale leven op Curaçao, een eiland getekend door verval en corruptie. Het is Van Leeuwens meest Latijns-Amerikaanse roman en doet denken aan het werk van de Colombiaanse schrijver Gabriel Garcia Marquez, mede door de verhulde maatschappijkritiek. Er zijn bijna twintig jaar voorbijgegaan sinds van Leeuwens laatste boek, jaren die gewijd waren aan werk en gezin. Eén boek heeft Van Leeuwen in die tijd nog geschreven, Een vader, een zoon. Het boek was dusdanig autobiografisch dat Van Leeuwen besloot het uit de handel te nemen.

Eind jaren tachtig voelt Boeli van Leeuwen de ouderdom naderen: de hoeden die hij droeg kregen met het verstrijken der jaren bredere randen, als bescherming tegen de felle tropische zon. Misschien ook uit ijdelheid, de geplooide huid, de zonnevlekken, het dunnende haar aan het zicht onttrekkend. Hij vertelde aan wie het maar wilde horen hoe hij elke ochtend gefascineerd het lichamelijke verval in de badkamerspiegel aanschouwde. Zijn alter ego in de roman Het teken van Jona uit 1988 is een schrijver op leeftijd. Diens aftakeling doet hem denken aan het verval van de wereld om hem heen en aan diegenen die daarvoor verantwoordelijk zijn. Hij besluit het onontkoombare einde uit te stellen door zijn lotgenoten uit te nodigen voor een feestmaaltijd.

Laatste verhalenbundels

In 1990 verschijnt de verhalenbundel Geniale anarchie. Alle verhalen zijn eerder gepubliceerd in de Curaçaosche Courant. Op humoristische en diep-menselijke wijze beschrijft Van Leeuwen in een aantal korte sketches het wel en wee van de Curaçaose bevolking in al haar facetten. De Curaçaose ‘geniale anarchisten’ hebben zich op Van Leeuwens geboorte-eiland verschanst om moedig weerstand te bieden aan de wereld om hen heen die door geldbeluste technocraten geterroriseerd wordt. En deze anarchisten, afstammelingen van slaven, weten zich altijd, tot ergernis van het moederland aan de Noordzee, op geniale wijze uit hun penibele postkoloniale situatie te redden. Met deze verhalenbundel wist Van Leeuwen een heel nieuw lezerspubliek aan zich te binden, veelal militaire vrijwilligers die iets over het eiland willen leren. Messcherp levert hij kritiek op zijn eiland en zijn mensen. In geen van zijn eerdere romans echter doet hij dat op zo’n humoristische, soms hilarische wijze als in Geniale anarchie. Van Leeuwen was in de tijd dat hij deze verhalen schreef vrijwel elke ochtend te vinden in het oude tropische hotel Avila dichtbij de binnenstad. Hij was bevriend met de Deense hoteleigenaar Nick Møller, behalve hotellier ook tenor en kunstminnaar. Op het zonovergoten terras ontving Van Leeuwen bewonderaars, gelijkgestemden, politici, critici, kortom, de ochtenden in Avila stonden in het schijnsel van debat, en dat zou zo blijven tot enkele jaren voor zijn overlijden in 2007. In 1996 volgt nog een tweede verhalenbundel, De ruïne van een kathedraal, met twaalf reisverhalen maar dat zal zijn laatste boek zijn.

Spotten met de ‘kleinen van geest’

Van Leeuwen was een zelfbenoemd moralist. In al zijn boeken grijpt hij naar alle voor handen liggende wapens om de kleinzielige Curaçaose politici en anderen die op het kleine eiland de dienst menen uit te maken de oren te wassen. En naar gelang de jaren verstrijken wordt hij daar steeds beter in. Met satanisch genoegen richt hij zijn satirische pijlen op wie dat dan ook verdient in de Curaçaose mini-maatschappij. In de verhalenbundel Geniale Anarchie maakte hij op superieure wijze, soms meewarig, dan weer spottend of hoofdschuddend, korte metten met de kleinen van geest, of dat nou uitgezonden Hollandse krachten zijn, zich tevreden wentelend in hun eigen Nederlandse superioriteit, of lokale politici en andere betweters. Telkens laat hij ruimte om het Curaçaose volk te bewonderen voor de manier waarop hiermee omgegaan wordt en hoe ze keer op keer kans zien hun eigen wissel te trekken, zich niets aantrekkend van de kleingeestigen die de dienst menen uit te maken.