Bea Vianen

Een Surinaamse, uiteengewaaid boven de oceaan

Paramaribo 1935 – Paramaribo 2019

De Surinaamse Bea Vianen was de eerste schrijfster die bekend werd bij een ruim publiek in Nederland. Maar haar populariteit in Suriname was enorm: tussen ongeveer 1970 en 2000 was er geen leerling van de middelbare school die niet één van haar boeken gelezen had. Dat had zij voornamelijk te danken aan haar eerste twee romans: Sarnami, hai uit 1969 en Strafhok uit 1971. Bea Vianen was van gemengd-etnische afkomst. Als uitgangspunt om naar haar werk te kijken is dat van groot belang, omdat twee belangrijke thema’s overheersen in alles wat zij heeft geschreven: de etnische verdeeldheid van haar land en het verlangen naar vrijheid.

Zij groeide op in een omgeving van voornamelijk Hindostanen en Javanen. Op achtjarige leeftijd werd zij bij de soeurs op kostschool geplaatst, toen haar moeder de terminale fase van tuberculose bereikte. Het werd een sterk traumatische periode, die een enorme impact op haar denken en leven had. Zij schreef over die tijd het sterk autobiografische verhaal ‘Over nonnen en straffen’ dat in 1969 verscheen in Avenue. In 1957 verhuisde Vianen van Suriname naar Nederland. Daarna zou zij eindeloos over de oceaan heen- en weer blijven vliegen, nu eens hier, dan weer daar wonend, terwijl ze ook nog een tiental jaren reisde en woonde in Zuid-Amerika: Bolivia, Columbia, Ecuador en Peru.

Dubbel kritisch

Bea Vianen is in alle opzichten een (post)koloniaal schrijfster. Suriname – een kolonie en later overzees rijksdeel van Nederland tot aan de onafhankelijkheid van 1975 – ziet zij als het wanproduct van de verdeel-en-heers-politiek van het Nederlandse kolonialisme. Na eeuwenlange importen van Afrikaanse slaven werden Chinese, Indonesische en Javaanse contractarbeiders aangetrokken die weinig met de Afro-Surinamers gemeen hadden. Die verdeeldheid – etnisch, cultureel, religieus, politiek en sociaal – komt op allerlei manieren in de boeken van Vianen naar voren. Daarbij is ze even kritisch naar de voormalige kolonisator als naar het volk van Suriname. Wat zij de Surinamers het meest verwijt is de enorme inperking van de menselijke vrijheid. Dat komt in haar ogen door een kleinburgerlijkheid, door hypocrisie en geroddel, door het vasthouden aan tradities en groepsloyaliteit, en door minderwaardigheidscomplexen. Suriname is een volstrekt uitzichtloos land dat men maar het beste zo snel mogelijk kan ontvluchten.

Haar debuutroman Sarnami, hai draait rond het Hindostaanse meisje Sita, dat probeert haar dromen na te jagen, maar uiteindelijk toch in de val trapt door zwanger te raken van Islam, een jonge man die weinig begrijpt van haar verlangen om zichzelf te ontwikkelen. Uiteindelijk besluit Sita - net als ooit haar grootvader - het land de rug toe te keren, al moet zij daarvoor een hoge prijs betalen: haar echtgenoot eist hun zoontje op. Met dit slot schildert Vianen het verzet tegen het noodlot, de opening naar zelfbevrijding en erkenning van de waarde van de eigen identiteit. Sarnami, hai kan vertaald worden als 'Suriname, ik ben'.

Vianens tweede roman, Strafhok, concentreert zich niet op een individu dat zich beknot weet door het strafhok (de etnische groep), maar analyseert het waarom van de strafhokken. De beknotting van de menselijke vrijheid wordt niet alleen veroorzaakt door ras en geloof, maar door tradities en vooroordelen op elk terrein (zoals de maatschappelijke verstoting van het homoseksuele personage Raymond van de Berg laat zien). Het boek is niet een analyse geworden van een maatschappij die door krachten van buitenaf wordt uitgehold: het rottingsproces komt van binnen. Als de weg van de overtuiging faalt, kiest Raymond voor de strijd en ten slotte voor de dood. Het enige lichtpunt in het boek is dat de Hindostaan Gopalraj de Javaanse Roebia verkiest boven een meisje uit zijn eigen etnische groep.

In grote lijnen hernemen de romans Ik eet, ik eet, tot ik niet meer kan (1972) en Geen onderdelen (1979) de thematiek van het ontvluchten aan een verstikkende maatschappij, terwijl Het paradijs van Oranje (1973), dat zich in Nederland afspeelt een echte emigratieroman werd. Dat boek gaat over verwachting en desillusie, materialisme en schijnwelvaart, winterse kou en heimwee, terugkeer en de nieuwe teleurstelling.

Bitter realistisch 

Latere Surinaamse schrijvers schreven vaak in de Surinaamse variant van het Nederlands, het Surinaams-Nederlands, maar Vianen deed dat niet, al is de taal vooral in de dialogen wel eens gekleurd door die Surinaams-Nederlandse taalvariant. Dat recensenten vooral het ‘exotische’ van haar werk zagen, zegt meer over die critici dan over Vianen. Haar werk is in wezen bitter-realistisch en pessimistisch. 

Bea Vianen schreef ook vijf dichtbundels: Cautal (1965), Liggend stilstaan bij blijvende momenten (1974), Over de grens (1986), Op het laatst krijgen wij met z’n allen donderop (1989), Is als het zo ruist een vermogen (1993) en Begraaf mij in dit gruis (2002). De thematiek ervan sluit nauw aan op die van haar romans en haar ene verhalenbundel: Een kinderbedje (2015). Vianens gedichten zijn sterk beeldend, maar ook sterk associatief, en vooral haar latere gedichten zijn de uitdrukking van een paranoïde geest die de stukjes van het bestaan niet meer met elkaar weet te lijmen. Misschien zit juist daarin wel veel verborgen van de tragiek van migranten die zich rusteloos bewegen over de continenten maar van wie ‘de geest boven de oceaan is blijven hangen.’