Proza 1970-1990

Huiskamerproza versus het postmodernisme

‘Wij willen de lezer terugwinnen door leesbare teksten te schrijven (...). En wij willen, godbetert, door domme en slimme en bange en geile mensen gelezen worden’. Dat staat in het ‘Manifest voor de jaren zeventig’, opgesteld in het jaar 1970 door onder andere Heere Heeresma.

Het soort literatuur waarvoor Heeresma en de zijnen pleitten, wordt ook wel ‘huiskamerproza’ genoemd: realistische, korte verhalen over het leven van alledag. Dat klinkt gemoedelijker dan het was. Heeresma bijvoorbeeld schreef weliswaar over burgermansfatsoen, maar vooral om er mee af te rekenen. Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming, heette een verhalenbundel van hem uit 1973.

Cursiefjes

Ook Simon Carmiggelt beschreef de ‘gewone mens’ (en dus ook zichzelf) met een dosis milde ironie. Dat de lezer daar prijs op stelde, bewees het succes van Carmiggelt, die voor zijn verhalende ‘cursiefjes’ in de Amsterdams krant Het Parool (de zogenaamde ‘Kronkels’) in 1978 de PC Hooftprijs kreeg. Voor die dagelijkse cursiefje vond Carmiggelt zijn stof op lange zwerftochten door de stad - met zijn lange regenjas was hij een bekende gestalte in de straten van Amsterdam. De mensen die zijn cursiefjes bevolkten kwam hij tegen in een winkel, in het café, of op een bankje waar hij zit te lezen:

Terwijl ik een blad omsloeg, kwamen twee dikke vrouwen, met volle boodschappentassen naast mij op de bank zitten. De een zei: ‘Hij was jarig, maar ik heb 'm móói niet gefeliciteerd, want toen m'n vader stierf heeft-ie ook niks laten horen.’ Ik las nog wat door, maar werd toch te sterk door hun bonte conversatie afgeleid. Kierkegaard schreef dan ook eens in zijn dagboek:‘Als ik mijn lust had gevolgd en had gedaan waar ik een uitgesproken talent voor heb - politie-spion - zou ik veel gelukkiger zijn dan ik tenslotte geworden ben.’ Zo is het. Schrijvers zijn ziekelijk nieuwsgierig naar alles wat ze niet aangaat.

Proza rond Raster en De Revisor

Naast het herkenbare en vaak autobiografische proza van auteurs als Carmiggelt, Heeresma of ook Mensje van Keulen (Bleekers zomer, 1972) was er, vanaf de jaren zestig al, een tendens die wegvoerde van de ‘gewone’ lezer. Er verschenen romans en gedichten waarvan de betekenis zich niet één, twee, drie prijsgeeft. Sommige auteurs uit de jaren zeventig, met name rond het literaire tijdschrift Raster, voelden zich verwant met de historische avant-garde en werden gedreven door een sterk maatschappijkritisch engagement. Auteurs als de Nederlanders J.F. Vogelaar en Lidy van Marissing en in Vlaanderen Daniël Robberechts verzetten zich tegen literatuur als een vlot te consumeren product. Ze trachtten de conventionele verhaalvorm open te breken en zelfs kapot te maken in fragmentarische, experimentele teksten.

Minder radicale vernieuwing was te vinden in de kring rond het tijdschrift De Revisor. Zo laten Frans Kellendonk en Doeschka Meijsing zien dat hun personages de wereld om zich heen enkel via de taal en de verbeelding kunnen benaderen en dat ook hun eigen verhalen en romans uit niets anders dan taal en verhaalconventies zijn opgetrokken. In Kellendonks Letter en geest (1982) verbeeldt de bibliotheek de gedachte dat we de werkelijkheid kennen via teksten die steeds weer naar andere teksten verwijzen.

Postmodernisme

Vanaf de jaren tachtig worden verschillende vormen van vernieuwend, speels en ontregelend proza in Nederland en Vlaanderen in verband gebracht met een belangrijke, internationale stroming: het postmodernisme. Het proza rond De Revisor wordt wel als een vroege variant van deze stroming in de Nederlandse literatuur gezien. Met name Willem Brakman en Louis Ferron zijn toonaangevende postmoderne auteurs in de jaren zeventig en tachtig. Ferron viel op met de historische roman Turkenvespers (1977), waarin verschillende periodes uit de Europese geschiedenis vervloeien in de verhaalwereld. Vanaf de tweede helft van de jaren tachtig verschijnt een nieuwe lichting op het toneel. Denk aan Nederlandse auteurs als Atte Jongstra en Charlotte Mutsaers, en de Vlamingen Peter Verhelst en Koen Peeters.

Door elkaar lopende verhalen

Het belangrijkste kenmerk van het postmoderne proza is dat de tekst onthult dat ‘de’ werkelijkheid als zodanig niet bestaat. In plaats van één stabiele realiteit is de wereld opgebouwd uit de verhalen die we erover vertellen. En dan niet uit een Groot Verhaal, zoals dat van de bijbel, maar alle mogelijke verhalen die ook nog eens door elkaar lopen. Waar het de postmodernist om gaat, is te laten zien dat de wereld niet buiten ons bestaat, maar dat iedere logica of ordening daarin door ons is bedacht. In die zin is de wereld net zo onecht als de literatuur of de schilderkunst. Dat gegeven komt steeds terug in het werk van postmodernisten als Atte Jongstra, Willem Brakman of Peter Verhelst.

De onechtheid wordt in postmoderne romans dus niet meer verhuld, maar juist benadrukt, een tweede kenmerk. Daar sluit een derde kenmerk bij aan: postmoderne romanfiguren zijn geen ‘echte’ psychologisch uitgediepte personages, maar veranderen steeds van naam of van identiteit. In de boeken van Sybren Polet bijvoorbeeld komt steeds hetzelfde personage voor, ‘Lokien’, die met ieder beroep dat hij uitoefent een ander persoon wordt. Of het personage splitst zich op in twee of meer Lokiens.

Brakman en Bovary

Een laatste belangrijk kenmerk dat we hier bespreken (er zijn er nog wel meer) is dat van de intertekstualiteit. De gedachte is dat er geen vertellen bestaat dat niet in het spoor treedt van alle andere verhalen die al bestaan. Dat aspect wordt bijvoorbeeld duidelijk in het enorme oeuvre van Willem Brakman. In de 48 romans die hij schreef laat hij de wereld van de tekst steeds overlappen met de ‘echte’ wereld. Zijn personages kunnen bijvoorbeeld zo in of uit een schilderij stappen. Of Brakman laat iemand die alleen in literatuur bestaat, Don Quichot bijvoorbeeld, optreden in de wereld van zijn boek.

Zo heet een van zijn romans Het zwart uit de mond van Madame Bovary (1974), verwijzend naar een van beroemdste romans ter wereld, Madame Bovary van de Franse schrijver Gustave Flaubert (1857). Maar een postmodernist als Brakman vertelt niet het verhaal gewoon na. De eigenschappen van de oorspronkelijke mevrouw Bovary worden op verschillende personages geprojecteerd, die vervolgens allemaal erg hun best doen om te ontsnappen aan het ‘scenario’ dat voor ze vast ligt. Tegelijk gaan ze op bezoek in het woonhuis van de negentiende-eeuwse schrijver en citeren ze voortdurend uit het boek, wetende dat ze zelf ook maar tekst zijn: ‘Je bent een slecht boek, zei ze, en ik heb het uit.’