De stemmen van een nieuwe tijd

De Nieuwe Gids (1885-1894) en Van Nu en Straks (1893-1894 en 1896-1901)

In 1885 werd in Nederland het tijdschrift De Nieuwe Gids opgericht. Het was een platform voor vernieuwende denkbeelden op het gebied van literatuur, politiek, maatschappij en wetenschap. De Nieuwe Gids werd opgericht door Frederik van Eeden, Frank van der Goes, Willem Kloos, Willem Paap en Albert Verwey. Zij verzetten zich tegen de conservatieve houding van de tijd waarin ze leefden. Het tijdschrift groeide snel uit tot een van de voornaamste culturele tijdschriften van zijn tijd.

De jongeren die betrokken waren bij de oprichting van De Nieuwe Gids ontmoetten elkaar regelmatig tijdens de bijeenkomsten van het literaire genootschap Flanor, dat in 1881 was opgericht in Amsterdam. Daar droegen ze voor uit eigen werk en discussieerden ze over de Nederlandse literatuur, die volgens hen toe was aan vernieuwing. Ze hadden genoeg van de moraliserende literatuur, die vaak over geboorte, liefde en deugd vertelde. Hun ideeën wilden ze ook buiten Flanor verspreiden, maar dat lukte niet zo goed. Diverse tijdschriften, waaronder het in 1837 opgerichte tijdschrift De Gids, wilden niets weten van de moderne opvattingen van de jonge generatie. De jongeren besloten daarom een eigen tijdschrift op te richten en dat werd De Nieuwe Gids.

De nieuwe ideeën van deze ‘Tachtigers’ waren al vanaf het begin aanwezig in het tijdschrift. Vanaf het derde nummer begon Kloos een nieuwe rubriek, getiteld ‘Literaire kroniek’, waarin de literaire vernieuwing een nog veel duidelijker gezicht kreeg. Kloos deelde rake klappen uit naar de oude generatie die de jongeren verweet onzedelijk en onbegrijpelijk te zijn. Hij streefde naar het individuele en subjectieve in de literatuur: een kunst voor weinigen door weinigen. Hij zou zijn literatuuropvatting het best verwoorden bij de bespreking van de dichtbundel Verzen van Herman Gorter. Geïnspireerd door Lodewijk van Deyssel schreef Gorter een reeks sensitivistische gedichten, waarin niet de indrukken van de buitenwereld werden verwoord, maar de indrukken van de ziel. Kloos was vol lof over deze bundel. Naar aanleiding van Gorters Verzen schreef Kloos dat kunst ‘de aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie’ moet zijn. Deze beroemde uitspraak zou uitgroeien tot dé literatuuropvatting van De Nieuwe Gids.

Al snel werden de eerste scheuren in de redactie zichtbaar; de redactieleden begonnen kritiek op elkaar te leveren. Er waren conflicten op persoonlijk vlak, maar ook meningsverschillen over de relatie tussen kunst en samenleving. Aan de ene kant stonden de Tachtigers, die kunst en maatschappij als onafhankelijk zagen. Daar lijnrecht tegenover stonden socialistische figuren zoals Frank van der Goes, die de twee juist met elkaar wilden verbinden tot zogenaamde ‘gemeenschapskunst’: kunst in dienst van de maatschappij. Die tegenstelling zou uiteindelijk leiden tot de ondergang van het tijdschrift in 1894. Het werd daarna wel voortgezet door Kloos, maar leek in niets meer op het spraakmakende tijdschrift uit het begin.

In Vlaanderen speelt zich iets later ook een strijd af tussen literatuuropvattingen van de oudere en jongere generatie. Opnieuw vormde een cultureel tijdschrift de katalysator. In 1893 richtten August Vermeylen, Emmanuel de Bom, Cyriel Buysse en Prosper Van Langendonck het tijdschrift Van Nu en Straks op. Na een korte pauze verscheen er in januari 1896 een tweede reeks. Daarin traden ook Karel van de Woestijne, Stijn Streuvels en Herman Teirlinck op de voorgrond.

Van Nu en Straks ontstond in Brussel, waar het kunstgenootschap De Distel regelmatig bijeenkwam. Daar ontmoetten de latere medewerkers van het tijdschrift elkaar en werden de breuklijnen met de oudere garde zichtbaar. Tijdens die bijeenkomsten namen de jongeren ook afstand van de iets oudere auteur Pol de Mont, die wel een boegbeeld was van de l'art-pour-l'artrichting, maar toch te licht bevonden werd om de ommekeer mee in gang te zetten. Art-nouveaukunstenaar en architect Henry van de Velde werd wel bij het project betrokken. Met zijn luxueuze ontwerpen zou hij instaan voor de vormgeving van het tijdschrift.

In het programma omschreven de redacteurs het blad als een avant-gardetijdschrift, nieuwsgierig naar de kunst-van-nu en de kunst-in-wording. Op artistiek vlak zocht men vernieuwing; literatuur mocht niet langer in dienst staan van nationalistische en religieuze idealen. Maar net als De Nieuwe Gids was Van Nu en Straks geen zuiver literair tijdschrift. Het periodiek zocht op sociologisch, filosofisch en natuurwetenschappelijk vlak aansluiting bij internationale theorieën. Vooral de provocerende essays over allerlei intellectuele problemen sprongen in het oog.

Ophefmakend was bijvoorbeeld Vermeylens ‘Kritiek der Vlaamsche Beweging’ (1896). In dit essay rekende hij af met de geromantiseerde Vlaamse Beweging. Volgens Vermeylen was de Vlaamse Beweging te veel bezig met symboliek en vlaggezwaai, terwijl de heropleving van Vlaanderen enkel mogelijk was door de individuele burger cultureel en geestelijk te ontwikkelen. Er was meer intellect (‘more brains’) nodig, zodat de Vlaams gemeenschap zelfbewust een plaats kon verzilveren in de Europese cultuur.

Van Nu en Straks probeerde veel tegenstellingen te verzoenen: het individuele en het gemeenschapsgevoel, het nationale en het internationale, het kunst en het leven, enzovoort. Dat leverde net als bij De Nieuwe Gids redactionele geschillen op. In 1901 beslisten men een punt achter het periodiek te zetten. Het blad blijft in de Nederlandse literatuur echter een belangrijk referentiepunt, in die mate dat er wel eens gezegd wordt dat dit tijdschrift de Nederlandse literatuur in Vlaanderen voor het eerst heeft vernieuwd. Dat is niet terecht, maar het toont wel de impact van het tijdschrift.