Fragment uit De Amsterdamsche lichtmis

In De Amsterdamse lichtmis keren de lichtmis en zijn vriend de monnik, die zich voordoet als de heer Vergezicht, na veel avonturen in Frankrijk terug naar Nederland. Om geld te verdienen pikken ze hun oude levenswijze op. Ze gaan op zoek naar vreemde heren om mee te kaarten.

[…] maar omdat ons geld dagelijks minder werd, zonder dat er iets bij kwam, namen we ons voor ons oude handwerk weer op te pakken, waardoor we regelmatig een reisje heen en weer naar Utrecht maakten, naar Den Haag, naar Leiden, om in de gelegenheid te komen om met vreemde heren kennis te maken in schuiten of postwagens, die wij allen meenamen naar onze herberg, en wanneer wij er tegenkwamen die wilden spelen, plukten wij ze zodanig dat ze nauwelijks geld overhielden om hun gelag te betalen, maar daar stonden wij altijd bij de hospes voor in, die ons van zijn kant weer de hand bood. Maar omdat een dergelijke manier van leven niet eeuwig kan duren zonder dat het geluk keert, zo gebeurde het dat wij op een zekere dag, toen we dachten vreemdelingen en onwetenden voor ons te hebben, dusdanig in onze mening werden bedrogen, dat we op een avond meer dan tienduizend gulden verloren en in diezelfde week het restant van ons kapitaal. Daar kwam bij dat we zo bekend waren geworden dat niemand meer met ons te maken wilde hebben. We hadden nog maar duizend gulden over, waardoor we genoodzaakt waren onze knechten te ontslaan. De Heer Vergezicht stelde mij voor met hem naar Duitsland te vertrekken. Ik kon daar niet toe besluiten omdat ik mij verbeeldde dat het voldoende was om ongelukkig te zijn zonder ook nog in een vreemd land te verkeren, zodat wij uit elkaar gingen, hij zijn reis naar Duitsland begon, zonder dat ik ooit nog iets van hem heb gehoord. Ik nam in een klein kroegje mijn intrek, waar ik gelegenheid had om door te kaarten vaak vrij logies te winnen, waardoor ik mijzelf zeer sober in leven hield. Maar ik behield al mijn kleren en linnen, waardoor ik nog enig aanzien had. Bovendien had het geluk mij nog niet helemaal verlaten. Toen ik een keer in Utrecht was in een herberg, raakte ik met een Duitse baron aan het spelen en wist het zo goed te draaien dat ik vijfduizend gulden aan goud van hem won plus zijn gouden horloge. Ik beloofde hem de volgende dag revanche te geven, maar ik vertrok met de eerste de beste schuit naar Amsterdam, waar ik meteen van herberg veranderde. Ik had mijn oog laten vallen op een jonge weduwe, van wie ik wist dat ze ook zo’n zesduizend gulden bezat, zodat ik me voornam om met haar kennis te maken, hetgeen ze me toestond. Toen ik op een zekere dag met haar naar Haarlem reed, had ik de pech om onderweg twee reizigers tegen te komen, die ook op een koets zaten. Toen die dicht bij ons was, zeiden ze jonker stop, of dat hoertje moeten wij hebben. Zulke woorden, zoals men kan voorstellen, bevielen mij niet, en nog minder mijn engeltje dat naast mij zat...