De import van literatuur in de Nederlandse Republiek
Halverwege de achttiende eeuw raakte de Nederlandse Republiek haar centrale positie in het Europese boekbedrijf en de Republiek der Letteren definitief kwijt. Zij veranderde van een boeken-exporterend naar een boeken-importerend land. Vergeleken bij de omringende taalgebieden was de culturele infrastructuur in het achttiende-eeuwse Nederland van bescheiden omvang. Zo was de boekenmarkt voor Nederlandstalige schrijvers te klein om met oorspronkelijk werk te voorzien in hun levensonderhoud . Toenemende commercialisering van de boekhandel leidde tot een steeds ruimer aanbod aan literair werk van buitenlandse herkomst. Niet voor iedereen was dit slecht nieuws: vertalers werden steeds belangrijker.
Het Nederlandse vertaalbedrijf
In de loop van de eeuw veranderde het lezerspubliek van samenstelling: steeds meer vrouwen, kinderen en anderen die op de volkstaal aangewezen waren, maakten er deel van uit . Om aan de nieuwe behoeften van vorming en vermaak tegemoet te komen, zochten uitgevers hun heil vaak in vertalingen. De manier waarop lezers aan die vertalingen kwamen, veranderde in de loop van de eeuw. De boekhandel bleef een centrale plaats innemen, maar de rol die Franse uitgevers er heel lang speelden werd na verloop van tijd gedeeltelijk overgenomen door collega’s uit de Duitse regio. Die kwamen nu ook naar de noordelijke Nederlanden en richtten zich steeds meer op de Nederlandse markt, onder andere met werken in het Duits of vertalingen daarvan. Zo had zich aan het einde van de eeuw een cultureel netwerk ontwikkeld waar niet alleen Franse en Duitse boekhandels deel van uitmaakten, maar ook Frans- en Duitstalige tijdschriften, bibliotheken en toneelgezelschappen. Tegemoetkomend aan hun toenemende behoefte aan vertalingen uit het Frans, Engels en Duits bracht de boekhandel een intensieve vertaalpraktijk op gang in de tweede helft van de achttiende eeuw. Het werd lopendebandwerk dat de literaire productie in Nederland flink opvoerde. Daarbij fungeerde het Frans nog steeds als een veel gebruikte taal om nieuwe vertalingen op te baseren, maar daarnaast ook het Duits.
Vertalingen gingen een steeds belangrijkere rol spelen in het boekenlandschap, zeker door hun hoeveelheid. Met het groeiende aantal boekhandelaren, een zich uitbreidend publiek en een beperkt aantal eigen auteurs konden de Nederlanden zelf niet voorzien in een aanzienlijke productie van lees- en toneelteksten, terwijl de buitenlandse aanvoer onuitputtelijk was . Voor boekhandelaren waren vertalingen een tamelijk veilige investering: interesse van het publiek voor de uit te geven tekst had zich vaak al bewezen in een ander taalgebied. De toenemende concurrentie en een beperkte bescherming tegen het namaken van boeken voerden het tempo waarin vertalingen op de markt kwamen flink op, wat de kwaliteit ervan niet altijd ten goede kwam.
De professionalisering van de vertalers
Waren het voorheen vaak auteurs van naam die de vertaling van prestigieuze werken op zich namen, zoals Willem Bilderdijk en Justus van Effen, na 1750, maar vooral vanaf de jaren 1780, werd vertaalwerk steeds meer toevertrouwd aan schrijvers van minder aanzien. Ze vormden een leger van vele tientallen beroepsvertalers, waaronder onderwijzers en predikanten met bijvoorbeeld een Duitse achtergrond, die voor de kost seriewerk afleverden voor het grote publiek. Ook maakten sommige boekhandelaren eigenhandig vertalingen, om zo te besparen op de vertalerskosten.
De specialisatie en professionalisering van de vertalers kwam tot uiting in handboeken, woordenboeken en andere hulpmiddelen. Daarnaast verschenen theoretische beschouwingen over de manier waarop vertaald moest worden. Daaruit blijkt dat de vertaalpraktijk zich gaandeweg ontwikkelde. Kon ‘vertaald’ aanvankelijk een vrije bewerking of zelfs een imitatie betekenen die aansluiting zocht bij de smaak en leefwereld van het publiek, aan het eind van de eeuw was daarnaast een benadering gebruikelijk geworden die dichter bij de oorspronkelijke tekst bleef.
De vertaalkritiek
Niet altijd vond de levendige wereld van de internationale literatuur een enthousiast onthaal . Al rond 1700 werd geklaagd over de vermeende overvloed aan vertalingen. In de jaren 1713-1716 woedde ook de ‘poëtenstrijd’, waarin pleitbezorgers van Franse literaire modellen zich fel bestreden zagen door bewonderaars van Vondel en andere oorspronkelijk Nederlandse topdichters. Het had echter nauwelijks gevolgen voor de consumptie van Franse literatuur. De groeiende stroom vertalingen waarmee steeds meer religieuze teksten, kunstzinnige werken en populaire lectuur geïmporteerd werden, riep in de laatste tientallen jaren van de eeuw verontruste reacties op van letterkundige commentatoren en recensenten. Deze critici profileerden zich steeds sterker door een aantal tijdschriften op te zetten , naar buitenlandse voorbeelden overigens. Ze stelden de nodige eisen aan het vertaalwerk, zoals grondige kennis van en vaardigheid in de betreffende talen en respect voor de oorspronkelijke tekst – criteria op grond waarvan ze vertalingen regelmatig afkraakten om hun erbarmelijke kwaliteit.
Vooral in de laatste decennia van de eeuw keerden de critici zich tegen de industriële manier waarop er vertaald werd en tegen de deelnemers aan het Nederlandse vertaalbedrijf: op winst beluste en gemakzuchtige uitgevers, incompetente of slordige vertalers, weinig kieskeurige lezers en recensenten die buitenlandse waar aanprezen. Daartegenover presenteerden hun meer vaderlandslievende collega’s een oorspronkelijk Nederlandstalige roman nadrukkelijk als een verademing. Tegen het eind van de eeuw werd het vertaalbedrijf extra kritisch bekeken toen het nationale denken in een stroomversnelling raakte.
Met spijt zagen de critici dat origineel Nederlandstalig werk uit het zicht raakte bij de enorme hoeveelheid import. Dit buitenlandse werk zou qua onderwerpskeuze en stijl vreemd zijn aan het Nederlandse volk, daardoor zijn cultuur verzwakken en zedenbedervend werken. Iemand als Willem Bilderdijk was daarom vooral gebeten op wat er aan Duitstalig werk op de markt kwam, werk dat destijds zo’n groot aandeel in de Nederlandse vertalingen had. Maar het grote publiek trok zich weinig aan van dit soort bezwaren. Buitenlandse romans en theaterstukken, bijvoorbeeld die van August Lafontaine en August von Kotzebue, bleven in de Nederlanden geestdriftige lezers en toeschouwers vinden.