Achttiende-eeuwse Nederlandse literatuur als exportproduct
Vaak wordt gedacht dat de Nederlandse literatuur enkel binnen de grenzen van het taalgebied werd gelezen. Toch is niets minder waar. Zelfs in de achttiende eeuw, waarin het idee bestond dat de Nederlandse cultuur definitief haar glans had verloren, waren er nog altijd werken die ook onder anderstalige (meestal Frans- of Duitstalige) lezers gretig aftrek vonden, veelal in vertaling.
Wat werd er vertaald?
Deze vraag is het best te beantwoorden aan de hand van de situatie in het Duitse keizerrijk. Daar leefde destijds veel interesse voor wat er in de Nederlanden cultureel en wetenschappelijk omging. Zo belandden rond 1700 veel Nederlandse schandaal- en avonturenromans op de Duitse markt, maar ook De betooverde weereld van Balthasar Bekker (1691). In dit boek, in de jaren 1693-1695 vertaald in achtereenvolgens het Duits, Frans en Engels, bestreed deze theoloog het heersende ‘bijgeloof’ aan duivels en demonen. Bekker had er in de tweede helft van de achttiende eeuw nog grote invloed mee op Duitse theologen en filosofen, meer nog dan in eigen land.
De Duitsers waren echter minstens zo geïnteresseerd in het werk van een dichter als Jacobus Bellamy, van wie het volledige oeuvre verscheen in Duitse vertaling. Poëzie was uiteraard moeilijker te vertalen dan proza, maar het kwam dus wel voor. Nederlandse theaterteksten werden ook niet veel vertaald, misschien omdat ze minder vaak in druk verschenen, maar ook omdat ze maar weinig waardering kregen. De vertaler van Pieter Langendijks ‘kluchtig blijspel’ Krelis Louwen, dat pas in 1852 voor het eerst in het Nederlands werd uitgegeven, maakte een eeuw eerder tenminste melding van een vooroordeel tegen Nederlandse komedies. Romanvertalingen lijken in ieder geval meer weerklank gevonden te hebben. Zo vond Hendrik Smeeks’ fictieve reisverhaal Beschryvinge van het magtig Koningryk Krinke Kesmes (1676) zijn weg naar een Duitstalig publiek in 1721, met een vertaling die in 1776 nog een vierde druk kreeg. Mogelijk gebruikte Daniel Defoe het boek voor zijn wereldberoemde roman Robinson Crusoe.
Waarom werd er vertaald?
Wat bracht uitgevers en vertalers ertoe om Nederlandstalig werk in een andere taal te publiceren? Een enkeling zei het uit pure liefhebberij te hebben gedaan, zoals iemand die Langendijks Krelis Louwen alleen in het Frans vertaald zei te hebben om het met jonge toneelvrienden te kunnen spelen. Een zekere C.J. Albrecht, zich voorstellend als een uit Pfortzheim afkomstige ‘Bürger in Amsterdam’, zag een kans om zichzelf voor te doen als eersterangs auteur door eigen poëzie op te nemen tussen zijn vertalingen van grote Romeinse en Nederlandse dichters. Anderen hadden er behoefte aan om niet zichzelf, maar een bewonderde schrijver of het werk daarvan bekendheid te bezorgen bij een nieuw, anderstalig publiek. De vertaler van Elisabeth Wolffs Proeve over de opvoeding, aan de Nederlandsche moeders (1779) laat zelfs met zoveel woorden weten dat hij haar nuttige lessen toegankelijk wilde maken voor lezeressen die geen Nederlands konden lezen.
Ook anderen wezen op de bruikbaarheid van een werk voor de anderstalige lezer. Leerzaam zouden volgens een vertaler van Elisabeth Wolff en Agatha Deken ook hun romans zijn, waaruit je, anders dan uit talrijke andere, een zuivere moraal kon opdoen en echte mensenkennis, vooral over ‘de betere (lees: vrouwelijke) helft van het menselijk geslacht’. De Engelse vertaler van Joan Derk van der Capellen tot den Pols Aan het volk van Nederland (1781) prees dit anoniem uitgekomen, opstandige pamflet bij de Britten aan als erg actueel, met de hint dat de Nederlandse overheid een beloning had uitgeloofd om de auteur van het origineel te achterhalen. Veelbetekenend voegde hij eraan toe dat het herinnerde aan de Glorious Revolution, de politieke omwenteling waarbij de Engelse koning Jacobus II in 1688-1689 aan de kant was gezet.
Maar de belangrijkste reden om een boek in vertaling uit te brengen lijkt toch het verkoopsucces te zijn geweest dat de oorspronkelijke auteur of uitgever al had mogen ondervinden met een eerdere uitgave. Volgens het voorbericht van de Duitse vertaling van Smeeks’ Beschryvinge van het magtig Koningryk Krinke Kesmes was er in 1776 haast geen exemplaar meer te koop van het populaire boek, reden waarom er nu een vierde druk van de vertaalde editie nodig was. Als er voor een uitgever één doorslaggevende reden was om een in het Nederlands geschreven boek ook in een andere taal uit te brengen, dan was het wel om het lezerspubliek ervan – en daarmee de omzet – flink uit te breiden.
Hoe werd er vertaald?
Sommige vertalers werkten zo letterlijk mogelijk om de oorspronkelijke betekenis geen geweld aan te doen. De vertaler van Lucretia van Merkens heldendicht Germanicus (1779), die zich beroept op de goedkeuring van de schrijfster, voelde zich wel genoodzaakt wat aan te passen, maar zei zich te realiseren dat de verzen daaronder leden. Hij hoopte niettemin dat de vertaling de lezer zou doordringen ‘dat het ware poëtische genie niet zo vreemd is aan Nederland als men doorgaans denkt, enkel vanwege het gebrek aan kennis van de taal van het land’. En niet alleen de taal, ook de cultuur van het nieuwe publiek vroeg om tekstwijzigingen. De vertaler van het opvoedkundige boek van Wolff vond wijzigingen nodig als het ging om typisch Nederlandse gebruiken, die even onbegrijpelijk als oninteressant zouden zijn voor de buitenlanders voor wie de vertaling bedoeld was.
Maar een vertaler kon zich ook genoodzaakt voelen tot nog grotere ingrepen. Hoewel Wolff en Deken op het titelblad van hun Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart ‘Niet Vertaalt’ lieten drukken, braken ze in hun voorwoord opmerkelijk genoeg een lans voor het vertalen van literatuur, een pleidooi dat werd overgenomen in de Franse vertaling van de roman. Het is echter de vraag of ze hebben ingestemd met de ingrepen van een Duitse vertaler, die een complete omwerking nodig vond: de langdradige, uitgesponnen briefvorm waarin het verhaal verteld werd, de frequente herhalingen en het uitvoerige moraliseren moesten ingeperkt worden of zelfs volledig weggewerkt. Tegelijkertijd had hij geprobeerd de verhaallijnen nauwer met elkaar te verbinden en de aandacht van de lezer te concentreren. Degene die voor een tweede Duitse vertaling van het boek tekende, liet zich er weer op voorstaan het verhaal zo te hebben overgebracht als de auteurs het zelf gedaan zouden hebben als zij in het Duits hadden geschreven, voor Duitse meisjes. Hij of zij zou niets hebben toegevoegd dat niet volledig in de geest van de auteurs was. Maar in de vertaling van hun roman Willem Leevend veroorloofde deze vertaler zich nog verdergaande vrijheden dan de eerste, zo blijkt uit zijn voorwoord: hele brieven waren weggelaten omdat ze overbodig leken, andere werden toegevoegd en sommige passages op eigen initiatief gecombineerd.