Warenar

P.C. Hooft, 1617

Geld maakt niet gelukkig, dat weet iedereen behalve de vrek. Hij denkt alleen maar aan zijn centen en vooral aan het risico dat hij ze kwijt raakt. In de zeventiende-eeuwse komedie was de vrek een geliefd type: zijn extreme gedrag zorgde voor lachsalvo’s én was een duidelijk voorbeeld van hoe het niet moest.

 

Pot met goudstukken

Het prototype vrek voor zeventiende-eeuwse auteurs was de oude man uit de Latijnse komedie Aulularia (Potterij) van Plautus (200 v. Chr.). Alles draait daar om een gierigaard die een pot met goudstukken heeft gevonden en sindsdien geen rust meer kent. De pot is het enige waarom hij zich nog bekommert. Zelfs zijn dochter is een risico, ze moet nu maar het huis uit. Hij wil haar uithuwelijken aan een oude buurman die ook goed in de slappe was zit. Hoe zij daarover denkt, interesseert hem niet en dat ze ook nog ongewenst zwanger is, ziet hij niet eens. Het slot van het spel is verloren gegaan; latere auteurs moesten zelf een afloop verzinnen. Willem Ogier was meedogenloos: in De Gierigheydt (1678) breekt de vrek zijn nek. Bij de Fransman Molière komt de vrek min of meer tot inkeer omdat zijn kinderen hem flink te pakken nemen (L’Avare, 1668).

 

Bruidsschat

Hooft en Coster ‘verduitsten’ (vernederlandsten) Plautus’ verhaal vakkundig. Ze verplaatsten het verhaal naar een voor het publiek herkenbare plaats: het Amsterdam van 1617. Warenar maakt zijn naam helemaal waar: bezeten van zijn geheim draaft hij als een gek heen en weer. Hij sjouwt ’s nachts stiekem met de pot door de stad, van het kerkhof bij de Nieuwe Kerk naar een steiger bij een van de grachten. Zijn knecht heeft hem echter in de gaten en steelt de pot. Als Warenar dat ontdekt wordt hij hysterisch. Alles loopt goed af: de knecht geeft het geld terug, maar Warenar wil het niet meer hebben. Hij geeft het als bruidsschat aan zijn dochter Klaartje, die net moeder geworden is en mag trouwen met de vader, haar vriendje. Warenar is voorgoed genezen van zijn gierigheid. De stad zou mogelijk beter af geweest zijn als de rijke man en Warenars dochter wél getrouwd waren. Dat vindt althans de rijke man: 

Rijckert
Somma daer heb ick e sproken mit al de Vrienden, 
Zy prysen de Vryster, sy prysen de Vaer,
Me dunckt oock dattet wel dapper orberwaer,
Dat de rijcke Vryers altemet een arme Dochter gingen trouwen,
'tSou dienen om de Stadt in beteren eendracht te houwen. 
Voorseecker wy souwen min ghequelt zijn vande nijdt,
En als zy hoopte van Rijckeluy kinderen te worden ghevrijt,
Sy zouden haer dan zoo lichtelijck niet begheven,
Als zy nu wel doen tot een oneerlijck leven,
Wy souwent oock met de kostelijckheyt niet maken so bondt. 

Rijkaard 
Somma, daar heb ik gesproken met alle Vrienden,   
Zij prijzen de vrijster, zij prijzen de vader
Me dunkt ook dat het wel dapper nuttig waar,
Dat de rijke vrijers altemet een arme dochter gingen trouwen,
't Zou dienen om de stad in betere eendracht te houwen.
Voorzeker: wij zouden min gekweld zijn door de nijd,
Want als zij hoopte door rijkeluiskinderen te worden gevrijd,
Zij zouden zich dan zo lichtelijk niet begeven, 
Als zij nu wel doen tot een oneerlijk leven,  
Wij zouden ‘t ook met kostbaarheden niet maken zo bont.