Het jongensuur

Andreas Burnier, 1969

‘Je moet eruit’, zegt de badmeester tegen de 14-jarige Simone, wanneer die stiekem het zwembad is binnengeglipt op het ‘jongensuur’. Het duurt niet lang voor de lezer begrijpt dat de woorden een pijnlijke herhaling zijn van wat zij en haar familie tijdens de Tweede Wereldoorlog vijf jaar lang hoorden. We volgen Simone terug in de tijd, naar de bezettingsjaren waarin zij ondergedoken zat zonder haar ouders.

‘Je moet eruit’ zijn dus woorden die aankondigen waar het in dit verhaal over gaat: er niet bij horen. Niet bij je gezin, waar je moeder je amper herkent nadat je vier jaar op het platteland hebt ondergedoken gezeten. Niet in de onderduik zelf, waar je in een kille omgeving leerde over ‘haat voor alles wat warm en zelfs maar vitaal was’. Niet in Nederland, dat je vrienden en familie heeft laten vermoorden door de nazi’s, en het minst van alles in je lichaam: ‘Het verbaasde mij dat zoveel mensen een man waren in dit leven, en dat juist ik een meisje moest zijn’.

Een jongen in een meisjeslichaam

Daarmee is Het jongensuur van Andreas Burnier een uniek verhaal. De novelle, in 1969 verschenen, vermengt twee thema’s die nog nooit in combinatie werden beschreven: de onderduik en transseksualiteit. Aan het begin staat het meisje na de bevrijding tegen krijgsgevangen Duitsers te schreeuwen, vol machteloze woede en angst na de vernietiging van haar hele vooroorlogse joodse wereld. Maar al snel blijkt Simones grootste zorg niet een oorlogstrauma te zijn, maar het feit dat ze een jongen is in een meisjeslichaam.

Verwarring

De lezer volgt Simone terug in de tijd, en ziet hoe verward het kind is. Verward over de aandacht (en aanranding) van mannen, over het meisje Riek dat ineens niet meer met haar wil stoeien, en verward over hoe al haar nachtelijke toverspreuken toch niet maken dat ’s ochtends haar beginnende borsten weer plat zijn. De verwarring gaat ook over de vreemde en steeds wisselende werelden die ze moet leren kennen. Van een streng gereformeerd gezin (‘Ook aan de kerk wende je’), tot soldaten die je porno lieten zien, of in een troosteloos dorp op de kale heide waar ze jaloers is op de ‘dierlijke warmte’ van de armste gezinnen. Simone is genadeloos eerlijk in haar kinderlijke blik, en ook de volwassen vertelstem die later terugkijkt op deze tijd is al even genadeloos: ‘Mijn begrip en dankbaarheid, voor zover aanwezig, was gemengd met verachting en afschuw’. Het is het mengen van die twee perspectieven, de kinderlijk naieve, directe enerzijds en de volwassene, beschouwende anderzijds, die van Het Jongensuur ook zo’n schrijnende novelle maakt.

Omgekeerde volgorde

Toen het boekje verscheen, 25 jaar na het einde van de oorlog, waren de recensenten er redelijk enthousiast over, al begreep men niet waarom het nu zo nodig in omgekeerde volgorde verteld moest worden. Zouden recensenten als de vooraanstaande Kees Fens in De Volkskrant toch een beetje zenuwachtig zijn geworden over het onderwerp van de genderidentiteit, dat zijn recensie in De Volkskrant voor een groot deel ging over de vorm van het verhaal? Hoe dan ook kan je je afvragen of het niet juist een slimme vondst was van de auteur, om het verhaal te laten beginnen na de bevrijding, en dan terug te gaan in de tijd. Zo vermijdt Burnier de voor de hand liggende spanning van een klassiek onderduikverhaal (‘vinden de Duitsers haar of niet?’). Omdat je als lezer al weet dat Simone en haar ouders de oorlog overleven, krijg je immers meer aandacht voor waar het om draait: de vertwijfeling, het isolement en ook de vitale veerkracht van een meisje in een vreemde, vijandige omgeving, een meisje bovendien dat geen meisje wil zijn.