Dertig dagen

Annelies Verbeke, 2015

In de roman Dertig dagen van Annelies Verbeke, kijkt de lezer precies dertig dagen mee in het leven van Alphonse Badjj, een Vlaming die oorspronkelijk uit Senegal komt. Alphonse is met zijn vriendin Kat vanuit Brussel verhuisd naar het dorp Zoetemore in de Vlaamse Westhoek, een mooie, maar ook xenofobische streek. In Brussel was hij muzikant, nu is hij binnenhuisschilder. Hij komt bij allerlei mensen over de vloer en krijgt zo, net als de lezer, een kijkje in het leven van de Vlamingen. Binnen de muren van hun woningen vertrouwen zij hem hun intieme en soms absurde geheimen toe, van een alcoholverslaving en eenzame zelfmoordgedachtes tot een papierpijlmoord op de hond van de buren.

Messias?

Alphonse is een goed mens, zo komen we te weten, hij heeft zelfs trekken van een ‘Messias’, een soort bevrijder: hij ziet het als zijn roeping om anderen te helpen, luistert geduldig, ook als hij slecht behandeld wordt. Hij voelt zich ‘fundamenteel gelukkig’, zegt hij zelf, vooral als hij in de natuur is of op zijn kora, een West-Afrikaans muziekinstrument, speelt. De aftellende hoofdstuktitels, echter – die teruglopen van dertig naar één: dertig dagen – doen al vermoeden dat er iets mis dreigt te gaan. Misschien wordt zijn goedheid – zoals Jezus Christus – hem ooit noodlottig?
Hoewel de anonieme verteller van de roman de lezer vooral via Alphonse laat zien wat er gebeurt, verschuift de blik soms naar anderen. Bijvoorbeeld naar Kat, de vriendin van Alphonse, naar een klant, een toevallige voorbijganger, en zelfs naar een koe. Deze perspectiefwisselingen, die steeds in een cursief lettertype weergegeven zijn, tonen voornamelijk hoe de andere personages Alphonse zien. Zo lezen we hoe een dokter in het ziekenhuis Alphonse ziet als een Afrikaan van wie je er ‘tegenwoordig ook zo veel’ ziet en Alphonses buurman associeert hem met ongeremdheid en lenigheid in bed, maar denkt er achteraan: ‘Zijn vermoedens hebben natuurlijk niets met Alphonses afkomst te komen. Toch? Nee.’

Binnenschilder, maar buitenstaander

Deze blikken van buiten maken de werking van stereotyperingen zichtbaar; ze leggen vooral de nadruk op de buitenkant en op de tegenstelling binnen-buiten. Want terwijl Alphonse soms dagenlang onderdeel is van het alledaagse leven in de huis-, bad- en slaapkamers van zijn klanten en hij toegang krijgt tot hun (innerlijke) binnenwerelden, blijft hij tegelijkertijd iemand van buiten. Hij is niet alleen van elders gekomen, maar zal ook nadat het werk is afgerond weer vertrekken, wat zowel betrekking heeft op zijn concrete kluswerkzaamheden als op de positie van de (arbeids)migrant. Soms wordt hij ook openlijk tot vreemdeling veroordeeld, zoals door de vrouw die hem telefonisch afwijst voor een schilderklus:

Wij doen daar niet aan mee, meneer. ‘Multikul’, noemt mijn man het. Wij hebben ons appartement verhuurd aan Bosniërs en wij hebben daaruit moeten concluderen dat Bosniërs bosapen zijn. Wij laten ons niet graag iets wijsmaken. Wij wisten niet dat u niet van hier bent. En daarom wensen wij u hier morgen niet over de vloer.

Beladen ruimte

Het dorpje Zoetemore is ook nog eens een historisch zeer beladen omgeving: in Kats woorden ‘de streek van massagraven en achtergelaten granaten, verlaten grensposten, gesloten cafés en bejaarde nabestaanden’. De loopgraven zijn de meest zichtbare sporen die de Eerste Wereldoorlog in dit gebied heeft achtergelaten. Ze vormen bovendien nog steeds een plek van conflict: Afghaanse vluchtelingen hebben er een provisorisch kamp opgeslagen. Alphonse brengt daar ondanks waarschuwingen van de lokale inwoners boodschappen heen. Als hij het kamp op een dag verlaten aantreft, wordt hij overvallen door een groep onherkenbaar vermomde mannen, die hem in elkaar slaan. De roman eindigt met de zinnen:

Het wolkje is er, de stilte ook. Hij wordt het, wordt de wolk die over hem heen is geschoven. Hoe dierbaar is hem die man beneden. Zo dierbaar en zo veel te klein. Maar hij moet nog rondkijken ook, nog één keer kijken naar de takken van de bomen vanaf de stam de grond uit de lucht in, de levende vogels erlangs. Nog één keer zien hoe mooi het hier is. Hoe mooi het hier nu is. En dan is hij weg.

Deze slotscène, waarin Alphonse sterft als martelaar, plaatst zijn gelukkige leven, waarin hij vooral dienstbaar is geweest naar anderen, in een ander perspectief. Hier blijkt dat zijn behulpzaamheid en aanpassingsvermogen hem nooit werkelijk toegang hebben verleend tot de gemeenschap waarin hij leefde. Hij bleef de buitenstaander en zou dat ook altijd blijven, omdat hij aan de buitenkant altijd gezien werd als iemand met een afwijkende huidskleur, als potentiële bedreiging.

Literatuur, geen pamflet

Ook in Verbekes eerdere romans, verhalen en theaterteksten worden personages beschreven die buitenstaanders zijn, of dat nu komt door hun slaapgebrek zoals in Slaap! (2003) of hun obsessie om vissen te redden (Vissen redden, 2009). Met Alphonse wilde Verbeke een geslaagde helper maken: ‘hij is toch een echte Jezus!’. Dertig dagen riep een hoop reacties op, ook zeer emotionele, zo vertelt Verbeke in een interview. De roman raakt aan heikele debatten in de samenleving, zoals die rondom het vluchtelingenkamp in Calais, en het racisme waarmee haar eveneens uit Senegal afkomstige echtgenoot te kampen heeft: ‘sinds ik zij aan zij leef met iemand met Afrikaanse roots, heb ik veel geleerd. […] En ik ben blij dat ik dat heb geleerd, een mens hoort dat te weten.’ Hiermee kun je de roman een voorbeeld noemen van het maatschappelijk engagement van het ‘laatpostmodernisme’.

In de literaire kritiek werd de roman overwegend positief ontvangen, onder meer vanwege de combinatie van humor en maatschappijkritiek en thematisering van morele vraagstukken zonder een moraliserende toon aan te slaan. Voor Dertig dagen ontving Annelies Verbeke de Bordewijkprijs 2015, een prijs voor het beste Nederlandstalige prozaboek van dat jaar.

 

Geschreven door Esther Op de Beek

Annelies Verbeke Dertig Dagen in Watou deel 1

Annelies Verbeke over vluchtelingenkampen.