Virginie en Rosalie Loveling

Speelsheid, politiek en duisternis

Nevele 1836 - Gent 1923

Virginie Loveling wordt vaak samen met haar zus Rosalie (1834-1875) genoemd. De gezusters Loveling verwierven faam met hun spitsvondige, realistische gedichten, die ze samen schreven. Ook schreven ze novellen - die vandaag eerder 'korte verhalen' zouden worden genoemd. Omdat Virginie veel langer leefde dan haar zus, en tot op hoge leeftijd bleef schrijven, is haar literaire nalatenschap veel groter en gevarieerder: naast gedichten en korte verhalen schreef ze ook romans, kinderboeken, essays, reisreportages en postuum uitgegeven Oorlogsdagboeken .

Mannelijk pseudoniem

Een deel van haar oeuvre heeft een politieke ondertoon: tijdens de eerste schoolstrijd (1878-1884) in België, waarbij het rijksonderwijs en het katholieke onderwijs zeer vijandig tegenover elkaar stonden, trad Virginie Loveling via haar literaire werk naar voren als een uitgesproken vrijzinnig-liberale, dus antiklerikale stem, iemand die zich fel tegen de allesoverheersende invloed van de katholieke kerk in België richtte. Zij deed dit eerst via het mannelijke pseudoniem W.G.E. (Willebrordus Gerulfus Edmundus) Walter, 'mede-eigenaar eener fabriek van chemische meststoffen'. Als W.G.E. Walter schreef ze in 1877 In onze Vlaamsche gewesten. Politieke schetsen, haar eerste roman, waarin ze toont hoe ideologisch verscheurd het Vlaamse platteland van haar tijd is. Het hoofdpersonage is ene Sandrie, gewezen volksvertegenwoordiger voor de liberale partij en schrijver, die zich terugtrekt op zijn buitenverblijf in het dorpje Crocke. Hij onderhoudt een goede relatie met een pastoor van het dorp, die zich volop inzet voor de armen. Wanneer deze pastoor sterft, komt er een opvolger, die een heel ander soort katholicisme belichaamt. Deze nieuwe pastoor zit Sandrie voortdurend dwars en machtswellustige intriges ontwikkelen zich als de liberalen de verkiezingen lijken te zullen winnen.

Een dure eed

Virginie Loveling voert vaak vrouwelijke hoofdpersonages op in haar romans en verhalen en heeft daarbij oog voor de benarde sociaal-economische omstandigheden waarin vrouwen zich bevinden. Haar kijk op het huwelijk is verre van rooskleurig. Dat geldt zeker ook in de roman Een dure eed, die vanaf 1889 eerst in afleveringen in literair tijdschrift De Gids verscheen en die haar in 1895 tot winnaar maakte van de 'vijfjaarlijkschen wedstrijd voor Nederlandse letterkunde', de hoogste literaire onderscheiding uit haar tijd.

Zwarte periode

Bijzonder boeiend is haar 'zwarte periode' waarin ze naturalistische aspecten en elementen uit de ‘Gothic novel’ vermengt. De Gothic novel - of gotische roman - kenmerkt zich door mysterieuze, romantische en horror-elementen; de duistere zijde van de menselijke geest treedt erin naar voren. Virginie Lovelings benadering van de streekroman is hoogst origineel: telkens zet ze personages neer in het fictieve dorp Vroden - gebaseerd op Nevele, waar ze opgroeide en lang woonde. Zo lopen we de hoofdpersonages uit de ene roman in de andere als randpersonages tegen het lijf. Een revolverschot, de laatste roman die Virginie Loveling op de wereld losliet - maar waaraan ze al lang voor 1911 begon te schrijven - is de meest duistere, en wellicht ook de meest volmaakte ‘Vroden-roman’. Een revolverschot gaat over de zussen Marie en Georgine Santander, notarisdochters. Wanneer zij beiden verliefd worden op de overbuurman, ontspint zich een noodlottig verhaal, waarin Loveling haar personage Marie in golfbewegingen van de hoogste toppen van het geluk naar de diepste wanhoop laat scheren.

'... wat was het toch dat helse, boze, vreselijke en door haar zelf gevreesde, dat in haar sluimerde en zo tomeloos uitbarsten kon...'

Het proza van Virginie Loveling - die voluit trouwens Marie Virginie heet - is bijzonder levendig. Haar zin voor contrast draagt daartoe bij: ze plaatst natuurpracht tegenover akelige kerkhoven, volkse, speelse scènes naast malende gedachten, de einder tegenover gevels en afgebakende erven, de wanen van de bourgeoisie confronteert ze met de directheid van de meiden. Haar romans zijn strak gecomponeerd en bij elke herlezing dring je dieper door in haar spel met spiegels en parallellen.

De mentale onttakeling en het alcoholisme van veel van haar personages tijdens haar 'zwarte periode' horen weliswaar bij het naturalisme, maar kennen ook een biografische achtergrond: toen Virginie tien was en Rosalie twaalf pleegde hun (Duitse) vader zelfmoord. Tijdens een delirium verhing hij zich aan een boom in hun prachtige tuin. Nergens hebben de gezusters Loveling deze gebeurtenissen letterlijk behandeld maar hun preoccupatie met de dood, het lijden achter de statige gevels en hun diepe psychologische inzicht zijn er wellicht mee verbonden.

De tante van Cyriel Buysse

In 1912 schreef Virginie Loveling met haar neef Cyriel Buysse het humoristische boek Levensleer. Het is opvallend dat zij na haar dood steeds meer de 'tante van Cyriel Buysse' werd, terwijl haar status bij leven niet voor de zijne moest onderdoen. In datzelfde jaar 1912 werd zij gehuldigd op het Stadhuis van Gent, en in een koets door de stad gereden, waarbij de inwoners massaal de straat op trokken om de gevierde auteur te aanschouwen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog leefde Virginie Loveling als bejaarde vrouw in Gent en hield ze dagboeken bij die getuigen over het dagelijkse leven in oorlogstijd. Ze verstopte ze paniekerig voor de Duitse bezetter. Vele jaren later werden die dagboeken overgetikt door studenten van de Gentse universiteit, een selectie eruit werd uitgegeven. Tijdens de honderdjarige herdenking van de Eerste Wereldoorlog (2014-2018) raakte Virginie Loveling in de eerste plaats met deze Oorlogsdagboeken verbonden, maar zij bewandelde in literair opzicht dus nog vele andere paden.

Virginie Loveling (1836-1923) | Gent, België

Aad Meinderts, directeur van het Literatuurmuseum bezoekt het graf van Virginie Loveling in Gent.