Prudens van Duyse

De Vlaamse dichter van de Romantiek

Dendermonde 1804 – Gent 1859

De Vlaamse dichter Prudens van Duyse was een veelschrijver. Hij publiceerde tijdens zijn leven honderden teksten: gedichten, liederen, edities, verhandelingen en toneelstukken. Na zijn overlijden bracht zijn zoon Florimond bovendien nog acht delen nagelaten werk van zijn vader uit.

Romantische ideeën over poëzie

Van Duyses overvloedige productie was enigszins in tegenspraak met zijn opvatting dat poëzie iets bijzonders moest zijn. Hij beschouwde het dichten als een individueel proces, waarin het gevoel van de dichter centraal stond. Hij vond ook dat dichters bijzondere mensen waren, die een talent hadden dat niet iedereen bezat. Van Duyse was in Vlaanderen de eerste die deze romantische ideeën over poëzie voor het voetlicht bracht. Zijn opvattingen leken op die van de Hollandse dichter Willem Bilderdijk; hij werd dan ook vaak de Belgische Bilderdijk genoemd. Muziek speelde een belangrijke rol in Van Duyses dichterschap. Hij speelde viool en hij componeerde ook af en toe. Zijn lied Het loze vissertje is heel bekend geworden. Volgens Van Duyse leek dichten op zingen, want net als poëzie kwam muziek recht uit het hart. 

De taal is gansch het volk

Van Duyses leven beslaat de eerste helft van de negentiende eeuw. Hij werd geboren in 1804 en maakte twee grote staatkundige omwentelingen mee. De eerste was in 1815, toen Napoleon werd verslagen en de Belgische provincies vervolgens bij Nederland werden gevoegd. De tweede was in 1830, het jaar waarin België zich van Nederland afscheidde. Die Belgische revolutie weigerde Van Duyse te accepteren, omdat hij vond dat Nederland en België van nature bij elkaar hoorden – er werd immers grotendeels dezelfde taal gesproken: het Nederlands. Van Duyse was de enige Vlaamse dichter die in 1830 naar Nederland vertrok en daar anti-Belgische teksten schreef, omdat hij zich tegen de Belgische revolutie verzette. Na een jaar keerde hij toch weer terug naar Vlaanderen en ging hij zich inzetten voor de Vlaamse literatuur.

Hij werd beroemd vanwege zijn dichtbundels zoals de driedelige Vaderlandsche Poëzy (1840) en zijn lange dichtwerken, waaronder Natalia (1842) en Jacob van Artevelde (1859). De meeste lof oogstte hij met zijn gedicht Aen België (1834), waarin hij schreef:

Bescherm, oprechte Belg, de spraak dier roemrijke oorden,
Wat helsche duisternis uw reddingkust omwolk’.
De stijl is gansch de mensch, Buffon het zijn uw woorden:
De taal is gansch het Volk!

Buffon was een Franse natuurwetenschapper die ook over literaire stijl had geschreven. Dat Van Duyse een Fransman aanhaalde om de Nederlandse taal te promoten, is tekenend voor de tweetalige cultuur waarin hij verkeerde.

Van Duyse wilde de lezer met dit gedicht duidelijk maken dat je taal maakt wie je bent. Verloochen je je taal, dan ben je als volk niets waard, dan heb je geen manieren en in het slechtste geval word je door anderen onderdrukt of zelfs onder de voet gelopen. Dit was een belangrijke boodschap in de jaren dat de Nederlandse taal in Vlaanderen in de verdrukking kwam, omdat België na 1830 lange tijd bestuurd werd door een Franstalige, Waalse regering.

Toch schreef Van Duyse niet alleen in het Nederlands. Hij publiceerde ook veel in het Frans en in het Neolatijn en hij experimenteerde met schrijven in het Bargoens en Middelnederlands.

De laatste rederijker

Van Duyse werd ook wel ‘de laatste rederijker’ genoemd. De Vlaamse rederijkerskamers organiseerden tot ver in de negentiende eeuw dichtwedstrijden. De dichters konden meedoen door een gedicht schrijven over een bepaald thema en met een voorgeschreven lengte. De inzendingen werden anoniem beoordeeld en als de briefjes met de namen van de prijswinnaars werden geopend, dan bleek bijna altijd dat Van Duyse had gewonnen. Ook toen hij al een gevestigde auteur was, bleef hij met deze wedstrijden meedoen. Het kastje met al zijn medailles die hij bij deze wedstrijden won, is bewaard gebleven. Van Duyse deed aan deze wedstrijden mee omdat hij nogal eerzuchtig was. Zijn collega-schrijvers ergerden zich daar weleens aan, maar tegelijkertijd zagen ze ook dat hij enorm veel talent had. Veel tijdgenoten beschouwden hem als de beste dichter van Vlaanderen.

Kritiek

Critici vonden wel dat hij erg veel gedichten publiceerde, dat ging volgens hen ten koste van de kwaliteit. Ook waren sommigen van mening dat Van Duyse zich niet genoeg inzette voor de Vlaamse Beweging, zoals bijvoorbeeld Hendrik Conscience dat wel deed met zijn historische romans. Zelf vond Van Duyse dat een dichter in principe ver van politiek diende weg te blijven. Tegelijkertijd kon hij zich nauwelijks onttrekken aan wat de politieke situatie van hem vroeg – namelijk dat hij zijn talent volledig ten dienste stelde van de Vlaamse Beweging. Dit spanningsveld speelt een belangrijke rol in zijn dichterschap, waarin hij constant laveerde tussen beide domeinen: de gevoelspoëzie en de hoogdravende gedichten over Vlaamse helden uit het verleden.

Dood en eerbetoon

In 1859 overleed hij plotseling op 55-jarige leeftijd. Hij liet een vrouw en vijf kinderen na. Op zijn begrafenis kwamen duizenden mensen af, die in een lange stoet achter de lijkbaar aanliepen. Hij is begraven op de beroemde begraafplaats Campo Santo op de St. Amandsberg in Gent, waar meer Vlaamse dichters uit de negentiende eeuw hun rustplaats hebben. In 1893 werd er een standbeeld opgericht op de Vlasmarkt in zijn woonplaats Dendermonde, vlakbij de plek waar hij geboren was. Bij de onthulling, 34 jaar na zijn dood, stond het plein helemaal vol met mensen. Er zijn verschillende straten en pleinen naar Van Duyse vernoemd, waarvan het Van Duyseplein in de universiteitswijk te Gent de bekendste is.

Bibliotèque Musicale Patriote: Het loze vissertje 

Lied Het loze vissertje met tekst van Prudens Van Duyse.