Mensje van Keulen

De horror van het alledaagse
Den Haag, 10 juni 1946
Geschreven door Lenny Vos

‘Dit is het’, schreef K.L. Poll, gezaghebbend criticus van NRC Handelsblad, in augustus 1972 over het debuut van Mensje van Keulen. Hij prees in zijn lovende bespreking over Bleekers zomer ‘haar nauwkeurige, onsentimentele en ontriviale manier van waarnemen’ en constateerde: ‘Zij beschikt over de verbeeldingskracht om zich iemand als haar hoofdfiguur voor te stellen en over het schrijftalent om hem met woorden voor anderen kenbaar te maken’.

Bleekers zomer is het startpunt van het omvangrijke en diverse oeuvre van Mensje van Keulen. Haar boeken, die worden getypeerd als droefgeestig, zijn bekroond met een aantal literaire prijzen. Al ruim vijf decennia worden ze gelezen door steeds nieuwe generaties.

Jeugdjaren

Mensje van Keulen werd op 10 juni 1946 geboren in Den Haag als Mensje Francina van der Steen, roepnaam Mennie. Door haar huwelijk krijgt ze haar schrijversnaam Mensje van Keulen, die ze ook na haar scheiding zal houden. In zowel Londen als Den Haag volgt ze lessen aan de kunstacademie. Daarna vestigt ze zich in Amsterdam, waar ze als tekenaar en illustrator is verbonden aan progressieve weekbladen als De Nieuwe Linie en De Groene Amsterdammer.

Eind jaren zestig tekent Mensje van Keulen politieke cartoons voor het Amsterdamse studentenblad Propria Cures. In dezelfde periode publiceert ze haar eerste verhalen in de literaire tijdschriften Hollands Maandblad en Maatstaf. Haar vroege verhalen zouden zonder de belevenissen in haar jeugd en herinneringen aan haar buurtgenoten niet geschreven zijn, zo stelt ze in een terugblik in De schriften wachten (2008). Ook haar roman De rode strik (1994) situeert ze in het Den Haag van haar jeugd. In deze roman nemen twee zusjes wraak op de nieuwe vriend van hun moeder, die zij ‘de beestenman’ noemen.

Schrijfster in een mannenwereld

Begin jaren zeventig van de vorige eeuw was de Nederlandse literatuur bij uitstek een mannenwereld. Bij tijdschriften bepalen de uitgevers en redacteuren wie erin mag publiceren. Deze poortwachters van de literatuur waren in die tijd mannen, evenals het merendeel van de schrijvers. Mensje van Keulen was in de jaren zeventig een van de weinige vrouwelijke auteurs die als redacteur verbonden was aan een literair tijdschrift. Ze maakte achtereenvolgens deel uit van de redactie van Propria Cures en Maatstaf

Via Maatstaf raakte ze bevriend met andere schrijvers die in dezelfde periode debuteerden, zoals J.M.A. Biesheuvel en Maarten ’t Hart. Het literaire werk van deze auteurs heeft ook inhoudelijk overeenkomsten, zo constateert essayist Marja Pruis in 2014: ‘met hen vormt Mensje van Keulen een driemanschap van volstrekt originele verhalenvertellers, uit marmer hakkende stilisten, voor wie de kwalificatie “droefgeestig” uitgevonden lijkt’.

Pleidooi voor leesbaarheid: de Zeventigers in de literatuur

Door de lovende besprekingen en het verkoopsucces van Bleekers zomer wordt Mensje van Keulen met haar debuut al direct een beroemde schrijver. Dit wordt nog versterkt door de interviews die in de jaren daarna verschijnen. In 1978 zegt Van Keulen in een interview over haar schrijverschap: ‘Van een boek verlang ik dat het leesbaar is. [...] In een boek moet een verhaal verteld worden. Niets is moeilijker dan een verhaal goed vertellen’. 

Door het benadrukken van leesbaarheid sluit ze zich inhoudelijk aan bij een van de prominente literatuuropvattingen in de jaren zeventig. In de Nederlandse literatuur van die tijd werden felle discussies gevoerd tussen schrijvers over de (on)leesbaarheid van literaire teksten. In 1970 was het ‘Manifest voor de jaren zeventig’ verschenen van een groep auteurs die zich de Zeventigers noemden. Zij wilden met leesbare teksten lezers terugwinnen en zetten zich in het manifest af tegen experimentele romans die volgens hen ontoegankelijk zijn voor de ‘gewone’ lezer.  

Mededogen met haar personages 

Mensje van Keulen observeert in het dagelijks leven hoe mensen zich uitdrukken en verwerkt dit als schrijver in levensechte dialogen tussen haar personages. Tijdens het schrijven gaan de personages voor haar leven, zo beschrijft ze in De schriften wachten

‘Hoe vreemd het ook mag klinken, het zijn veelal de personages die me gaandeweg de details aanreiken en voor een onverwachte wending zorgen. Ik beleef een en ander zelfs fysiek.’ [...]  ‘Ik heb mededogen met ze, heb een aversie tegen ze, walg van ze, houd van ze. Ik kan om ze en met ze woedend en sentimenteel zijn, maar ik kan ze ook met distantie bezien, al verkeren ze in nog zo’n penibele situatie.’ 

In Bleekers zomer schetst ze de vergeefse pogingen van haar personage om te ontsnappen aan zijn bestaan. Zo vertrekt Willem Bleeker spontaan naar Amsterdam na een voorval op zijn werk. Daarmee ontvlucht hij ook, zij het tijdelijk, zijn burgerlijke leven in Den Haag als vader en echtgenoot. In Amsterdam ontmoet Willem allerlei eigenaardige types en komt hij erachter dat het vrije leven daar minder aantrekkelijk is dan dat hij had gehoopt. Uit Bleekers zomer:

Lachend tikte de autohandelaar Gerrie op z’n schouder en wees met een dikke vuile vinger naar Bleeker. Bleeker bleef staan. Ze lachten om ’m, ze zagen aan ’m dat ie ziek was geweest. Nu lachten Barendje en Porno Jantje zelfs ook. Jongens die vanavond zo aardig voor ’m waren geweest, tegen wie hij had opgeschept over zijn grote avontuur, en die ‘m gelijk gaven want vrouwen dat was maar niks. 

Veelzijdig oeuvre

Mensje van Keulen bouwde in de decennia na haar debuut een veelzijdig oeuvre op. Na de roman Van lieverlede (1975) volgden de dichtbundels Lotgevallen (1977) en De avonturen van Anna Molino (1980). Vanaf het begin van haar literaire loopbaan publiceerde ze haar poëzie in bibliofiele uitgaven. Haar vroege verhalen werden gebundeld in Allemaal tranen (1972) en werden in de decennia daarna meermaals herdrukt. Tot haar latere verhalenbundels behoren Het andere gezicht (2003), Een goed verhaal (2009) en Ik moet u echt iets zeggen (2020).

Romans van haar hand zijn De laatste gasten (2007) en Schoppenvrouw (2016). In de jaren negentig verschijnt Olifanten op een web (1997) over haar kort daarvoor overleden moeder. 

Sinds 2006 publiceert Mensje van Keulen haar omgewerkte dagboeken uit het begin van haar schrijversleven. Inmiddels zijn er vier delen verschenen, waaronder Neerslag van een huwelijk (2018) en Moeder en pen (2023). Haar dagboeken geven een persoonlijk tijdsbeeld van het literaire leven in de jaren zeventig en tachtig. De alledaagse beslommeringen in haar leven als schrijver en alleenstaand moeder in die tijd spreken een hedendaagse generatie jonge vrouwen aan, die zich herkennen in de worstelingen van het kunstenaarschap en het moederschap.

Griezelen

Geïnspireerd door haar zoon gaat Mensje van Keulen zich in de jaren tachtig, naast haar werk voor volwassenen, toeleggen op het schrijven van jeugdboeken. In 1985 publiceert ze haar eerste jeugdboek Tommie Station, dat wordt bekroond met de Zilveren Griffel. Na Tommie Station verschijnen van haar hand nog acht jeugdboeken. Voor haar derde jeugdboek Vrienden van de maan (1989) ontvangt zij de Nienke van Hichtumprijs. Bij die gelegenheid typeert jurylid Sarah Verroen het bekroonde kinderboek als ‘een griezelverhaal waar je bij tijd en wijle hard om kunt lachen’. 

In haar jeugd vertelde ze voor het slapengaan griezelverhalen aan haar jongere broer en zus. Ze las veel als kind en ontdekte in de boekenkast van haar vader de horrorverhalen van de negentiende-eeuwse Amerikaanse schrijver Edgar Allen Poe. Als volwassene ontwikkelde ze haar interesse voor gothic fiction door het lezen van Britse en Amerikaanse literatuur, zoals Wuthering Heights van Emily Brontë en de romans van Patricia Highsmith. In een interview in 2026 zegt ze over deze fascinatie: ‘Die verbintenis met de donkerte herinnert je eraan wat dood betekent en geeft tegelijkertijd energie om te willen overleven.’

Waardering en bekroning

Voor haar verhalenbundel Ik moet u echt iets zeggen (2020) won Mensje van Keulen de J.M.A. Biesheuvelprijs. Haar gehele oeuvre werd bekroond met de Annie Romeinprijs (2003), de Charlotte Köhler Prijs (2011) en de Constantijn Huygens-prijs (2014). In het juryrapport roemt de jury van de Constantijn Huygens-prijs haar stijl:

‘Haar grote kracht ligt in de stijl. Er is steeds een streven naar perfectie, naar precies het goede woord, het goede beeld, het sprekende adjectief, het unieke detail dat maximaal functioneert. In het literaire universum van Mensje van Keulen wordt niet uitgelegd. Alles wordt tastbaar en voelbaar gemaakt door trefzekere woorden en beelden. Dat is technisch meesterschap.’