Guilliam van Nieuwelandt
De Antwerpse schilder en dichter Guilliam van Nieuwelandt woonde afwisselend in de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden. Zoals zoveel zuiderlingen vluchtte hij samen met zijn ouders naar Amsterdam na de Val van Antwerpen in 1585. Daar werd hij schildersleerling bij Jacob Savery en van 1601 tot 1603 verbleef hij in Rome als leerling van de landschapsschilder Paul Bril. Vanaf 1605 woonde hij weer in zijn geboortestad Antwerpen. In 1629 keerde Van Nieuwelandt terug naar Amsterdam, waar hij in 1635 stierf. Ondanks zijn opleiding als schilder werd Van Nieuwelandt vooral bekend als toneeldichter.
Populaire treurspelen met gruwelscènes
Na zijn terugkeer naar Antwerpen werd Van Nieuweland lid van de Antwerpse rederijkerskamer De Olijftak. Die was door de oorlog tussen Spanje en de Noordelijke Nederlanden een halve eeuw dicht geweest, maar kreeg rond 1615 van de autoriteiten toestemming om weer actief te worden. Van Nieuwelandt greep de heropening aan om de nieuwste toneelmode te volgen, die hij onder andere kende uit het werk van de Amsterdamse dichter P.C. Hooft en de Franse toneelschrijver Robert Garnier. Zij schreven allebei senecaanse tragedies, vernoemd naar de Romeinse auteur Seneca die een voorliefde had voor gruwelijke en gewelddadige taferelen in zijn toneelstukken. Van Nieuwelandt was daardoor degene die deze toneelstroming introduceerde in de Zuidelijke Nederlanden.
Van Nieuwelandt schreef tussen 1617 en 1629 maar liefst zeven treurspelen: ernstige toneelstukken met noodlottige wendingen en angstaanjagende gebeurtenissen. Dit genre ging terug op de tragedie uit de klassieke oudheid en stond in de zeventiende en achttiende eeuw hoog aangeschreven. Het onderwerp van een treurspel kwam doorgaans uit de klassieke mythologie, de Bijbel of de geschiedenis. Van Nieuweland ontleende de stof voor zijn tragedies hoofdzakelijk aan de Bijbel, bijvoorbeeld in Saul (1617) en Salomon (1628), en aan de klassieke geschiedenis, zoals in Claudius Domitius Nero (1618) en Aegyptica (1624). Zijn tragedies verschenen allemaal in druk en werden in een paar gevallen zelfs herdrukt. Dat was destijds uitzonderlijk en bewijst hoe populair zijn toneelstukken waren.
Net als Seneca’s toneel bevatte het werk van Van Nieuweland veel gruwelijk spektakel, zoals bloederige moorden, offertonelen, geestverschijningen, zelfdodingen en onheilspellende dromen. Maar in tegenstelling tot Seneca, die dergelijke wreedheden alleen aan het publiek liet vertellen door boodschappers, vertoonde Van Nieuwelandt dergelijke scènes rechtstreeks op het toneel.
Gifschandaal
Een voorbeeld is te vinden in de tragedie Aegyptica over het noodlottige einde van de liefdesrelatie tussen de Romeinse generaal en staatsman Marcus Antonius en de Egyptische koningin Cleopatra. Als Cleopatra’s geliefde Antonius is gestorven en haar vijand Augustus haar gevangen heeft genomen, besluit ze haar leven te beëindigen. Voor christenen was dit reeds een grote zonde, maar daarbij wil Cleopatra uitvinden welke vorm van zelfdoding het meest pijnloos is. Daarom laat ze haar bedienden Iras, Charmione en Ostrobas een serie experimenten met vergif uitvoeren op slaafgemaakte mensen in haar gevolg. De ene wordt gedwongen om stierenbloed te drinken en een ander om de kop van een slang door te slikken. Dat verloopt als volgt:
Iras.
Dit stieren-bloedt en can soo crachtigh niet ghezijn.
Cleopatra.
Gheeft dat aen dese slaef, ô doodt wat zijn u plaeghen!
Hoe qualijck can den mensch u met ghedult verdraeghen!
'Tschijnt dat den mensch sterft door't dencken van de doot.
Tweede slaef.
Och gheeft my niet soo veel, den cop is veel te groot.
Ostrobas.
Hoe dat ghy meerder drinckt, hoe ghy min pijn sult lijden.
Tweede slaef drinckt.
Tweede slaef.
O Goden wilt hier naer mijn arme ziel verblijden.
Iras.
My dunckt dat dit vergift sijn aders crachtigh treckt.
Cleopatra.
Dees schrickelijcke doodt my meerder vrees' verweckt.
Doet desen voor sijn deel dit slanghen-hooft op-eten.
Derde slaef.
Ach ik en hebbe noyt soo wreeden spijs ghegheten.
Ostrobas.
Floekx bijt hem af het hooft, soo eyndight u verdriet.
Derde slaef bijt.
Charmion.
Noyt is daer vremder proef door onverdult gheschiedt.
Derde slaef.
My dunckt dat ick haer voel mijn darmen open-scheuren,
Och moest my om mijn quaet soo wreede straf ghebeuren?
Iras.
’Tschijnt dat hy in den buyck seer grooten weedom lijdt.
Cleopatra.
Al gheeft de doodt ons rust, het sterven gheeft ons strijdt,
Gheluckigh is den mensch, die’t leven heeft verloren,
Eer hem in sijn ghemoet de vreese wordt gheboren.
Griezelen met een boodschap
De nadruk op gegriezel betekende niet dat Van Nieuwelandt geen wijze lessen aan zijn publiek wilde meegeven. De gruwelijkheden dienden juist om de verwerpelijkheid van moord en geweld aan te tonen. Net als bij Seneca spreken de personages veel algemene waarheden uit die zijn bedoeld als morele lessen, zogenaamde sententies. Zo trekt Cleopatra uit bovenstaand tafereel de conclusie dat het zalig is te sterven zonder angst te voelen voor de dood.
Tegelijkertijd zegt het citaat misschien ook iets over de Nederlandse kijk op slavernij in 1624. Wreedheid jegens slaafgemaakten wordt hier immers gepresenteerd als een heidense praktijk, terwijl de VOC al volop profiteerde van dwangarbeid en de WIC experimenteerde met de handel in mensen. Zonder dat dit per se Van Nieuwelandts bedoeling hoeft te zijn geweest, kunnen zijn griezelscènes hebben bijgedragen aan een deletie van slavernij uit het Nederlandse zelfbeeld.
In de tragedie Claudius Domitius Nero over de wrede Romeinse keizer Nero wordt diens egoïstische, machtsbeluste gedrag steeds opnieuw veroordeeld. Al meteen aan het begin waarschuwt de proloogspreker het publiek:
De liefde tot de konst, die krachtig wekt den geest,
zal hier Neronem wreed en schrikkelijk vertonen,
en hoe tirannen doen haar dienaars dienst belonen,
die haar van hare jeugd zeer dienstig zijn geweest.
Den hoogmoed, wreed van aard, die als een grouwzaam beest
met lichtgelove komt bij grote prinsen wonen,
zult gij in Nero zien, die niet en kan verschonen
zijn dulle razernij, waardoor hem ieder vreest.
Dit bloedig droef toneel en laat u niet verdrieten,
al ziet gij moeders moord, en ander bloedvergieten,
’t is spiegel van het kwaad, waardoor men kent de deugd.
Maar met verstand en lust, wilt op de woorden letten,
en niet het droef gezicht voor onze Muza zetten:
in droeve poëzie schuilt wel verborgen vreugd.
Als aan het eind van het stuk de christelijke wijk in Rome in brand staat en er een hele stoet doden is gevallen, allemaal op bevel van de keizer, neemt Nero niet de verantwoordelijkheid voor zijn daden, maar maakt hij volgens de personages op laffe wijze een einde aan zijn leven. Het publiek wordt dan nogmaals aangespoord om anders dan Nero deugdzaam te leven, volgens de beginstelen van het christendom.