Dirk van Bastelaere

Postmodern polemicus

Sint-Niklaas, 1960

Elke generatie kent individuen die de bestaande orde willen opschudden. De beproefde methode daartoe is het openen van de aanval op degenen die de touwtjes in handen hebben en ze van domheid, machtswellust of blinde vlekken te betichten. Grote kans dat zulke vader- of moedermoorden ervoor zorgen dat de schijnwerpers op de nieuwlichters zelf komen te staan. Ook de Nederlandse literatuurgeschiedenis kent voorbeelden van dit ruwe scenario, denk aan de ‘Tachtigers’ en de ‘Vijftigers’. Maar ook de postmoderne revolte in de Vlaamse poëzie eind jaren tachtig, is zo’n voorbeeld, met als cruciale figuur daarbij Dirk van Bastelaere.

Van Bastelaere volgde middelbaar onderwijs aan het Sint-Jozef-Klein-Seminarie in Sint-Niklaas. In letterkundige kringen heeft deze school enige bekendheid omdat de bekende schrijver en priester Anton van Wilderode er les gaf en omdat Paul Snoek en Tom Lanoye er ook op school zaten. Daarna studeerde hij Germaanse taal- en letterkunde in Leuven. In eerste instantie maakte hij die opleiding niet af; later zette hij e studie voort in Antwerpen.

Twist met ons

Hoewel hij al in 1984 debuteert met de (nog goeddeels neoromantische) bundel Vijf jaar is het de bloemlezing Twist met ons (1987) die Van Bastelaeres reputatie als voor- en roerganger van de Vlaamse postmoderne dichters zal vestigen. In die bundel is naast poëzie van hem ook werk opgenomen van Bernard Dewulf, Charles Ducal en Erik Spinoy. Inleider Benno Barnard, die de titel voor de publicatie kiest (naar een vers van Martinus Nijhoff), ziet verwantschap tussen deze op dat moment opkomende dichters in het feit dat ze zich afzetten tegen de zoetsappige poëzie die op dat moment in zijn ogen bedreven wordt. In zijn inleiding stelt hij:

Twist met ons! Terwijl de gemiddelde Vlaamse dichter fleemt, hielen likt en zacht is voor elkander (‘Publiceer mij zonder ook maar één komma ter discussie te stellen’! Doop je pen in suikerwater en schrijf een van die onleesbare éloges op mij! Omhels mij, fêteer mij, geef mij een Staatsprijs!’), willen déze Vlaamse dichters antwoord, azijn en amok.

Al snel zal blijken dat Dewulf en Ducal eigenlijk vrij klassieke dichters zijn die weinig ophebben met de theoretische kaders van de beide andere dichters in de bloemlezing en al helemaal niet op polemiek uit zijn. Van Bastelaere en Spinoy zijn de echte vernieuwers met hun aan Franse postmoderne filosofen en deconstructiedenkers refererende gedichten. Daarbij is het voornamelijk Van Bastelaere die de rol opneemt van theoreticus en die in essays de filosofische en poëticale achtergrond uiteenzet van de postmoderne poëzie in Vlaanderen.

Postmoderne polemiek

Wie het woord neemt, dringt zijn ideeën aan anderen op, en daarom is de strijd om aandacht, ook in de poëzie, verbale oorlogsvoering (‘polemiek’). Volgens Van Bastelaere vervullen literaire tijdschriften daarbij de functie van ‘oorlogsmachines’. Samen met dichter Erik Spinoy (1960) en essayist Erwin Jans (1963), die hij zijn ‘partners in crime’ noemde, vocht hij vanuit bladen als Yang en freespace Nieuwzuid voor de acceptatie van een nieuw soort poëzie, die moest breken met wat tot dan toe in Vlaanderen gangbaar was. Hij deed dit in stevige, van filosofie doortrokken artikelen, gericht tegen steeds nieuwe tegenstanders (later gebundeld in Wwwhhoooosshhh. Over poëzie en haar wereldse inbedding, 2001).

Zo verzette Van Bastelaere zich tegen de vertegenwoordigers van poëzie die hij ‘kleinburgerlijk’ vond: gericht op goede smaak, herkenbare emoties en klein geluk. Poëziecriticus Hugo Brems werd weggezet als een verdediger van dat soort poëzie, C. Buddhingh’-prijswinnaar Herman Leenders werd afgemaakt als een ‘regressief’ dichter: iemand die gedichten schrijft in een voorbijgestreefde vorm waarin een wereld getekend wordt die niets met de werkelijkheid van vandaag te maken heeft. Volgens hem moet poëzie veel ambitieuzer zijn, de bestaande orde willen openbreken en ons desoriënteren in plaats van geruststellen.

Tom Lanoye

Vergelijkbaar was zijn verwijt aan de succesvolle dichter en romancier Tom Lanoye (Sint-Niklaas 1958), die de media altijd goed wist te bespelen. In 2003 werd Lanoye aangesteld als eerste stadsdichter van Antwerpen, een openbare functie waarbij poëzie zich richt op een groot publiek. Volgens Van Bastelaere is dat niet de juiste koers: het levert de poëzie uit aan de machthebbers, de media en de commercie. Toen Charles Ducal (Leuven 1952) in 2014 Dichter des Vaderlands werd in België verzette Van Bastelaere zich opnieuw tegen wat hij de ‘instrumentalisering’ van de poëzie noemt. Van Bastelaere was op dat moment woordvoerder van de Vlaams-nationalistische partij NV-A en dit verzet kwam dus ook voort uit politieke, met name anti-Belgische overwegingen. In plaats van zich voor een ideologische kar te laten spannen, ziet Van Bastelaere een andere taak voor de dichter weggelegd: zijn poëzie moet de laatste plaats zijn waar nog weerstand wordt geboden aan de ideeën die de consumptiemaatschappij ons elke dag opdringt. Poëzie staat bij hem vrijwillig aan de zijlijn en waakt daar over de taal, zodat die in staat blijft wezenlijke ervaringen te benoemen.

Van Bastelaere versus Verhelst

Zijn giftigste pijlen richtte Van Bastelaere op Peter Verhelst (Brugge 1962), bekend van zijn ‘verhalenbordeel’ Tongkat (1999) maar ook actief als toneelschrijver en dichter. Van Bastelaere en Verhelst werden vanaf hun debuut (respectievelijk in 1984 en 1987) vaak in één adem genoemd als voorhoede van een ‘postmoderne’ dichtersgeneratie in Vlaanderen. Hoewel hun vroege literaire werk verwant is in beider fascinatie voor terreur, geweld en ondergang, verschilt de manier waarop ze zich opstellen buiten hun werk. Verhelst houdt zich als ware kluizenaar ver van elke literaire strijd, maar Van Bastelaere betrok hem daar toch in door Verhelst te verwijten de gruwel in zijn werk te mooi te evoceren. Daarmee zou Verhelst zich – hetzelfde verwijt als aan Lanoye – niet genoeg tegen de sensatiezuchtige beeldcultuur van de massamedia verzetten.

Post-postmoderne poëzie

Met zijn scherpe eenzijdige aanvallen heeft Dirk van Bastelaere evenveel weerzin als bewondering gewekt. Als een echte polemist probeert hij af te dwingen vóór of tégen hem te kiezen, en die positie te verantwoorden. Zijn Vlaamse tijdgenoten zijn daar nauwelijks serieus op ingegaan, en werken vooral stug door aan hun eigen werk. Toch is er wat veranderd in de Vlaamse poëzie. Een nieuwe generatie Vlaamse dichters die eind jaren 1990 arriveerde, de zogenaamde post-postmoderne dichters zoals Paul Bogaert, Jan Lauwereyns, Bart Meuleman en Jeroen Theunissen, lijkt Van Bastelaeres werk te beschouwen als een feit, zonder zich druk te maken om literaire oorlogsvoering. Misschien is dat juist hun verzet tegen de voorgaande generatie en Van Bastelaere zelf.