Arnold Hoogvliet

Schrijver van een cultboek

Vlaardingen 1687 - Vlaardingen 1763

Arnold Hoogvliet werd in de eerste helft van de achttiende eeuw beroemd met het schrijven van een epos. Dit heldendicht, Abraham, de aartsvader (1728), werd meteen na verschijnen een cultboek. Recensenten prezen het als ‘een volmaakt heldendicht’ en dichters verslonden de tekst. De jonge schrijver Johannes Lublink, later een van Nederlands bekendste vertalers, was zo bang het boek kwijt te raken, dat hij voor de zekerheid hele delen van de tekst uit zijn hoofd leerde.

Het bijzondere van Abraham, de aartsvader is dat Hoogvliet een spannend en poëtisch verhaal had weten te schrijven over een Bijbelse persoon. Abraham is de aarts- of stamvader van het volk van Israël en de eerste die een verbond met God aangaat. Hij blijft dat verbond trouw, zelfs als God hem vraagt zijn eigen zoon, Isaak, te offeren. Dat was weliswaar een buitensporige les in religieuze gehoorzaamheid, maar eentje die Hoogvliet de achttiende-eeuwse lezer toch wilde voorhouden. Want godsdienst bleef een van de pijlers waarop de nationale identiteit van het land rustte.

Het verhaal over Abraham en zijn vrouw Sara is te vinden in het eerste boek van de Bijbel: Genesis. Daar wordt hun leven in amper tien pagina’s beschreven. Bij Hoogvliet is dit verhaal uitgegroeid tot 288 pagina’s! Alleen daaruit al blijkt dat het de dichter niet ontbrak aan fantasie en dat hij volop gebruik maakte van zijn dichterlijke vrijheid. Een van de zaken die Hoogvliet verzon is dat Abraham in boek IX – heel verlicht - zelf onderwijs geeft aan zijn zoon Isaak. Ook liet hij de engelen die Abraham bezoeken pannenkoeken eten, iets dat veel kritiek uitlokte bij recensenten. Het bezoek van deze drie engelen is een cruciale passage, want Abraham krijgt dan te horen dat zijn vrouw Sara (die ongeveer negentig jaar oud is) binnen een jaar een zoon zal baren. De reactie van Sara wordt prachtig door Hoogvliet beschreven (zie het fragment hieronder).

Abraham danken we aan de vader van Hoogvliet. Die vond het tijdverspilling dat zijn zoon Ovidius aan het vertalen was. Waarom zoveel aandacht voor Romeinse goden en waarom niet gekozen voor het eigen, Nederlandse geloof? Op zijn sterfbed vroeg vader Hoogvliet zijn zoon daarom te beginnen aan een Bijbels thema. En dat deed Hoogvliet. Het vertalen van Ovidius was voor hem toch niet meer geweest dan het gebruikelijke middel om het vak van dichter onder de knie te krijgen. Hoogvliet werkte al vanaf zijn twaalfde en dichten moest hij, net als bijna alle andere achttiende-eeuwse dichters, zelf zien te leren.

Een nog ambitieuzer project, het verdichten van het leven van Jezus, gaf Hoogvliet op. Dat was niet bij gebrek aan talent, maar vanwege het strenge religieuze klimaat in Nederland, waardoor schrijvers niet al te veel mochten sleutelen aan de inhoud van de Bijbel. Kon men Hoogvliets uitbreiding van Genesis in het Oude Testament nog waarderen, als het ging om het Nieuwe Testament, en zeker om het leven van Jezus, was er weinig toegestaan. Hoogvliet vond dat een te grote inperking van zijn dichterlijke vrijheid en vernietigde zijn werk. Van Abraham, de aartsvader verschenen tot 1800 dertien drukken.


Fragment uit boek 7 van Abraham, de aartsvader (1728)

God en twee engelen, vermomd als drie gewone mannen, dalen neer uit de hemel en voorspellen Abraham dat Sara een kind zal baren:

Toen sprak de Almachtige, in de gedaante van een groot man:
Ik zal terugkomen als het jaar met nieuwe glans,
Ongeveer in dit seizoen, heel de aarde doet herleven:
En Sara wordt een zoon uit haar schoot gegeven.
Dit hoorde Sara bij de deur van de tent
Die God, in deze verschijning, net zo min als Abraham herkent,
Ze zei al lachende in zichzelf: zal ik baren?
Ik wellust hebben in mijn oude en koude jaren;
Terwijl mijn Abraham al grijze haren draagt?
Want beiden waren zij nu oud en hoogbejaard:
Ja zelfs natuur had reeds de tekens weggehouden:
Het ging niet meer, gelijk het gaat met vruchtbare vrouwen.
De baarmoeder was nu al afgestorven in haar lijf.
Maar God, de Alweter, die het menselijk bedrijf
Met alziende ogen ziet, zei tot mijn held: welke reden
Van ongeloof bezielt het hart van Sara heden?
Of waarom heeft zij net gelachen, en gezegd:
Zou ik nog baren in mijn oude onvruchtbaarheid?
Hoe! zou er iets te groot, te wonderlijk in de ogen,
Onmogelijk wezen voor het goddelijk Alvermogen?
Ik zal terugkeren in ditzelfde jaarseizoen,
En Sara zal een zoon uit haar borsten voeden.