Middeleeuwse visies op onderwijs

Onderstaande citaten komen uit de NLCM-brochure uit 1995: Men dedese ter scolen, ende si leerden. Bloemlezing van Middelnederlandse citaten over onderwijs (“Aangeboden aan prof.dr J.M.M. Ritzen, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, ter gelegenheid van zijn bezoek aan het Leidse project Nederlandse literatuur en cultuur in de middeleeuwen (NLCM) op maandag 11 december 1995”).


Jacob van Maerlant dringt aan op het stichten van scholen en het verstrekken van beurzen

In 1266 dichtte Jacob van Maerlant, ‘vader der Dietse dichteren algader’, zijn Heimelijkheid der heimelijkheden (vrij vertaald: Topgeheim). Bewerkt naar de Latijnse Secretum secretorum, is het een tractaat over bestuurskunst, gegoten in de vorm van de regeeradviezen die Aristoteles zou hebben gegeven aan zijn fameuze leerling Alexander de Grote. Het is meer dan waarschijnlijk dat Jacob van Maerlant, zichzelf inlevend in de rol van Aristoteles, deze Heimelijkheid schreef ten behoeve van de jonge vorst aan wie hij ook in andere werken Alexander de Grote ten voorbeeld stelde: graaf Floris V van Holland, die bij gelegenheid van zijn regeringsaanvaarding (op 12-jarige leeftijd!) met deze Heimelijkheid bedacht werd.
Temidden van een keur aan wenken en adviezen voor wijs landsbestuur besteedt Jacob van Maerlant - hier zijn Latijnse brontekst uiterst vrij bewerkend - ook aandacht aan het belang van onderwijs. Het moet de eerste Nederlandse tekst zijn waarin zo expliciet gepleit wordt voor bewuste onderwijspolitiek, en heel concreet voor studiebeurzen voor de minder bedeelden.

Maerlant laat Aristoteles tot Alexander zeggen:

In steden dire moghenthede
Mac scolen, ende doe leren mede
Die kinder van dinen lande.
Sijn si arrem, vul hem die hande;
Doe hem hovescheit ende ere,
Dat elc te williker lere.

Sticht scholen in de steden van Uw rijk en laat de kinderen uit uw land leren. Als ze daarvoor te arm zijn, vul dan hun handen; betuig hen daarmee op hoofse wijze Uw waardering, opdat ze des te gretiger leren.

 

‘Wat en Hoe’ in het Middelnederlands

Rond 1370 stelde een onbekende Brugse schoolmeester een boekje samen met dialogen in twee talen waaruit men naar believen Frans of Nederlands kon leren. Dit Bouc van den ambachten heeft wel iets weg van een hedendaagse ‘Wat & Hoe-taalgids’ voor toeristen: links staan eenvoudige Franse oefenzinnen en in de rechterkolom staat de Nederlandse vertaling. De inhoud bestaat voornamelijk uit korte uiteenzettingen over de neringdoenden die men in een middeleeuwse stad als Brugge zoal kon aantreffen. Zo passeren bijvoorbeeld Machteld de mosterdmaakster, Nicolaas de kaarsengieter, Oliver de herbergier, Obrecht de makelaar en Goris de librariër (die er een soort kantoorboekhandel op na houdt) de revue. Een boekje als dit kan gebruikt zijn door een vrij gevestigde schoolmeester die tegen betaling les gaf in lezen, schrijven, rekenen en vreemde talen. Aan het einde neemt ‘meester’ zelf het woord en wijst hij zijn leerlingen op het grote belang van kennis:

Chest livre sera nommeis
LE LIVRE DES MESTIERS,
lequel est mout proufitable
a tous enfans aprendre, si vous commans
et enjoing, comme maistre,
et que vous mettés toute vo cure
en le aprendre et retenir,
car mout grant
pourfit vous en porra venir;
car par aprendre
et bien retenir,
puet on a grant
honneur venir
et chil qui n'i vuet
apprendre, ne mettre
cure d'aprendre,
ne devroit point
estre conté entre
les gens, mais
entre les biestes;
car li non sachans
n'est contés contre
les crestiens
que une ymage
de pierre ou de bos.
Et ja soit de che
que on ne puet mie
toute cose savoir,
non pourquant sont
totes coses seues;
chou que li uns ne sceit,
sceit uns autres,
et chieus ha
assés aprins,
qui se garde de pechiet,
dont Dieux [nous]
voeille warder
et tous nos amis. Amen.

Desen bouc werd gheheeten
DE BOUC VANDEN AMBACHTEN
dewelke es harde profitelec
allen kindren te leerne, sodat ic u bevele
ende lade, als meestre,
ende dat ghi legt al uwen neerenst
in te leerne ende te onthoudene,
want herde groot
profijt mach er u of comen;
want met leerne
ende wel onthouden,
mach men ter groter
eeren comen,
ende dieghone die niet ne wille
leeren, no setten
neerenst te leerne,
ne ware niet sculdich
te sine gherekent onder
die lieden, maer
onder de beesten;
want die onwetende
n'es gherekent onder
die meinschen
maer een beelde
van steene of van houte.
Ende al eist t'sake
dat men niet ne mach
alle dinghen weten,
nochtanne sijn
alle dinghen gheweten:
tghone dat d'eene niet ne weit,
weet een andre,
ende dieghone heeft
ghenouch gheleert,
die hem wacht van sonden,
waerof ons God
moete wachten
ende alle onse vrienden. Amen.

 

Vertaling:
Dit boek heet het Boek van de Ambachten. Het is heel nuttig voor kinderen om eruit te leren, zodat ik jullie, als meester, aanbeveel dat jullie je serieus erop toeleggen uit dit boek te leren en het te onthouden, want jullie zullen er veel aan hebben. Door te leren en het geleerde goed te onthouden kan men tot groot aanzien komen. En degene die niet wil leren of zich er niet serieus op toelegt, mag niet tot de mensen gerekend worden, maar behoort tot de beesten. Want de onwetende wordt niet tot de mensen gerekend, maar is een beeld van steen of hout. En al is het zo dat men niet alles kan weten, toch is alles bekend: wat de een niet weet, weet de ander wel. Diegene die zich hoedt voor zonden, waarbij God ons en al onze vrienden moge helpen, heeft genoeg geleerd. Amen.

 

Dirc Potter over het onderwijs

Dirc Potter (ca. 1370-1428), secretaris van de graven van Holland, schreef een drietal werken; in zijn vrije tijd, misschien na lange en vermoeiende werkdagen als Haagse ambtenaar. In zijn tweede werk Blome der doechden, wijdt Dirc Potter een hoofdstuk aan wat hij als een van de belangrijkste deugden beschouwt: de dorst naar kennis. Hierbij een greep uit zijn betoog.

Om een yeghelijcken ende namelijc jonghe joegdelike luyde te troesten ende te informeren dat sij ernstelijck arbeiden ende proven om const ende leeringhe van doechden te werven. [...] Soe heb ie voer te scriven van eenre bloemen van grote vordele ende van rijker wonne die ie mede inden corf vant ende is gheheiten in latijn sciencia. Seker ie en can niet wel ghedencken wat minsche datter wesen mach die die roeke van dier bloeme niet en heeft ende hij daer sonder bliven mach want ie en wist hoe die werelt bouwen of hoe leven in mijnen daghen had ie van dier blomen niet een deel ghepluct.\

Ende wat conste die minsche beghert die mach hij crijghen wil hij daer om arbeiden ende vervolghen soe ernstelijc als die sommighe doen om ghelt ende goet te vercrijghen.

Die conste moet gemynt wesen want wiese niet en mynt die en canse ghecrijghen noch behouden.

Om iedereen en in het bijzonder jonge mensen aan te moedigen en op te -wekken tot hard werken en grote inspanning om kennis en deugzaamheid te verwerven, [...] moet ik over een bloem schrijven, die in het Latijn scientia heet. Ik kan mij niet voorstellen dat er mensen zijn die de geur niet willen ruiken en zonder kunnen leven, want ik weet niet hoe ik door het leven zou kunnen gaan, als ik die bloem niet had geplukt.

Als een mens naar kennis smacht, moet hij haar kunnen krijgen, mits hij bereid is er hard voor te werken, zoals andere mensen doen om geld en rijkdom te verkrijgen.

Kennis moet worden bemind, want diegene die haar niet bemint kan haar noch krijgen noch behouden.

 

Het bijdehante ravejong

Het is altijd een belangrijke taak van de oudere generatie geweest om het nageslacht te onderwijzen, opdat de jongeren vroeger of later in staat zullen zijn om voor zichzelf te zorgen. Het meningsverschil in het hier aangehaalde veertiende-eeuwse exempel gaat over de (ook nu nog actuele) vraag wanneer dat moment precies aanbreekt. Vader raaf acht de tijd rijp, de zoon daarentegen wil nog wel wat langer van een onbekommerd bestaan genieten. Maar dat zegt hij natuurlijk niet; hij verzint een ingenieuze redenering waarom de door zijn vader aangereikte kennis onvoldoende is. Het tegenargument van de vader mag voor de hand liggen, afdoende is het wel:

Ene exempel vanden raven
Het was een raven wilen eer
die alre kinder en hade meer
dan enen sone, dien hi wel plach;
dien hielt hi al tot anden dach
dat hi volwassen was algader
ende alsoe groet als sijn vader.
Doen sprac doude raven tot ere tijt:
‘Sint dat ghi, sone, volwassen sijt
soe vlieghet, ende vaert u gheneren
op dat velt, daer die dorplieden eren.
Daer valt bi hem in die vore
ende loepse mi dan al dore ende dore;
dat u best ghenoecht dat raept daar uut:
worelen, wormen, ende ander cruut,
ende ander dinc dat u ghemicket;
maer siedi dat die dorpman nicket,
soe sijt op u hoe al in een;
masschien het es om enen steen,
daer hi u mede worpen wille;
sone, en hout dan niet stille
ghi en vlieghet henen uwer verde,
als die dorpman nicket ter erden.’
Doen sprac die jonghe raven:
‘Here, ende of hi dan, ten ommekere,
enen steen in sinen boesem brochte,
daer hi mede mi wel mochte
toren doen ende verdriet:
daeromme soe en derrie nicken niet.
Hi es sot die hem gheloeft soe verre!’
Doen was die oude raven erre
ende seide: ‘Sone, waer toe eest goet,
na dien dat ghi sijt soe vroet,
dat ghi dus langhe legghet in muten?
Nu port u ende vlieghet daer buten
ende vaert selve om u neringhe.
Godsat heefti u dier u meer sal bringen!’
Noch vint men vele alselker sonen,
die scalcheit ende quaetheit connen
ende der doghet wel luttel achten,
die desen jonghen raven slachten,
die hars vaders goet verteren,
ende hem niet en willen gheneren,
vore dat sijt al hebben overbrocht
ende al verteert ende al vercocht.
Hieromme soe winnet in uwe joghet,
ende hoet u altoes soe, waer ghi moghet,
dat ghi te bloet niet en wert van haven.
Dit bispeel leert ons douden raven.

Een exempel over een raaf.
Er was eens een raaf die van al zijn kinderen nog slechts één zoon over had. Hij zorgde goed voor hem en hield hem bij zich tot de dag dat hij volwassen geworden was, en hij net zo groot was als zijn vader. Toen sprak de oude raaf: ‘Zoon, aangezien je nu volwassen bent: vlieg uit en ga in je onderhoud voorzien op het veld, waar de boeren ploegen. Laat je daar bij hen in de vore vallen en loop er dan met ze doorheen, en raap eruit wat je het beste bevalt: wormen, wortelen of wat er verder maar groeit en van je gading is. Maar als je ziet dat de boer zich voorover buigt, wees dan onmiddellijk op je hoede; misschien is het om een steen te pakken om naar je toe te gooien. Zoon, blijf dan niet zitten, maar vlieg er vandoor, zodra de boer zich naar de grond buigt.’ Toen sprak de jonge raaf: ‘Heer, maar wat als het nu eens anders is en hij een steen in zijn borstzak zou dragen, waarmee hij mij ellende zou kunnen berokkenen? Daarom durf ik niet naar beneden te duiken. Wie zo'n vertrouwen in iemand durft te stellen is dwaas!’ Toen werd de oude raaf boos en zei: ‘Zoon, aangezien je toch zo bijdehand bent, waar is het goed voor dat er nog steeds voor je gezorgd wordt? Schiet op, vlieg uit en zorg zelf voor je onderhoud! Vervloekt is hij die nog langer iets hij je brengt!’ Nog steeds vindt men vele van zulke zonen, die vals en slecht zijn en geen acht slaan op de deugd. Ze lijken op deze jonge raaf; ze verteren hun vaders bezit en willen niet voor zichzelf zorgen voordat ze alles erdoor hebben gejaagd, verteerd en verkocht. Verzamel daarom bezit in uw jeugd en zorg er steeds voor, wanneer u maar kunt, dat u niet zonder bezit raakt. Dit voorbeeld leert ons de oude raaf.

 

Uit het schoolboek van Cato

Het Boec van Catone is de Middelnederlandse bewerking van het Latijnse schoolboek Disticha Catonis en bevat wijze spreuken, leefregels en adviezen. De Middelnederlandse tekst is óók in het onderwijs gebruikt, waarschijnlijk zowel voor privélessen, in volkstalig schoolonderwijs als op handelsscholen voor toekomstige kooplieden. Maar feitelijk kon iedere geïnteresseerde volwassene het zijne opsteken uit het Boec van Catone, want het bevat levenswijsheid voor iedereen. In de proloog wordt het werk echter met name als schooltekst gepresenteerd:

Lieve kinder, nu bidt Ghode
Dat hi mi sende sinen bode
Ende hi mi wise ende lere
Hoe hic minen sin ter wijsheit kere.
Alle die vroet willen wesen
Der clerken boec moeten si lesen
Of in dietsch of in latine,
Also hic u hier bekinne,
Alsi terst ter scole gaen.
Die hem wijsheit doet verstaen
Vele meer dan enich doet.
Hier ombe pensic in minen moet.
Dat icker u bi wille leren,
Hoe ghi u herte nu moegt keren
Ter wisseit waert. Nu merket dan
Wat wilen seide en vroet man
Ende penst om dese woert
Die hic u hier sal seghen voert.

Lieve kinderen, bid God dat hij mij zijn afgezant stuurt en dat hij mij leert hoe ik mij op wijsheid toe kan leggen. Een ieder die iets wil leren, moet, zoals ik jullie hier zeg, het Boek van Catone lezen, hetzij in de volkstaal, hetzij in het Latijn, wanneer hij voor het eerst naar school gaat. Wie kennis vergaart, begrijpt meer dan een ander. Ik wil jullie hiermee leren hoe jullie je nu op het vergaren van kennis en wijsheid kunnen toeleggen. Lees wat een wijs man vroeger zei en wees zijn woorden, die ik hier zal opschrijven, indachtig.

 

Vrouwen zijn scherpzinniger

Aan het begin van de vijftiende eeuw schreef Christine de Pizan haar Livre de la Cité des Dames. Ze is terneergeslagen doordat geleerden en dichters alsmaar schrijven dat vrouwen slecht zijn. Dan verschijnen aan haar drie vrouwen: Rede, Rechtvaardigheid en Justitie. Ze vragen de medewerking van Christine om een vrouwenstad te bouwen. De geschiedenissen van dappere en intelligente vrouwen dienen als bouwstenen voor die stad. In 1475 werd in Brugge, op initiatief van ridder Jan de Baenst, een Nederlandse vertaling gemaakt: De Stede der vrauwen. In het navolgende fragment stelt Christine een vraag aan Vrouwe Rede die vervolgens antwoordt.

Een vraghe: ‘Maer noch wilt my bevroeden, mijn lieve Vrauwe, end hu ghelieft, oft God ooc den vrauweliken gheslachte, twelc hij met zo grooter previlege ghereet heift ende ghedaen vermaten, gheen gratie ofte ghifte verleent en heift van hoogher leeringhe oft van hoogher sciëntie, of dat huer zinnen daer toe te blonc of te cranc zijn, want dat begheeric zonderlinghe te wetene, omme dieswille dat de mannen zegghen willen, dat vrauwen zinnen van cleenen verstande zijn, al zijn zij van grooten bedrive?’

Andwoorde: ‘Dochtre, bij dien dat ic dy onderwesen hebbe hier voren, zo muechstu ghenouch beseffen dat de contrarie daer of warachtich zij. Ende omme dy dat breeder te onderwijzene, zo ghevic dy weder up een nieu. Ne twijfelt ande contrarie niet, want waert costume ende ghewuente cleene jonghe meyskins ter scole te stellene omme eenighe sciëntie te leerne, ghelijke de knecht-kins, zij zouden alzo wel allerande aerten ende sciëntiën leeren ende de subtijlheden van dien alzo wel begrijpen als de knecht-kins. Ende bet zulc vindmere, want alzo ic hu hier vooren gheroert hebbe alzo een vrauwe edelre ende teerdre lichame heift dan een man ende subtijlre handekins hebben om vele zaken te doene die de mans niet doen en connen, zo hebben zij ooc de zinnen zo vele ombelemmerder ende scherper dan de mannen.’

Een vraag: ‘Vertel me alstublieft, mijn lieve Vrouwe, of God de vrouwen die hij met grote voorrecht en begunstigd heeft en roem heeft bezorgd, niet ook de genade of gave van grote geleerdheid en kennis heeft verleend, of dat misschien hun verstandelijke vermogens te weerbarstig of gebrekkig zijn? Dit wil ik namelijk graag weten omdat de mannen zeggen dat vrouwen klein van begrip zijn, al verrichten ze veel werkzaamheden.’

Antwoord: ‘Dochter, uit wat ik je hiervoor onderwezen heb, zou je toch genoegzaam moeten weten dat het tegendeel waar is. En om je dit nog duidelijker te maken, herhaal ik het nogmaals. Twijfel niet aan het tegenovergestelde. Ah het gebruikelijk was jonge meisjes naar school te laten gaan om kennis te verwerven, zoals de jongetjes, dan zouden ze net zo goed alle kunsten en wetenschappen leren, en de fijne kneepjes zouden ze evengoed beheersen. En zelfs beter, want zoals ik u hiervoor vertelde dat een vrouw een edeler en fijnzinniger lichaam heeft dan een man, en behendiger handen om vele dingen te doen die mannen niet kunnen, zo zijn ook hun verstandelijke vermogens vrijer en scherpzinniger dan die van mannen.’

 

Schoolgang als sleutel der wijsheid

Het Boek van Zeden, dat mogelijk ook in het onderwijs is gebruikt, is een etiquetteboek. Er staan adviezen in met betrekking tot goede manieren, omgangsvormen en gedrag. Zo kan de lezer leren dat hij zijn gasten altijd vriendelijk moet ontvangen, dat hij nooit voor een meerdere mag gaan lopen en dat hij een stuk vlees waarvan hij gegeten heeft niet mag terugleggen op de schaal. Verder is het ook belangrijk dat men naar school gaat en daar veel opsteekt:

Lieve kint, oftu gaes te leerne,
So vraech dicken ende lere gherne,
Wes vernemel ende ghedinc
Ende leere vort gheleerde dinc.
Dus moghestu alle slotele ghewinnen
Vander vroedscap in dinen zinnen.

Lieve kind, wanneer je naar school gaat, stel dan vaak vragen, leer ijverig, wees leergierig en nadenkend en verwerf vervolgens veel kennis. Zo kun je alle sleutels tot je innerlijke wijsheid verkrijgen.

 

De zaligheid van het onderwijs

Eduard de Dene (1505-ca. 1578) is een van de belangrijkste Brugse dichters van de zestiende eeuw. In de jaren 1557-1561 schreef hij zijn Testament Rhetoricael - gelijkend op het Testament van François Villon - waarin personen, plaatsen en gebeurtenissen uit zijn leven de revue passeren. In een van de gedichten schrijft De Dene over de bogaerdenschool, de Brugse school voor arme kinderen.

Om tsghebods wille doet den aermen duecht
Ende laet der aermen kynderkens doch niet verghaen
Helptse upspannen inne der leerynghen juecht
Voorzietse ende beschermtse zoo ghylieden best muecht
Wilt de ongheleerde dolende liefmoedich bystaen
Laet therte van compassyen zyn openghedaen
Hu herte zeghelt niet upder pennynghen scrine
Die wel dienen verwerfven huere zielen zaen
eennen goeden staet.

Doe goed aan de armen omdat het zo hoort en laat de arme kinderen niet te gronde gaan. Help ze zich te ontwikkelen door de zaligheid van het onderwijs, bied ze wat ze nodig hebben en geef ze bescherming, zo goed als u kunt. Sta hen, die geen onderwijs hebben en onzeker zijn, vol liefde bij, en stel uw hart vol mededogen open. Uw hart is niet verzegeld met een kist vol geld. Die dienstbaar zijn, verwerven spoedig een goede staat voor hun ziel.