Literaire waardering en/of maatschappelijk engagement?

Jeugdliteratuur in de 21e eeuw

De eerste twee decennia van de eenentwintigste eeuw staan in het teken van spanningen, nieuwe geluiden en uitdagingen. De literaire en artistieke ontwikkeling van de jeugdliteratuur die aan het einde van de twintigste eeuw is ingezet, zet door, en krijgt zowel lof als kritiek.

De voorstanders van de literaire emancipatie grijpen de toename in crossoverliteratuur, jeugdboeken die vanwege de gebruikte literaire technieken (ook) volwassen lezers aanspreken, aan om de grenzen tussen jeugdliteratuur en volwassenenliteratuur ter discussie te stellen. Ze zijn van mening dat jeugdliteratuur meer literaire waardering verdient. Dat daarbij veel aandacht uitgaat naar adolescentenromans is niet verwonderlijk. Het gaat immers om verhalen over de geleidelijke dan wel schoksgewijze groei van kind naar volwassene. Daarnaast is het een genre dat zowel in de jeugdliteratuur als in de volwassenenliteratuur aanwezig is. In Vlaanderen geven vooral Anne Provoost met De Arkvaarders (2001) en Bart Moeyaert met onder meer Het is de liefde die we niet begrijpen (2003) de toon aan. In Nederland zijn Peter van Gestel, Joke van Leeuwen, Ted van Lieshout, Harm de Jonge en Edward van de Vendel belangrijke schrijvers van literaire verhalen en gedichten over de dilemma’s van jongeren op weg naar volwassenheid.


Maatschappelijk engagement

Criticasters zijn van mening dat de exclusieve aandacht voor de literaire vorm ten koste gaat van het maatschappelijk engagement. In zijn Annie M.G. Schmidt-lezing van 2006 signaleert auteur Edward van de Vendel met verbazing dat de meeste jeugdboeken van die tijd aan de werkelijkheid van hun lezers voorbijgaan:

Aangenomen dus, dat wij schrijvers een speciale interesse voor het leven van jonge mensen hebben, voor hun hartstocht en hun eerste botsingen met liefde, vriendschap, pijn en verdriet, blijft het toch verbazend hoe mondjesmaat de werkelijke, huidige wereld van jongeren tot onze boeken doordringt. 

In een poging een ethische ommekeer te bewerkstellingen lanceert Van de Vendel de Slashreeks, jeugdromans gebaseerd op de levensverhalen van jonge mensen, opgetekend door bekende jeugdboekenschrijvers. In 2008 verscheen het eerste deel van de reeks. De gelukvinder van Edward van de Vendel en Anoush Elman vertelt het verhaal van de Afghaanse Elman die op de vlucht voor de Taliban in Nederland terechtkomt. Daar moet hij zijn leven zien op te pakken ondanks de onzekerheid over zijn status en in een maatschappelijke context waarin immigranten met argwaan worden bekeken. Van de Vendel wil met de reeks levensverhalen zeker niet terug naar de probleemboeken van de jaren zeventig: ‘Geen biografie, geen probleemboek zoals we dat in de jaren zeventig kenden, maar een goed geschreven jeugdroman met dunne of dikkere wortels in de realiteit.’ Volgens Van de Vendel hebben dergelijke boeken ‘als mogelijk effect dat we ook jongeren dichter naar de literatuur toe trekken. Immers: werkelijkheid, echtheid, eerlijkheid heeft een steeds grotere magische kracht.’ Daarmee raakt Van de Vendel aan een van de grootste uitdagingen voor de spelers in de jeugdliteratuur aan het begin van het nieuwe millennium: het terugdringen van de ontlezing. Het boek lijkt de strijd om publiek met andere media zoals het internet en games te verliezen. De inspanningen om kinderen en jongeren weer aan het lezen te krijgen, zijn talrijk, maar hebben, getuige de vele internationale onderzoeken naar het leesgedrag, het leesplezier en de leesvaardigheid van Nederlandse kinderen en jongeren, vooralsnog weinig succes.


Combinatie van artisticiteit en realiteit

De literaire emancipatie van de jeugdliteratuur is zichtbaar in alle genres, maar de ontwikkeling in de jeugdpoëzie en non-fictie, traditionele genres die weinig op de voorgrond staan, zijn misschien wel het meest opvallend. Bij jeugdpoëzie springt het succes van Bette Westera in het oog. Samen met illustrator Sylvia Weve maakte ze de dichtbundels Doodgewoon (2015) en Uit elkaar (2019). Met deze bundels wist ze de belangrijke jeugdliteraire prijzen – de Gouden Griffel en de Woutertje Pieterse Prijs – in de wacht te slepen. Over Uit elkaar schreef de jury van de Woutertje Pieterse Prijs:

Alles is origineel en sprankelend aan dit boek, met prettig-onaangepaste tekeningen en baldadige gedichten, waarin kinderen hoofdschuddend kijken naar de liefdescarrousel van de volwassenen, die hun kinderen soms lijken te vergeten – maar die hun kinderen soms ook een nieuw perspectief bieden.

De bundels van Westera en Weve bewijzen net als de Slashreeks dat artisticiteit en realiteit elkaar niet in de weg hoeven te zitten, maar elkaar ook kunnen versterken. Dat geldt al evenzeer voor de non-fictieboeken die sinds 2000 zijn verschenen, de boeken van Jan Paul Schutten en Bibi Dumon Tak voorop. Kinderen van Amsterdam (2008) van eerstgenoemde was het eerste non-fictieboek dat ooit een Gouden Griffel won. Het oeuvre van auteurs als Schutten en Dumon Tak brengt de traditionele functies van jeugdliteratuur – de pedagogische functie, ontspanningsfunctie en esthetische functie – samen op een wijze die het ‘willen weten’ van kinderen waarover Kuijer schreef in Het geminachte kind (1980), recht doet.


Interesse voor jeugdliteratuur

Aan het grote publiek gaat de rijke boekenoogst van de eenentwintigste eeuw grotendeels voorbij en dat heeft te maken met de teruglopende belangstelling voor jeugdboeken in de media. In de tweede helft van de twintigste eeuw was sprake van een groeiende aandacht voor jeugdliteratuur in kranten en op radio en televisie. Na twintig jaar moet vastgesteld worden dat daarvan in de eenentwintigste eeuw niet veel meer over is. Gecombineerd met de geringe aandacht voor jeugdboeken aan universiteiten en hogescholen is de conclusie dat, de literaire emancipatie ten spijt, de jeugdliteratuur ook in het nieuwe millennium nog altijd weinig status heeft.