Kinderboeken die het nuttige met het aangename verenigen

Jeugdliteratuur in de 16e eeuw

In de zestiende eeuw kwamen de meeste kinderen op school voor het eerst in aanraking met boeken. Ze werden gebruikt in het taalonderwijs. De Latijnse schoolboeken zoals de Disticha Catonis of de fabels van Avianus – zijn van grote betekenis geweest voor de latere leerboeken in de Nederlandse taal.  


Humanisme

Het humanisme zorgde voor een nieuwe didactiek. Humanisten zoals de filosoof Desiderius Erasmus (1469? -1536) gingen ervan uit dat plezier in leren een voorwaarde was voor goed onderwijs aan kinderen. Daarom moesten boeken aansluiten bij de leefwereld van kinderen en illustraties bevatten:  

Kinderen (…) zullen verhaaltjes en fabels met meer plezier lezen en beter onthouden als ze de hoofdpunten ervan in prentjes te zien krijgen en als de inhoud van een verhaal in een afbeelding wordt getoond. Dat geldt net zo goed om hen de namen en kenmerken van bomen, planten en dieren aan te leren, zeker als het gaat om dieren die ze zelden zullen zien, zoals een neushoorn, een antilope, een pelikaan, een Indische ezel of een olifant.

De humanisten wilden dat het Latijn niet alleen de taal voor de kerk en de wetenschap was, maar ook de omgangstaal. In Papa puerorum (1513), geschreven door de humanistische schoolmeester Johannes Murmellius, vinden we daarom korte dialogen in het Latijn (met daarnaast een Nederlandse vertaling) over dagelijkse gespreksonderwerpen. Van een jeugdliteratuur zoals we die vandaag de dag kennen, waarin boeken vooral bedoeld zijn voor ontspanning of vermaak, was nog geen sprake. Als kinderen al in aanraking kwamen met verhalen in de moedertaal, dan ging het meestal om verhalen uit godsdienstige leerboekjes.     

Gaandeweg de zestiende eeuw nam de alfabetisering toe en verschenen er meer leerboekjes in het Latijn én in de volkstaal. Al vanaf de middeleeuwen leerden kinderen de letters door middel van abecedaria – abc-boekjes – maar nu kwamen er ook lesboeken voor andere vakken op de markt. Een voorbeeld zijn de rekenboekjes die overigens niet alleen voor kinderen bedoeld waren, maar ook voor volwassen handelaars en kooplieden.  


Veranderende kijk op opvoeding en kinderboeken

In de periode van het humanisme, de renaissance en de reformatie met aandacht voor de mens als individu, veranderde de kijk op de opvoeding en op boeken voor kinderen. Erasmus had misschien wel de meest uitgesproken ideeën over jeugdliteratuur. Volgens hem was een goed kinderboek een combinatie van het nuttige en het aangename. Spitsvondige aforismen (korte bondige uitspraken, vaak niet langer dan één zin) en boeiende anekdotes vond hij geschikte lectuur. Ook de Catechismus die scholen gebruikten om kinderen het geloof bij te brengen kon rekenen op zijn goedkeuring. Over schunnige liedjes, raadsels en spookverhalen, die kinderen hoorden van hun grootouders of dienstmeisjes, was Erasmus niet te spreken.  Zijn boek Gesprekken (of: Colloquia, 1518) dat tot doel had leerlingen op een speelse manier Latijn te leren, werd op veel scholen gebruikt. Dankzij Erasmus’ De civilitate morum puerilium (1530), een speciaal voor kinderen geschreven handleiding over goede manieren, weten we dat de jeugd naast leerboekjes, gedragsboekjes en godsdienstige lectuur ook verhalende, wereldlijke boeken las. Kinderen lazen deze romans, zoals De vier heemskinderen en Floris en de Blancefleur, omdat hun ouders die in de kast hadden staan. Van een bewerking speciaal voor kinderen was geen sprake. Het was vermaak voor jong en oud. In eerste instantie waren de prozaromans enkel betaalbaar voor mensen uit de goede milieus, maar met de toenemende alfabetisering en de uitgave van kleinere en eenvoudiger uitgevoerde formaten, konden meer mensen over deze boeken beschikken. In het tweede kwart van de zestiende eeuw nam het aanbod van drukwerk dan ook fors toe.

Rond het midden van de zestiende eeuw verschenen fabels en moraliserende dierenverhalen als Reinaert en Esopus in bewerkingen voor de jeugd. In 1564 – misschien al in 1550 – drukte uitgever Plantijn Reinaert in de typische schoolboekenletter, de civilité, de gesneden drukletter die vanaf 1550 in kinderboeken opdook. De belangrijkste aanpassingen waren inkortingen en de verwijdering van aanstootgevende elementen. De moraal was verpakt in een goed verhaal en veel opvoeders zagen de fabel en andere dierenverhalen daarom als uitermate geschikte literatuur voor de jeugd.