Roman van Walewein

Penninc & Pieter Vostaert, ca. 1250

Het verhaal

Op een hofdag van koning Arthur zweeft er opeens een prachtig schaakspel de grote zaal binnen en kort daarna verdwijnt het weer. Koning Arthur wil het schaakspel hebben en vraagt zijn ridders van de ronde tafel erachteraan te gaan, maar dat zien zij niet zitten. Arthur probeert hen te overtuigen door zijn hele rijk als beloning in het vooruitzicht te stellen en dan dient ridder Walewein zich toch aan. Hij vertrekt uit het kasteel, waarna het avontuur begint.

Na een lange avontuurlijke reis komt Walewein aan bij het kasteel van koning Wonder, die de eigenaar van het zwevende schaakspel blijkt te zijn. De koning wil Walewein het schaakspel schenken, maar enkel als hij het Zwaard met de Twee Ringen voor hem bemachtigt, dat zich bij koning Amoraen bevindt. Na een reeks beproevingen bereikt Walewein Amoraens burcht Ravenstene. Koning Amoraen wil het Zwaard met de Twee Ringen afstaan op voorwaarde dat Walewein voor hem Ysabele ontvoert, de dochter van koning Assentijn op wie Amoraen verliefd is. Walewein zegt toe, leent het Zwaard met de Twee Ringen om zijn opdracht te volbrengen en reist naar Indië om Ysabele te gaan halen.

Na veel uitdagingen brengt Walewein ook deze opdracht tot een goed einde, maar tijdens de reis zijn hij en Ysabele verliefd geworden op elkaar. Gelukkig is hun liefde geen probleem: tegen de tijd dat ze terug bij de burcht van Amoraen zijn aangekomen, is de koning net overleden. Zijn zoon schenkt Walewein het Zwaard met de Twee Ringen, dat bij koning Wonder dan weer wordt ingeruild voor het zwevende schaakspel, en Walewein keert samen met Ysabele terug naar het hof van Arthur.

Een origineel verhaal met twee auteurs

De Roman van Walewein is een ridderroman van 11 198 verzen. Het gaat om een origineel Middelnederlands werk, iets wat niet veel voorkwam, aangezien veel Middelnederlandse verhalen een vertaling van een Franse bron waren. De exacte datering van de roman is onzeker, maar hoogstwaarschijnlijk is het verhaal rond 1250 voor het eerst neergepend. De Walewein is in een volledig handschrift overgeleverd dat door de kopiist is gedateerd in het jaar 1350.

We kennen ook de namen van de auteurs: Penninc en Vostaert. Over hun persoonlijke leven is niets bekend, maar via het handschrift weten we dat Penninc aan het verhaal begonnen is en dat Vostaert het heeft afgewerkt. Niet alleen wordt dit expliciet op het einde van het verhaal vermeld, ook de stijl van het verhaal doet vermoeden dat er twee dichters aan het werk waren. In het eerste deel, geschreven door Penninc, is er veel aandacht voor details, zoals het belang van hoofsheid. In Vostaerts deel daarentegen verdwijnen de gedetailleerde beschrijvingen. Opeens wordt er meer nadruk gelegd op de gebeurtenissen en de actie. Penninc heeft ongeveer de eerste achtduizend versregels geschreven en Vostaert de laatste drieduizend, maar het is niet zeker waar het precieze moment van de overdracht zich juist bevindt.

Een hoofse ridder?

Walewein komt in de roman vaak over als een voorbeeldige ridder. Hij is moedig en sterk, maar leeft ook volgens de hoofse tradities: hij hecht veel belang aan de begroeting en wast zijn handen voor en na de maaltijd. Hij toont zich ook zeer nobel wanneer hij een verslagen tegenstander bijstaat in diens laatste levensogenblikken. Toch zijn er een aantal situaties in het verhaal waar hij zich helemaal niet hoofs gedraagt.

Wanneer Walewein Ysabele probeert te bevrijden uit het kasteel van haar vader, koning Assentijn, hakt hij zijn tegenstanders in de pan met behulp van het Zwaard met de Twee Ringen. De omvang van het bloedbad is enorm: er worden de ochtend nadien maar liefst twintig wagens met lijken afgevoerd. Die actie maakt van Walewein een atypische ridder in vergelijking met zijn collega’s van de ronde tafel, die er juist erg tegenop zien om bloed te vergieten. Hij lijkt hierdoor meer op een personage uit een Karelroman, waarin zeer grootschalige en bloederige gevechten centraal staan.

Als we terugkeren naar het begin van het verhaal, zien we dat Walewein eigenlijk nooit een typische Arthurheld is geweest: hij geeft zich niet meteen op als vrijwilliger om het schaakspel te volgen, wat een hoofse ridder wel zou doen, maar stelt zich aarzelend kandidaat wanneer Arthur een grote beloning belooft. Over de moed en onbaatzuchtigheid van de titelheld valt dus te discussiëren, al kan dit ook beschouwd worden als ironie. De auteurs spelen namelijk wel vaker met de verwachtingen van de lezers. Zo wordt het kasteel in Indië beschreven als een ondoordringbare burcht, waardoor Waleweins reddingsactie onmogelijk lijkt. Als de held het kasteel bereikt, kan hij echter met gemak door een open poortje naar binnen wandelen. Vervolgens stijgt het komische gehalte wanneer hij meerdere keren door een poort naar binnen glipt terwijl de soldaten die tevergeefs proberen te sluiten om hem buiten te houden. Walewein wordt uiteindelijk gevangengenomen, maar pas nadat hij zonder veel problemen de tiende muur heeft bereikt.

Ysabele: geen jonkvrouw in nood

Niet alleen Walewein, maar ook Ysabele is een atypisch personage. Haar rol is niet die van een jonkvrouw in nood die passief wacht op een man die haar redt, maar van een zelfstandig vrouw die weet wat ze wil. Wanneer ze verliefd wordt op Walewein, die een gevangene van haar vader is, blijft ze niet bij de pakken neerzitten. Ze bedenkt snel een list om hem te bevrijden. Ze stelt aan haar vader voor om Walewein mee te nemen naar haar kamer om hem te martelen. Ysabele treedt op als redder van Walewein, niet andersom. Haar vader stemt toe en zo belandt Walewein met Ysabele in de kamer. Met die kamer blijkt iets bijzonders aan de hand te zijn en dat werpt een bijzonder licht op de ‘zachtaardige’ Ysabele:

(vs. 7906-7924):

[...] Int pavement
Stont gewrocht ene duwiere
Subtijlre in alre maniere,
Dat niemen waer so vroet van sinne
Dat hi soude worden mogen an inne
Welker nevens dat soe stoede.
Te groten rampe ende sere te ongoede
Quaemt den meester diese maecte
Want allene up hem becraecte
Tongeval, in elker maniere:
Alse houde als hi die duwiere
Hadde vul wrocht ende twerc vulhent
Stappants was hem sijn payement
Gegeven. Ic sal u seggen hoe:
Die joncfrouwe dedene doe
Die hovesce entie goedertiere
Stappants werpen in de riviere
Daer hi verdranc ende sijns daer nare
Nemmerme ne wert niemare.

Onder de vloer
was een geheime gang aangelegd,
zó vernuftig
dat niemand, hoe slim ook,
dit zou kunnen merken
ook al stond hij er naast.
Veel rampspoed en leed
overkwam de bouwmeester die ’t maakte,
want enkel hem trof
het ongeluk in alle hevigheid.
Zodra hij de gang
had voltooid en het werk beëindigd
werd hem onmiddellijk zijn loon
uitbetaald. Ik zal u vertellen hoe:
de jonkvrouw (Ysabele) liet hem toen,
hoe hoofs en zachtaardig,
meteen in de rivier gooien!
Hij verdronk en sindsdien werd
niets meer van hem vernomen.

Nadat koning Assentijn erachter komt dat Walewein en Ysabele in de kamer de liefde bedrijven, worden ze beiden in een kerker opgesloten, maar uiteindelijk kunnen ze toch ontsnappen. Onderweg naar koning Amoraen stelt zich een nieuw probleem. Walewein vertelt aan Ysabele dat hij haar aan de koning moet geven. Dat pikt Ysabele natuurlijk niet. Ze wijst Walewein erop dat ze alles voor hem heeft achtergelaten en nog liever zelfmoord pleegt dan zich weg te laten geven aan een vreemde man. In tegenstelling tot andere jonkvrouwen in de ridderliteratuur die gedwee beslissingen van mannen aanvaarden, neemt Ysabele zelf haar lot in handen. En daarmee maakt ze een verrassend moderne indruk.

MOOC: De Roman van Walewein

In deze video vertelt Frank Brandsma over de oorsprong van de Walewein, de gelijkenis die de roman vertoont met het sprookje De Gouden Vogel, en de persoonlijkheid van het hoofdpersonage.

Podcast Klara

Mike Kestemont vertelt in deze podcast waarom de Roman van Walewein thuishoort in onze literaire canon.