Hilda van Suylenburg

Cécile Goekoop de Jong van Beek en Donk, 1897

De roman Hilda van Suylenburg van Cécile Goekoop de Jong van Beek en Donk was bij verschijning een fenomeen. Toch raakte het boek in de vergetelheid. Het boek gaat over de wees Hilda, die door haar aristocratische tante in Den Haag wordt opgevoed. Hilda ergert zich aan haar milieu, maar ontmoet een voorvechtster van het vrouwenkiesrecht en een vrouwelijke arts. Als ze met die laatste meegaat op visites, ziet ze de erbarmelijke omstandigheden waaronder mensen leven. Ze wijdt haar leven vervolgens aan het verbeteren van de positie van vrouwen. De roman is een voorbeeld van het naturalisme.

Gezien de populariteit van de roman is het onbegrijpelijk dat Hilda van Suylenburg ondergeschoffeld raakte in de literatuurgeschiedenis. Toen het boek verscheen, was de roman een fenomeen, populairder dan Max Havelaar en Eline Vere. Het kende hogere oplagen en meer herdrukken dan die twee beroemde boeken. Tien maanden na de eerste verscheen al de vierde druk, iets wat Max Havelaar pas na tien jaar overkwam. ‘Doe jij dat eens!’ schreef de beroemde dichter Albert Verwey aan de romanschrijver Lodewijk van Deyssel. De roman leidde zelfs tot Kamervragen.

Dubbele moraal

Wanneer weesmeisje Hilda bij haar voogd en tante op het Nassauplein in Den Haag komt wonen, dreigt ze te verdrinken in een draaikolk van holle, aristocratische handelingen. Toilet maken, theetjes uitzitten met een nutteloos werkje in de hand: het is haar talent niet. Ze wil iets doen, en verdiept zich in de vraag waarom vrouwen uit betere kringen toch niet mogen werken. Gelukkig ontmoet ze vrouwen die zich wezenlijk inzetten, zoals de jonge Amerikaanse Gladys, die president is van de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht en helaas ook getrouwd is met een losbol die haar geld vergokt. Via Gladys ontmoet Hilda de eerste vrouwelijke arts van Den Haag, Corona van Oven. De arts kaart de dubbele moraal aan die geldt voor vrouwen die studeren en werken: wat de man siert, schaadt de vrouw. De hogere kringen spugen immers op vrouwen met een baan. Hilda ziet daar steeds meer voorbeelden van, die ze in stekelige woordenwisselingen - vooral met mannen - becommentarieert. Dat klinkt misschien als een pamflet, meer dan een roman, maar Hilda is een levendige en maar al te ‘echte’ jonge vrouw, zodat haar avonturen juist een heuse pageturner vormen. Bovendien ben je als lezer ook al snel verontwaardigd over de machteloze positie van de vrouwen die zij beschrijft: de schrijfster zet de drama’s stevig neer.

Vervloekt de lakse vrouwen

Vooral als Hilda meegaat op werkbezoeken van huisarts Corona in de Haagse sloppen, vallen de schellen haar van de ogen. Ze ziet vrouwen die geen voogdijrecht krijgen of die hun loon moeten inleveren bij hun dronken man, ze ziet dienstmeisjes die bezwangerd raken door hun werkgever en dan hun ontslag krijgen. Hilda gaat rechten studeren om de wetten te veranderen die aan de ongelijkheid ten grondslag liggen. Haar wilskracht verdiept zich wanneer Gladys op haar kraambed stervende is. Haar fortuin is haar ontnomen door haar man, gesteund door de wet. Ze spreekt de bezwerende woorden:

‘Als de vloek van een stervende moeder iets betekent, zeg het haar dan, dat ik ze vloek, hier, op mijn weeënbed, de jonge vrouwen, die langer onverschillig blijven voor deze schandelijke toestanden. Zeg het haar, dat ik ze vloek! vloek! vloek! als ze niet als eén vrouw opstaan, om verandering in die wetten te brengen!’

Wanneer Gladys na de geboorte van haar dode kindje zelf overlijdt, houdt de wereld een ogenblik op ‘met haar lichtzinnig gesnater’. De charmante Gladys is letterlijk geplet door de huwelijkswet. Haar vloek is het dramatische hoogtepunt van de roman.

Het lukt geen vrouw in dit boek om hart en roeping te verenigen, alleen heldin Hilda is daartoe in staat. Zij is moeder geworden en schrijft een pamflet over de noodzaak van vrouwenvakverenigingen, nadat ze is getrouwd met de aristocratische wereldverbeteraar Maarten van Hervoren, die slechte werkomstandigheden in fabrieken aankaart. Dat geeft de roman te midden van alle foute huwelijken en ongelijkheid alsnog een happy end, en dus hoop: freules onder u, het kan goed komen.

Vrouwenemancipatie

Goekoop de Jong van Beek en Donk liet haar zusje weten dat ze schreef zonder literaire pretenties; stijlvernieuwing of een plek in het letterkundig pantheon interesseerden haar niet. Desondanks staat de roman met beide voeten in het naturalisme. Zo is Hilda een wees, net als andere vrouwelijke hoofdpersonen van naturalistische romans. Tegelijk is het verhaal een weerwoord tegen de Madame Bovary’s en Eline Veres van die tijd, tegen vrouwen die in hun zinnelijk romantisch egoïsme ten gronde gaan. Goedkoop de Jong van Beek en Donk wenste liever in de voetsporen van Emile Zola te treden, die ernstig de waarheid zocht. In voetnoten citeerde ze daarom de gewraakte wetteksten; het moest duidelijk zijn om welk onrecht dit boek draaide. Ze noemde haar roman een ‘tendensroman’, geschreven uit didactische overwegingen. Bewust vermijdt ze het woord ‘feminisme’, daar kleefde ook toen al veel onwenselijks aan. Evengoed geeft ze de lezeressen allerlei argumenten om hun positie te verbeteren. Vooral vrouwen uit de hogere klasse werden uitgedaagd.

Politiek statement

Door deze insteek is het niet vreemd dat alle huwelijken in dit boek verdorven lijken en de mannen een ondergeschikte rol spelen; zelfs Maarten presteert weinig beters dan lenig in en uit de tram te springen. Goekoop de Jong van Beek en Donk komt in het verweer tegen de wetten die getrouwde vrouwen ‘schandelijk afhankelijk’ maken en handelingsonbekwaam. De oren worden gewassen van de velen die ‘geloven dat de vrouw geen andere reden van bestaan heeft, dan voor het voordeel of het genot van den man’. Mannen hebben net zo goed aanleg voor het huishouden en kunnen prima kinderen verzorgen (bovendien: een crèche is een geschikt alternatief). Zulke ideeën botsten volkomen met de tijdsgeest. De schrijver laat Corona haar kleine, samengeknepen vuisten tegen het Binnenhof heffen, dat ‘zo onverschillig voornaam in de zonnig nevelige winterglans’ ligt, waarbij ze wanhopig uitroept: ‘O! mijn God! mijn God! en daar praten ze jarenlang over allerlei nietigheden en voor deze grote zedelijke kwesties hebben ze geen tijd!’ Geen wonder dat deze aanval op de Haagse politiek werd opgepakt. Een enthousiast historicus beweerde zelfs dat het boek meer gewicht in de schaal legde dan een meerderheid van vrouwen in de Tweede Kamer had kunnen doen.

Felle pamfletten

Echte recensies kreeg de roman niet, iets wat de schrijver koud liet. De enige recensent die het besprak, Frans Netscher, beoordeelde niet de roman, maar de vrouw en noemde het boek een pendant van ‘de Negerhut van de brave Mevrouw Beecher Stowe’. Feminist Wilhelmina Drucker prees Hilda net als vele anderen om het maatschappelijk gewicht. Ondertussen regende het vanwege de vele herdrukken nog jarenlang felle pamfletten, doorgaans van mannen, die de inhoud van de roman bekritiseerden of juist aanmoedigden.

Libris Geschiedenis Prijs 2016: Cécile en Elsa

Elisabeth Leijnse vertelt over haar boek Cécile en Elsa, strijdbare freules, dat genomineerd is voor de Libris Geschiedenis Prijs 2016.