Het boschmeisje

Melati van Java, 1903

In de eenentwintigste eeuw zijn Young Adultromans enorm populair. Op blogs bespreken literatuurliefhebbers de kenmerken van deze romans en zij betogen dat er wellicht een nieuw genre is ontstaan. Een genre waarin het volwassen worden van jongeren vaak centraal staat. Maar zo nieuw zijn deze ‘coming of age-romans’ eigenlijk niet. 


Young adult avant la lettre

Ook aan het begin van de twintigste eeuw werden er al voorlopers van de Young Adultroman geschreven. Eén van de populairste auteurs van deze voorlopers was Melati van Java (pseudoniem van Nicolina Maria Sloot, 1853-1927). Haar werk was zelfs zo geliefd dat wie in 1921 in een willekeurige bibliotheek in Nederland vroeg naar het meest uitgeleende bibliotheekboek, werd verwezen naar haar roman Hermelijn. Jarenlang waren haar romans enorm in trek, maar inmiddels zijn er slechts weinigen die van haar gehoord hebben, laat staan een titel van haar gelezen hebben. 

In eerste instantie werden de romans van Melati van Java positief ontvangen. Ze was in 1893 één van de dertien eerste vrouwen die lid mochten worden van de deftige Maatschappij der Nederlandse letterkunde. De mannen die Van Java voordroegen voor dit lidmaatschap benadrukten vooral de manier waarop zij de Nederlandse kolonie Indië via haar literatuur toegankelijk maakte voor een breed literair publiek. De waardering voor haar werk nam echter aan het begin van de twintigste eeuw af. Net als veel andere vrouwelijke auteurs werd Melati van Java weggezet als schrijfster van ‘damesromans’. Menno ter Braak sprak over ‘de volslagen onbeduidende dame Melati van Java’ die in zijn ogen terecht snel vergeten was. Niet al het werk van Melati van Java heeft de tand des tijds doorstaan. Ook het werk dat zij schreef onder katholiek pseudoniem Mathilde is niet allemaal leesbaar voor de lezer van nu. 


Het ‘bosmeisje’

De roman Het boschmeisje (1903) is een stuk intrigerender dan haar andere werk. Bij publicatie werd er niet over de roman geschreven. Pas na een herdruk in 1920 verscheen een korte bespreking in De Limburger waarin werd opgemerkt dat de roman ‘zoo vreemd en verbijsterend onwaarschijnlijk’ was dat de recensent er liever geen oordeel over uitsprak. 
Het boschmeisje is een coming of age-verhaal over Maria Voornwijck. Dit jonge meisje van gedeeltelijk Molukse origine komt in de achttiende eeuw na een schipbreuk terecht in een Frans bos. Hier leeft zij een tijdje als ‘bosmeisje’, tot zij gevonden en gevangen wordt door de gegoede familie d’Armentières. De jonge gravin Diana brengt het bosmeisje al snel in contact met haar nichtje Simone. Zij krijgt een innige band met het bosmeisje en leert haar spreken. Toch lukt het nog niet geheel om het bosmeisje ‘tot mensch’ te maken. De familie neemt het bosmeisje mee naar Parijs. Daar wordt zij onderzocht door de grote ‘natuurvorscher’ De La Condamine die vaststelt dat het bosmeisje een (gedeeltelijke) Molukse afkomst heeft. Een toevallig aanwezige Nederlander ontdekt dat het meisje Nederlands verstaat. Na deze vaststelling en de geruststelling dat het bosmeisje van westerse komaf is, wordt ze naar de nonnen gebracht voor haar laatste opvoeding. Bij Van Java is een echt gelukt mens een katholiek mens. Na de scholing van de nonnen wordt het meisje gedoopt en krijgt zij de witte naam Marie Louise le Blanc. Tot zover voldoet de handeling aan de meer clichématige, idealistische beschrijvingen in damesproza. 


‘Girlpower’

Bij Van Java zit de spanning echter in de zijlijnen. Zo is het bosmeisje bepaald geen bangig meisje. Al vrij in het begin van de roman staat zij oog in oog met een wolf:

Zij stond stil en zong hoog en trillend als om het ondier te tarten, dat haar huilend bleef aanstaren, begeerig den sprong te wagen, maar zij scheen haar kracht met de zijne te meten en toen onverwacht sprong zij terug, hief haar knuppel op en snel als de gedachte liet zij het hout lachend neervallen op den kop van den wolf, juist toen hij zich met een woesten sprong zich op haar wilde werpen.
Als door den bliksem getroffen viel het monster aan haar voeten neer; zij liet een schellen triomfkreet hooren en greep toen met een wild gebaar het half doode dier aan de keel, scheurde met haar lange nagels zijn huid stuk en dronk gretig het warme bloed dat uit de wond stroomde.

De beschrijving van de kracht van het bosmeisje doet denken aan hedendaagse beschrijvingen van girlpower. Zij doet in deze scène niet onder voor een vrouwelijke Marvelheld als ‘Wonder Woman’. Zelfs als het meisje een engelachtige doop heeft ondergaan, blijft zij krachtig. Wanneer ze wordt gevangen door de oom van haar grootouders, is ze hem te snel en te slim af. Hier benadrukt Van Java de kracht van de Indische vrouw en gaat zij lijnrecht in tegen de gangbare en stereotiepe beschrijving van Indische vrouwen. 


Een clichématige slechterik 

De beschrijving van het boschmeisje als een sterke vrouw staat in sterk contrast met de juist zeer clichématige beschrijving van de slechterik in Het boschmeisje. Net als veel van haar tijdgenoten was Van Java zeer goed op de hoogte van de deterministische ideeën uit het naturalisme. Waar de beschrijving van het 'race' van het bosmeisje ingaat tegen de gangbare ideeën, voldoet de beschrijving van de slechterik en diens milieu juist volledig aan de deterministische, naturalistische blik. Zo zal Van Java ongetwijfeld kennis hebben genomen van de criminologische ideeën van Cesare Lombroso. Deze Italiaanse criminoloog probeerde de criminele inborst van mensen met een zogenaamde synophrys (‘aaneengegroeide wenkbrauwen’) aan te tonen. Laat het bosmeisje de slechterik daar nu net aan herkennen! Eind goed, al goed en het boschmeisje gaat in Holland ‘een geheel nieuw leven tegemoet’, ‘dat zeker lang en gelukkig zal zijn geweest.’ 

Hoe dat leven er precies uitgezien heeft, vertelt Melati van Java de lezer niet. Dit betekent dat het bosmeisje zich niet conformeert aan de wetten van het huwelijk, althans dat is in ieder geval niet noodzakelijkerwijs zo. Dit maakt het voor de moderne lezers wellicht gemakkelijker om zich te identificeren met deze krachtige, jonge vrouw.