Gesprek op den Drachenfels

Jacob Geel, 1835

In de jaren dertig van de negentiende eeuw vierde de romantiek hoogtij in Nederland. In de literatuur raakte het romantische gedachtegoed in de mode. De romantiek als literaire stroming stuitte echter ook op verzet. Tijdens de hoogromantiek (1830-1850) ontstond er een breuk tussen het classicisme en de romantiek. Classici klaagden dat romantici braken met het classicistische normenstelsel, dat voorschreef dat auteurs imitatio (het navolgen van literaire voorbeelden) moesten beogen, waar romantici streefden naar de vrije expressie van het individu. Het Gesprek op den Drachenfels gaat ten dele over dit letterkundige debat. Jacob Geel (1789-1862) besteedt ook aandacht aan de betekenis van het woord ‘romantiek’, dat inmiddels allerlei verschillende invullingen had gekregen.

Hij zet zijn beschouwingen uiteen in een fictieve dialoogroman die zich afspeelt op de Drachenfels, een van de toppen van het Zevengebergte in Duitsland. Dat Geel deze Duitse berg had uitgekozen, berust niet op toeval. De Drachenfels was een populaire bestemming voor toeristen en het toonbeeld van de romantische voorliefde voor de natuur. Daarbij komt dat Geel de berg zelf had beklommen in het gezelschap van twee academici, die een inspiratiebron zouden vormen voor de gesprekspartners van het Gesprek. Classicus Diocles is gemodelleerd naar de klassieke filoloog August Ferdinand Naeke (1788-1838) en filoloog Karl Friedrich Heinrich (1774-1838), die romantische sympathieën had, krijgt vorm in Charinus. Hun persoonlijkheden lijken verband te houden met de stromingen die zij vertegenwoordigen. Diocles heeft aanvankelijk weinig oog voor het romantische:

Ik weet niet wat romantisch is, antwoordde hij; maar het zou wijzer geweest zijn, indien wij deze wandeling vóór het middagmaal gedaan hadden.- Hierop zweeg hij, en veegde zich het klamme voorhoofd af: want hij was reeds bejaard, en de togt scheen hem te vermoeien.

Charinus begrijpt wél waar het in de romantiek om draait. Op de vraag wat het romantische inhoudt, antwoordt hij:

Eener werking der ziel in alle hare weifelingen en tegenstrijdigheden, eener gebeurtenis in alle hare wisselingen, standen en groeperingen, van een natuurtoneel al zijn voorwerpen, vormen, kleuren en tinten: kracht van tegenstelling in het schoone en misvormde, in het verhevene en het gemeene, in het ware en valsche, in het goede en slechte. Die kracht heerscht in het romantische drama.

Waar Diocles gesloten het gesprek aangaat, breekt Charinus de discussie open voor nuance. De ik-figuur, die waarschijnlijk samenvalt met Geel, kiest meestal geen kant in het gesprek maar overpeinst de woorden van zijn gesprekspartners uitvoerig. Er komen veel gespreksonderwerpen ter sprake, van het classicisme en de romantiek tot de wetenschap en de fantasie. De inzichten van Geel, en zijn vlotte en ludieke schrijfstijl, maken dit werk tot een hoogtepunt uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis.

Jacob Geel

Het is niet verwonderlijk dat de meest bekende literatuurbeschouwing uit de romantiek juist van de hand van Jacob Geel komt. Deze letterkundige, bronnenonderzoeker en universitair bibliothecaris was nauw betrokken bij de letterkunde, had een voorkeur voor de dialoogvorm en schreef kritische essays over de literaire productie in Nederland. Deze essays kwamen samen in de bundel Onderzoek en Phantasie (1838), die drie jaar na het Gesprek gepubliceerd werd. Geels interesse in de relatie tussen onderzoek en fantasie komt ook naar voren in zijn dialoogroman. De wetenschap is ‘een berg, dien men ophoogt, onbepaald, hoe hoog, al ging het boven de wolken uit.’ De kunst, daarentegen, is ‘altijd springen van meet af aan, en wie het verst gekomen is, heeft het gewonnen.’ Hij ziet de wetenschap dus als iets dat je beoefent met behulp van de kennis van je voorgangers. De kunstenaar, daarentegen, staat er alleen voor.

Geel was honorair hoogleraar bij de Universiteit Leiden en onderlegd in de klassieke filologie. Met zijn brede kennis van de literatuur op internationaal vlak bracht hij nieuwe inzichten naar het Nederlandse grondgebied. Zo introduceerde hij het concept van stijl als ‘regtstreeks uit het karakter van den mensch afgeleid’. Hoewel Geel succes oogstte in de Nederlandse letterkunde, keerde hij uiteindelijk terug naar de klassieke letteren. In de literatuurgeschiedenis had hij zijn plaats inmiddels veroverd.

De berg op

De Drachenfels is meer dan een romantisch decor voor de bergwandeling. Deze berg is namelijk ook een metafoor voor het gesprek zelf. Het drietal beklimt de berg en stopt wanneer er een discussie ontstaat. Discussies ontstaan vaak nadat hen iets opvalt, zoals een passant, een steen of de Rijn. Nadat de discussie is afgerond, vervolgen ze de wandeltocht. Bovenaan de berg komt het gesprek tot een besluit. Daarna dalen de ik-figuur, Diocles en Charinus zwijgzaam de berg af, en eindigt de roman.

Het is toepasselijk dat juist Diocles de eerste discussie ontlokt. Dit doet hij met een uitval: ‘Weldra zal er ééne minder zijn in de rei der kunsten.’ Hij vreest dat de taal ‘tot een zielloos werktuig vernederd [zal] worden.’ Zijn probleem met de romantici is dat zij de taal te veel gebruiken om te beschrijven, terwijl de taal volgens hem eerder gebruikt moet worden om tot denken aan te zetten. Charinus en de ik-figuur gaan niet tegen hun kompaan in. Na een lange redevoering waagt de ik-figuur het toch om Diocles te vragen: ‘Waarom zouden zij niet?’ Diocles geeft hem geen antwoord en is kennelijk niet bereid om rekening te houden met de andere kant van het argument.

Dan komen ze een andere toerist tegen: ‘een langen ranken Engelschman’ die op een ezel rijdt en een ‘groote vrouwenstroohoed’ draagt. Charinus maakt een opmerking over de beschrijving die een auteur van dit tafereel zou kunnen maken, en zegt: ‘zulk een intermezzo zou het verhaal van eene bergwandeling aangenaam afwisselen’. Geel speelt graag met het medium van de roman; hij lijkt hier haast naar de lezer te knipogen.

Het verhaal zet zich voort met een vlot tempo. Het drietal komt aan bij een steen die aanzet tot een rollenspel, de ik-figuur raakt diep in gedachten verzonken, ze praten letterlijk over niets en, inmiddels bij de top aangekomen, wil Charinus verhalen over de streek Rolands-Eck. De discussie heeft zo’n groot effect op Diocles dat hij verzot raakt op het romantische, tot op het punt dat Charinus hem moet stoppen met de woorden ‘Nu, het is al wel!’


Geschreven door Maurits Meijers