Tonke Dragt

Werk vol raadselachtige werelden

Batavia, 12 november 1930

Het oeuvre van Tonke Dragt is mysterieus, omvangrijk en staat vol verwijzingen. Sprookjes, sagen, mysteries, sciencefiction en wetenschap vormen een rode draad. 

‘Dragt lezen is spoorzoeken zonder dat je precies weet wat je zoekt,’ schreef recensent Judith Eiselin in 1999 in NRC Handelsblad. ‘Haar boeken stichten verwarring, met raadsels en ridders.’ Dragts verhalen spelen zich af in middeleeuwse werelden, in fantasielanden, op andere planeten of in parallelle universums. Plastic verpulvert, de klok tikt er sneller, er wordt geëxperimenteerd met ruimte en tijd of gecommuniceerd via gedachten. Nooit kom je toevallig in zo’n wereld terecht; je moet het codewoord kennen, in gepaste gemoedstoestand verkeren, of een deur op de juiste manier openen. Tonke Dragt lezen is zinnen en ideeën met elkaar in verband brengen. Het vraagt oplettendheid en concentratie, want de schrijfster maakt weinig onderscheid tussen fantasie, droom en werkelijkheid.

Jeugd in Nederlands-Indië

Die drang om andere werelden te scheppen en te verbinden zat er al jong in. Op 12 november 1930 werd Antonia Johanna (Tonke) Dragt in Batavia (Jakarta), Nederlands-Indië (Indonesië), geboren. Na haar volgden nog twee dochters in het gezin, Corlien en Ada. Tijdens vakanties ontvluchtte het gezin de hitte van de stad en trok naar Poentjak en Siti Goenoeng in de bergen. De overweldigende, dichtbegroeide natuur maakte een onuitwisbare indruk op Tonke. Toen Batavia in 1942 tijdens de Tweede Wereldoorlog onder Japans bewind kwam, eindigde haar jeugd abrupt. Op twaalfjarige leeftijd kwam ze terecht in het overvolle Japanse interneringskamp Tjideng, waar mannen en vrouwen werden gescheiden. Het regime was er hard. Midden in de nacht moesten de bewoners op een rij gaan staan, of er waren huiszoekingen waarbij alles werd vernield. Alleen in haar hoofd voelde Tonke zich vrij, daar kon haar fantasie alle kanten op zonder dat er een kampcommandant bij kon. Als dertienjarige schreef ze met een vriendin haar eerste boek op bij elkaar gebedelde stukjes papier: De jacht op de Touwkleurig

Terugkeer naar Nederland

Na de oorlog keerden de meeste Nederlanders huiswaarts. Tonkes vader pakte zijn werk als verzekeringsambtenaar weer op, zijzelf nam met haar zussen en moeder de boot naar Nederland om te gaan wonen bij hun grootouders in Dordrecht. De strenge winter van 1946 viel hen zwaar. ‘We voelden ons zo eenzaam en het was altijd koud. De mensen praatten almaar over suikerbieten. Niemand begreep wat wij hadden meegemaakt in het gevangenkamp,’ zei Dragt hier later over. Nog eenmaal keerde het gezin terug naar Nederlands-Indië, maar dat bleek een teleurstelling. Er woedde een onafhankelijkheidsoorlog, op straat was het onveilig, er heerste veel tuberculose en er was schaarste aan alles. Nadat Nederland in 1949 de onafhankelijkheid van Indonesië had erkend, keerde het voltallige gezin voorgoed naar Nederland terug. Zo werd Nederlands-Indië/Indonesië voor Tonke Dragt het land dat voor altijd verdween en waar zij een leven lang over zou blijven schrijven – nooit rechtstreeks, altijd tussen de regels door. Het verloren gegane paradijs uit haar jeugd bleef in allerlei vormen terugkeren in verhalen en tekeningen. 

Debuut in tijdschrift Kris Kras

In 1949 schreef Dragt zich in aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Vanaf 1953 begon zij te werken als tekenlerares; eerst op een basisschool, later op het Gemeentelijk Lyceum Rijswijk, waar ze twintig jaar zou blijven. In die periode ontwikkelde zij zich verder als illustrator en vormde zich ook haar schrijverschap: ze hield haar leerlingen geboeid met verhalen. Ze richtte schoolclubs op, waarin spookverhalen werden verzonnen. Dragt besloot haar eigen verhalen ook op te schrijven en debuteerde als schrijfster voor kinderen in 1958 in het tijdschrift Kris Kras. Twee jaar later volgde Verhalen van de tweelingbroers, een bundel vertellingen over twee eerzame broers, die uiterlijk elkaars spiegelbeeld vormen, maar elk een heel ander pad kiezen: Laurenzo wordt edelsmid, Jiacomo meesterdief. 

De brief voor de koning

In 1962 verscheen De brief voor de koning, een middeleeuws ridderepos over vriendschap en trouw, waarmee ze veel succes oogstte. Het boek gaat over de schildknaap Tiuri, die tijdens de nachtwake voor zijn ridderslag de opdracht krijgt om een geheime brief te bezorgen bij de koning van Unauwen in het land achter de bergen. Een geheime missie waar de toekomst van het koninkrijk vanaf hangt. Nadat De brief voor de koning in 1963 was onderscheiden als Kinderboek van het Jaar, de voorloper van de huidige Gouden Griffel, mocht Dragt het Kinderboekenweekgeschenk van 1964 schrijven. Daarvoor putte ze ideeën uit een oud schrift, waarin ze jarenlang griezelige verhalen had verzameld over een dwarse zeerover: de Blauwe Boekanier. ’s Avonds bij een kaarsvlam schrijft hij droevige gedichten met aanwijzingen over zijn verblijfplaats die hij in zee gooit. 

Immer, immer, moet ik dolen
Met mijn schip over de zee. 
Goud, juwelen heb ‘k gestolen
Van de Fransen, de Spanjolen,
en toch ben ik niet tevree.
15o N.B., 75 o W.L.

Mysteries en raadsels

De geheimzinnige verzen in De Blauwe Boekanier vormden de opmaat voor een oeuvre vol mysteries. Tonke Dragt ontwikkelde in haar werk een sterke voorkeur voor buitengewone raadsels, waar je je als lezer het hoofd over breekt en die lang niet altijd oplosbaar zijn. De Zevensprong (1966) draait om de profetieën van de gekke graaf Gregorius; De torens van februari (1973) gaat over de parallelle wereld IMFEA, waar je alleen op schrikkeldag naartoe kunt reizen als je het sleutelwoord kent; Aan de andere kant van de deur (1992) speelt zich af in het ongrijpbare bouwwerk de Januaraanse ambassade dat zich onttrekt aan de wetten van ruimte en tijd. 

Toekomstverhalen

Naast die raadsels heeft Dragt een bijzondere fascinatie voor natuurwetenschappen, science fiction en robotica. Ze schreef drie boeken die zich afspelen in de toekomst: De robot van de rommelmarkt (1966), Torenhoog en mijlen breed (1969) en Ogen van tijgers (1982). Torenhoog en mijlen breed speelt zich af op haar lievelingsplaneet Venus. Vanuit een doorzichtige koepel maakt planeetonderzoeker Edu uitstapjes naar het onweerstaanbare, maar zeer gevaarlijke Venuswoud en ontdekt daar een schokkend geheim: de Afroini, de groene Venusbewoners, kunnen communiceren via gedachten. Ogen van tijgers (1982) staat vol literatuurverwijzingen, poëzie en kunstbeschouwingen. Zo worstelt schilder Jock Martijn, een vriend van Edu, met zijn onvermogen om het Venuswoud te schilderen: 

‘Misschien zal er ooit iemand komen die de landschappen hier zo kan schilderen dat de mensen op aarde zullen zeggen: ja, zo is Venus. Zo voelt het, zo ruikt het, zo ruist het er... maar ik denk vaak dat dit geen mens ooit zal lukken. Deze planeet is ons wezensvreemd, wij zullen die waarschijnlijk nooit begrijpen.’

Het overweldigende, vlammende woud blijkt te groots, te beladen om te kunnen afbeelden. Die ervaring is autobiografisch: Dragt worstelde zelf in haar werk om haar herinneringen aan de mystieke kracht van de Indische natuur recht te doen. 

Veel van haar boeken heeft Dragt zelf geïllustreerd. Eerst met tekeningen; later, toen ze minder goed ging zien, met collages. Zowel in haar teksten als illustraties duiken steeds dezelfde voorwerpen en motieven op, zoals katten, klokken, tijgers, robotten, spiegels en trappen. Voor Tonke Dragt hebben zij een bijzondere betekenis

Waardering

Hoe een jeugdboek er volgens opvoeders uit zou moeten zien, heeft Tonke Dragt nooit geïnteresseerd. Ze schreef fantastische verhalen in een tijd dat het realistische probleemboek hoogtij vierde. Dat maakte haar niet altijd populair, maar door consequent haar eigenzinnige koers te varen, bouwde ze een stevige reputatie op met veel trouwe fans. De brief voor de koning werd in 2004 onderscheiden met de ‘Griffel der Griffels’, een eenmalige prijs die werd uitgereikt ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Kinderboekenweek. Dick van den Heuvel bewerkte het boek in 2007 tot een musical; Pieter Verhoeff maakte er in 2008 een speelfilm van. In 2013, meer dan een halve eeuw na verschijning, veroverde De brief voor de koning ook Groot-Brittannië met dank aan de Engelse vertaling van Laura Watkinson, die daarvoor de Vondel Translation Prize ontving. Deze publicatie kreeg een bijzonder staartje: het Britse productiebedrijf FilmWave kocht de rechten en maakte er een internationale fantasyserie van. The Letter For The King (2020) werd op streamingsdienst Netflix uitgezonden. 
 

#DWDD: Matthijs interviewt Tonke Dragt

Letter for the King is gebaseerd op het boek Brief voor de Koning van Tonke Dragt uit 1962: vertaald in meer dan 30 talen, waaronder Japans, Grieks en Koreaans, en wereldwijd meer dan 3 miljoen keer verkocht. Matthijs van Nieuwskerk interviewt 89-jarige schrijfster bij haar thuis over haar imposante oeuvre. 

De Grote Vriendelijke Podcast: Tonke Dragt

Tonke laat zich zelden meer interviewen, maar kinderboekrecensenten Jaap Friso (JaapLeest.nl) en Bas Maliepaard (Trouw) mochten haar voor de 23ste aflevering van De Grote Vriendelijke Podcast thuis in Den Haag bezoeken. In twee delen spreken ze met Tonke Dragt over haar leven en oeuvre en, op haar verzoek, met name over haar toekomstromans Torenhoog en Mijlenbreed en Ogen van Tijgers.