Thomas Asselijn

Een vrije jongen
Dieppe (Frankrijk) circa 1620 - begraven Amsterdam 27 juli 1701
Herzien door Estel van den Berg

Literatuur die direct inspeelt op actuele situaties lokt vaak reacties uit. Als het hoog oploopt, blijft de naam van de schrijver al gauw verbonden met die ene titel. Dat gebeurde ook met de komedie Jan Klaaz of gewaande dienstmaagt uit 1682. Het was een vlijmscherpe hekeling van bepaalde godsdienstige kringen in Amsterdam. Een tijdelijk verbod was het gevolg. De schrijver, Thomas Asselijn, bleef vooral om dit toneelstuk bekend.

Ongeschoold en onconventioneel

Thomas Asselijn werd geboren in Dieppe (Normandië, Frankrijk), rond 1620. Zijn ouders vluchtten vanwege hun protestantse geloof naar de Nederlandse Republiek waar de godsdienstkeuze officieel vrij was. In zaken ging Asselijn graag zijn eigen gang: hij was eerst boekbinder, later zelfstandig verver van karmozijn, maar ging in 1678 failliet. Mogelijk was hier oneerlijke concurrentie in het spel en zinspeelde Asselijn hierop in zijn toneelstuk Jan Klaaz. Zelf heeft hij dat laatste altijd ontkend. Ook in het schrijven trok Asselijn zijn eigen plan. In zijn werk beriep hij zich nauwelijks op klassieke voorbeelden. Wat hij wist van kunst en literatuur had hij zichzelf aangeleerd. In zijn ogen was uitgebreide scholing niet nodig: wie talent had, kon zelf wel ontdekken hoe daar succesvol mee om te gaan. Het navolgen van voorbeelden leidde tot saaie kunst; levensechtheid was veel belangrijker.Zelf heeft hij dat laatste altijd ontkend.

Zijn vrije opvattingen deelde Asselijn met de vroegere Schouwburgdirecteur Jan Vos, maar ze plaatsten hem ook lijnrecht tegenover de dominante toneelstroming in de jaren 1670: het Frans-classicisme van ‘Nil volentibus arduum’ (Waar een wil is, is een weg). Dit literaire gezelschap controleerde alle toneelstukken streng op de voorschriften van het classicisme dat uit Frankrijk overgewaaid was. Die voorschriften kwamen neer op waarschijnlijkheid, concentratie van de verhaalstof en nadruk op deugdzaam en fatsoenlijk gedrag. Bovendien mocht een stuk niet over controversiële onderwerpen zoals religie of politiek gaan.

Aan al die zaken had Asselijn lak toen hij in 1682 Jan Klaaz of gewaande dienstmaagt publiceerde. De komedie speelde in hartje Amsterdam bij het Kattengat, en voerde een herkenbare groep Amsterdammers op, namelijk de doopsgezinde Broederschap. Asselijn had het verhaal zelf verzonnen en populaire humoristische ingrediënten toegevoegd. Het succes van onderwerpen als gierigheid, huwelijksbedrog en godsdienstige schijnheiligheid was gegarandeerd. Daarnaast maakte Asselijn veelvuldig gebruik van vermommingen en persoonsverwisselingen, en stereotyperend taalgebruik, zoals dialect en modewoordjes. Deze cocktail bleek zeer succesvol.

Jan Klaaz of gewaande dienstmaagt

De plot is eenvoudig. Zaartje Jans, een vrolijk en assertief meisje, mag niet trouwen met haar vriend Jan Klaaz, die al drie keer om haar hand heeft laten vragen. Hij heeft geld genoeg en komt ook uit doopsgezinde kring, maar Zaartjes ouders vinden hem te vrijmoedig. Zij willen de spaarzame, serieuze Reinier Adriaensz en stemmen in als twee ouderlingen namens hem een aanzoek doen. Nu moet Reinier zelf met Zaartje contact maken, maar hij weet zich geen raad met zijn liefdesgevoelens. Zijn lichaam wil wel, maar zijn geest verzet zich. Zaartje gruwt van zijn bekrompenheid en drijft de spot met zijn gezapige taalgebruik:

Reinier
Hoe ist, nog tamelijkjes?

Zaartje
Dat gaat zo wel wat heen.

Reinier
Zo, zo. Vader en Moeder zijn ze nog wat hartelijkjes met ’r beijen?

Zaartje
Ja zo wat aan de knorrige kant, tussen lachen en schreien.

Reinier
Zo, zo; Vader het al een harde stoot ehad, is hij nou weer wat mooi op zijn stel?

Zaartje
Redelijkjes.

Reinier
Zo, zo; Moeder pleeg vrij wat doofachtig te wezen, hoe ist, hoort ze nou weer redelijk wel?

Zaartje
Dat ken wel gaan.

Reinier
Zo, zo, wat het ’t van dezen dag gestormd! En wat heeft de wind sterk en fel geblazen!

Na nog wat gebabbel begint Reinier over hen tweeën, maar Zaartje maakt meteen duidelijk dat ze niets voor hem voelt. Reinier vat dat op als een gunstig teken, want hij wil liever een geestelijk dan een lichamelijk huwelijk. Zaartje huivert bij het idee en raadt Reinier laxeermiddelen aan, zodat zijn ‘Geest’ in de vorm van winderigheid zijn lichaam kan verlaten. Háár geest getuigt en besluit nu dat ze hem niet meer wil zien. Met een laatste ‘zo, zo’ druipt de onhandige Reinier af.

Zaartje en Jan Klaaz verzinnen een list: Jan verkleedt zich als vrouw, solliciteert bij haar ouders als dienstmeisje en mag nu bij Zaartje op de kamer slapen. De volgende ochtend wordt het bedrog ontdekt, maar dan is Jan niet meer te passeren als bruidegom. Wie immers een bed deelt vóór het huwelijk moet daarna trouwen.

Uiteenlopende reacties op Jan Klaaz

Eind goed, al goed, zo lijkt het. Het stuk werd met luid gelach ontvangen, dat wil zeggen: buiten de doopsgezinde kring. De doopsgezinden waren een geïsoleerde groep binnen de protestantse kerk. Ze leefden volgens de idealen die Christus had uitgedragen: naastenliefde, vreedzaamheid en soberheid. Die soberheid contrasteerde echter met het beeld van doopsgezinden als succesvolle koopmannen, die in het straatbeeld herkenbaar waren aan hun kostbare (zij het vaak zwarte) kleding. Hierdoor was van doopsgezinden het stereotype ontstaan dat ze onbetrouwbaar en schijnheilig waren; met oneerlijke handel persten ze onschuldige mensen af en met hun religieuze principes namen ze het niet zo nauw. In de Republiek hadden religieuze minderheden het zwaar te verduren. Ze werden getolereerd, maar stonden bloot aan smaad en vernederingen.

Een reeks pamfletten volgde, zowel voor als tegen het stuk. Ze hadden allemaal ‘Zo, zo’ als leus – het stopwoordje van Reinier werd een hit in Amsterdam. Het stuk werd verboden, totdat Asselijn met succes betoogde dat hij geen specifieke personen of groepen bedoeld had. Hij had alle personages zelf verzonnen en algemene komische technieken gebruikt die Bredero en Hooft ook hadden toegepast. Er kwamen nog drie vervolgen over Zaartje en Jan, waarin Jan een oneerlijke zakenman blijkt en zijn huwelijk grandioos mislukt. Met dergelijke opmerkelijke wendingen wist Asselijn zijn bedenkelijke succes verder uit te melken.

Asselijn schreef nog veel meer toneelstukken, zowel komische als ernstige. Zijn grote talent lag bij het visualiseren, waarbij hij zich liet inspireren door de Spaanse comedias, die bekend stonden om hun visuele effecten. In zijn tragedies schuwde hij niet om gewelddadige scènes te verbeelden, geïnspireerd door het werk van zijn voorganger Jan Vos. Hoewel hij ook opzien baarde met Op- ende ondergang van Mas Anjello of Napelse beroerte (1668) en De dood van de graaven Egmond en Hoorne (1685) zelfs verboden werd, heeft hij het kassucces van Jan Klaaz niet meer geëvenaard.