Eleonora Carboniers

De eerste vrouwelijke sonnetschrijver

Veere, ? – Middelburg?, na 1584

Eleonora Carboniers was de dochter van Pieter Carboniers (gest. 1560?), burgemeester en rentmeester van de Zeeuwse stad Veere. Ze werd in 1550 verliefd op de Gentse schilder Lucas d’Heere (1534-1584), toen hij een portret van haar maakte. Ze wilden trouwen, maar de rijke familie van Eleonora zag een huwelijk met de schilder niet zitten. Na de dood van Eleonora's vader hadden de toenaderingspogingen van Lucas toch succes. De twee geliefden traden in het begin van de jaren 1560 in het huwelijk. Ze gingen in Gent wonen, waar Lucas als schilder succesvol werd. Toen de hertog van Alva in 1568 vanuit Spanje naar de Nederlanden werd gestuurd om het protestantisme en de Opstand de kop in te drukken, moest Lucas vluchten. Hij werd als aanhanger van het protestantisme uit het land gebannen en Eleonora volgde haar man. Samen trokken ze naar Engeland en vestigden ze zich in Londen. Lucas zette daar zijn carrière als schilder voort en werd er ook een belangrijk lid van de Nederlandse protestantse vluchtelingengemeenschap. In 1577 keerde Eleonora samen met Lucas naar Gent terug, maar dat was maar van korte duur. Vanwege de aanhoudende oorlog in Vlaanderen moesten ze opnieuw vluchten. In 1582 trokken ze weg, mogelijk naar Frankrijk of naar Zeeland. Lucas stierf in 1584. Wanneer Eleonora is gestorven, weten we niet. In oktober 1584 nam ze als weduwe nog deel aan het avondmaal van de protestante gemeente in Middelburg. Het is onbekend of ze als echtpaar ooit kinderen kregen.


Den hof en boomgaerd der poësien

Lucas was schilder, maar ook lid van de Gentse rederijkerskamer De Balsemblomme. Zoals andere rederijkers van zijn tijd was hij gefascineerd door nieuwe vormen van dichtkunst, zoals het sonnet, de ode, het epigram en de elegie. Dit soort gedichten waren al populair in Frankrijk en Italië voordat ze in de Nederlanden populair werden. Die dichtvormen horen bij wat we de ‘literaire renaissance’ noemen: de hergeboorte van de waardering van literatuur die in de klassieke Oudheid was ontstaan, of daarop geïnspireerd was. In 1565 publiceerde Lucas het resultaat van zijn eigen experimenten met deze nieuwe literaire vormen: Den hof en boomgaerd der poësien. Dit werk bestond uit gedichten die Lucas opdroeg aan personen die hij kende. Sommige gedichten waren geschreven in de nieuwe stijlvormen van de renaissance, maar er waren er ook die vormen hadden die de rederijkers zelf bedacht hadden, zoals het refrein. Eleonora droeg ook bij aan Den hof en boomgaerd der poësien. Ze was niet alleen het onderwerp van een sonnet en twee ‘amoureuze brieven’, maar ze schreef zelf twee gedichten voor de bundel: een vijfregelig gedicht als voorwoord bij het boek en een vertaling van een Frans sonnet. Daarmee is ze de eerste vrouwelijke dichter die een Nederlandstalig sonnet schreef en publiceerde. 


Sonet ghetranslateert

Het sonnet dat Eleonora in het Nederlands vertaalde, was van de hand van Lucas d’Heere zelf. De titel luidt: ‘Sonet ghetranslateert by d'huusvrouwe vanden Autheur, uut een Françoys sonet bi hem ghemaect op een schilderye van M. Willem Key t'Andwerpen: twee ghesellen spreken tsamen’. Dit was een gebruikelijke praktijk in de zestiende eeuw: eerst werd een gedicht in de nieuwe stijl van de renaissance in het Frans opgeschreven, daarna werd het nauwgezet in het Nederlands vertaald. Het thema van het gedicht is de schilderkunst als de perfecte nabootsing van de werkelijkheid. Dat onderwerp lag Lucas als schilder nauw aan het hart. Zoals de meeste renaissanceschilders, beschouwde hij het natuurgetrouw naschilderen van de werkelijkheid (schilderen ‘naar ’t leven’), als het hoogste goed. In het sonnet, dat de vorm heeft van een dialoog, kijken twee mannen (aangeduid als A en B) naar een schilderij van een vrouwelijk naakt, van de hand van de Antwerpse schilder Willem Key (1516-1568). De twee toeschouwers zijn zich niet bewust dat het om een schilderij gaat. Ze denken dat ze aan het loeren zijn naar een naakte vrouw. Pas wanneer ze dichterbij komen, voltrekt de volta of wending zich, zoals typerend voor een sonnet (regel 9). Ze beseffen dat de vrouw niet echt is, maar een prachtig uitgevoerd schilderij. 


A   Ai gezelleken wat is hier, daar voor u, ziet!             
     Ik zie ginder een naakte vrouwe zeer bekwame!        
B   Maar mij dunkt, zij en verroert haar weinig of niet.
     Slaapt zij? Neens, want ik zie open d'oogskens eerzame.

A   Van haar bij te komen niemand van ons en schame, 
     Want wie zou verschrikt zijn van dat gezichte klaar
B   Maar mij dunkt, van onze komst (naar den betame)     
     En verschiet zij niet, haar houdende stil eenpaar.        

A   AIs dat niet een goed stuk, aIs ik 't werde gewaar?     
     't Is schilderije, tast, wilt uw hand geloof geven! 
     Zijn wij niet wel bedot ende uitgestreken daar?         
B   Neen, neen, wij en zijn niet bedrogen tenegaar,         
      Hebbende voor een levende vrouwe beseven         
      De beelde die zo wel is geschilderd naar 't leven.       

Eleonora zal inhoudelijk niet veel hebben veranderd aan het Franse sonnet van haar man. De uitdaging lag er vooral in de vormtechnische aspecten van het Franse sonnet zo nauwkeurig mogelijk te vertalen naar het Nederlands. Het gedicht van Carboniers slaagt hierin met vlag en wimpel. Hoewel het sonnet van veertien regels in dialoogvorm is opgezet, blijft de traditionele indeling van octaaf (twee strofes van vier regels) en sextet (twee strofes van drie regels) overeind. Het rijmschema (abab bcbc cdc cdd) is wel onconventioneel voor het sonnet, maar is overeenkomstig met de andere Nederlandstalige sonnetten in Den hof en boomgaerd der poësien. Het lijkt erop dat zowel d’Heere als Carboniers voor de sonnetten een weloverwogen keuze maakten om de rijmklanken tussen strofen niet te scheiden, maar aaneen te schakelen (abab bcbc cdc cdd), een gebruikelijk rijmschema voor rederijkersrefreinen. Het doel van de bundel was immers nieuwe dichtvormen te introduceren in de Nederlanden, zonder daarbij de gevestigde rederijkersconventies volledig te negeren. 


Rijm

In het sonnet van Carboniers is het rijm doorgevoerd zoals het hoort bij een sonnet, namelijk afwisselend mannelijk ('ziet', 'niet') en vrouwelijk ('bekwame', 'eerzame'). Hier zien we ongetwijfeld de hand van de dichteres. Zij moest namelijk geschikte Nederlandse rijmwoorden vinden voor het Franse origineel, een hele klus. Ook heeft elke regel een gelijkblijvend aantal lettergrepen. Bij het mannelijk rijm telt de verslengte twaalf lettergrepen, bij het vrouwelijk rijm dertien. Dit noemen we isosyllabisch en het was een regel die over werd genomen van het Franse sonnet.


Waarom?

Nu is de vraag waarom Lucas juist dit gedicht van Eleonora in Den hof en boomgaerd der poësien opnam. Een vrouw die dichtte, dat was al opmerkelijk, maar dan ook nog eens een dichteres die sonnetten maakte – het soort gedichten waar doorgaans de mannelijke dichters in de Nederlanden zich nog niet eens aan waagden? Dat was ongezien. Lucas d’Heere stond er om bekend dat hij zijn vrouwelijke kennissen aanmoedigde te publiceren wat ze schreven. In twee andere gedichten (‘An d'excellente Roseane Poëtersse residerende te Dendermonde’ en ‘an een excellente gheleerde dochtere’) uit Den hof en boomgaerd der poësien doet hij hen het verzoek dat te doen. Door zijn vrouw een gedicht te laten schrijven als voorwoord voor Den hof en boomgaerd der poësien, liet hij ook aan zijn lezers zien dat de bundel zowel voor vrouwen als voor mannen bedoeld was en dat vrouwen wel degelijk konden schrijven. Dat Eleonora dan ook nog een van de sonnetten schreef (zij het in vertaling), versterkte dat idee.

Wat ook opmerkelijk is, is de keuze voor juist dit sonnet. In het sonnet worden twee mannen beetgenomen: zij verwachten een naakte vrouw te zien, maar beseffen later dat ze naar een afbeelding kijken die de realiteit perfect nabootst. De lezers van toen werden net zo beetgenomen als de mannen in het sonnet. Ze verwachtten niet dat een vrouw dit sonnet zou schrijven, maar het gebeurde toch. En toen het eenmaal gebeurd was, was het sonnet niet te onderscheiden van andere sonnetten in de bundel die wél door mannen geschreven waren. Eleonora bewees dat haar vertaalde sonnet misschien wel een nabootsing was, maar dan wel eentje die niet te onderscheiden was van de andere sonnetten uit de bundel.