Vroomheid aan de IJssel

Geert Grote uit Deventer was de leidende kracht achter de Moderne Devotie. Het boek nam bij deze beweging een erg belangrijke plaats in.

Ergens rond 1380 stormde het hevig op de Zuiderzee. Geert Grote stond doodsangsten uit toen het bootje waarmee hij de oversteek maakte, door golven overspoeld werd. Hoewel hij groot gevaar liep, maakte hij zich vooral zorgen om zijn boeken die nat dreigden te worden, zo schrijft hij in een brief nadat hij weer veilig aan land is gekomen. Over zijn eigen leven bekommerde hij zich veel minder. Grote was niet zomaar voor zijn plezier op reis. Hij trok rond door Holland en Utrecht als boeteprediker. Overal waar hij kwam riep hij de mensen op hun leven te veranderen. Ze moesten het voorbeeld van Christus volgen, eenvoudig leven en alle rijkdom overboord zetten. Geert Grote wist wat dat betekende.

Geert Grote, een burgemeesterszoon uit Deventer, was op zijn tiende wees geworden. Toch kreeg hij een goede opleiding en hij begon aan een mooie loopbaan. Op zijn eenendertigste werd hij ernstig ziek en dat veranderde zijn leven op slag. Hij ontdekte dat materiële rijkdom niets waard is en stoorde zich aan de weelde waarin veel geestelijken leefden. Hij bekeerde zich en vanaf dat moment begon er een nieuw leven.

Hij deed afstand van vrijwel al zijn bezit, en stelde zijn ouderlijk huis in Deventer beschikbaar voor vrome vrouwen die hun leven aan God wilden wijden. Deze ‘zusters van het gemene leven’ deelden hun bezit, deden eenvoudig werk om aan de kost te komen, en hielden zich verder bezig met gebed en meditatie. Geert Grote zelf trok nu rond om te preken.

De preken van Geert Grote maakten veel indruk en allerlei mensen sloten zich bij hem aan. Eerst waren het er maar een paar - Johannes Brinckerinck, die samen met hem rondtrok, en de vrome vrouwen die zijn huis in Deventer bewoonden - maar na verloop van tijd werd het een echte beweging: de Moderne Devotie.

Na Geerts vroege dood in 1384 sloten zich steeds meer mensen aan bij de beweging. Er werden op allerlei plaatsen zusterhuizen gesticht, eerst in de directe omgeving van Deventer, later ook in Holland, Utrecht en het Rijnland. Niet veel later ontstonden ook de eerste huizen waar broeders van het gemene leven samenwoonden. Net als de zusters kwamen de broeders aan de kost door eenvoudig werk te verrichten. Ook hielden ze zich bezig met het geven van onderwijs op stadsscholen. In Zwolle gebeurde dat bijvoorbeeld door Dirc van Herxen. Hij leerde de jongens lezen en schrijven en maakte vrome liedjes zodat ze de wereldse liederen die op straat werden gezongen zouden vergeten.

Al gauw kreeg de beweging van Meester Geert een grote omvang en in 1387, drie jaar na de dood van Geert Grote, werd in Windesheim, vlak bij Zwolle, een klooster gesticht. Daar golden de regels van het kloosterleven, die een eeuwenlange traditie kenden in de christelijke kerk.

En zo werd de beweging die aan de IJssel was ontstaan, opgenomen in de officiële kerkelijke structuur. Het Kapittel van Windesheim, zoals deze tak werd genoemd, breidde zich snel uit en kende zowel mannen- als vrouwenkloosters. Het klooster voor adellijke vrouwen in Diepenveen bij Deventer is bekend door de beschrijving van het leven van verschillende nonnen (het zusterboek van Diepenveen), waardoor we een goed beeld krijgen van het leven dat die vrouwen leidden. Maar de bekendste Windesheimer was Thomas van Kempen (circa 1380-1471). Zijn boek over de Imitatio Christi, de navolging van Christus, is eeuwenlang een echte bestseller geweest.

Opvallend binnen de Moderne Devotie was de omgang met boeken: de zusters en meer nog de broeders van het gemene leven lazen veel geestelijke teksten en wel in de eerste plaats de bijbel. En terwijl ze lazen, schreven ze stukken over en maakten ze korte notities over wat ze gelezen hadden om alles nog eens goed te kunnen overdenken. Een boekje met dergelijke aantekeningen heet een rapiarium, dat zoiets als samenraapsel betekent. Ook kopieerden de broeders en zuster boeken, vaak voor eigen gebruik, maar ook wel voor anderen. Bijbels, gebedenboeken en allerlei andere vrome teksten werden met de grootst denkbare nauwkeurigheid overgeschreven. Dit kopiëren werd gezien als een goede bezigheid om alle aandacht op God te richten. Wie schreef kon zijn gedachten niet laten afdwalen en bleef dus uit de klauwen van de duivel.

Geert Grote had zelf het voorbeeld gegeven waar het de omgang met boeken betreft. Voor hem waren ze enorm belangrijk. ‘Ik jaag als een vrek op boeken’ schreef hij eens in een brief aan Jan van Ruusbroec. Lezen en schrijven waren voor hem altijd al belangrijk, ze vormden een goede manier om met Gods woord om te gaan. Aan het einde van zijn leven raakte Geert Grote opnieuw in moeilijkheden. Hij kreeg een preekverbod omdat zijn meerderen vonden dat hij te fel van leer trok tegen misstanden in de kerk.

Geert Grote trok zich terug om te mediteren en te schrijven en hij schreef zijn voornaamste boek: de vertaling van het getijdenboek, dat is het belangrijkste Latijnse gebedenboek in de middeleeuwse kerk. Hij vond namelijk dat de tekst ook toegankelijk moest zijn voor mensen die geen Latijn kenden. Deze vertaling bleek een groot succes en er zijn nog zeker duizend handschriften bewaard waarin ze voorkomt. De boeken zijn vaak prachtig geïllustreerd en vormen de opvallendste getuigen van de vrome beweging die begon met een burgemeesterszoon uit Deventer.


Daya Dierkens, een strenge kloosterzuster

In de vijftiende eeuw stond het klooster Diepenveen (bij Deventer) bekend als een van de godvruchtigste vrouwenstichtingen van Noordwest-Europa. Nonnen uit Diepenveen werden overal gevraagd om andere zusters te leren hoe het waarachtige kloosterleven moest worden geleefd. Daya Dierkens († 1491) werd met twee anderen uitgezonden naar het benedictinessenklooster in Hilwartshausen in Duitsland, waar het met de kloostertucht slecht gesteld was. Zuster Daya kreeg de leiding over de school en probeerde bij de toekomstige nonnetjes van Hilwartshausen de basis voor een oprechte innerlijke hervorming aan te brengen.

 

Sie leerde ende dwanck die kinder seer wal, also dat sie inden choer gengen als engelen. Het gevyel eens in den vastelavent dat suster Dayken van den kinderen wat gegaen was. Doe hadden hem die kinder geerne wat vermaket ende bestonden yoe een luttel toe springen ende toe dansen. Ende dit sach een suster ende sanck den kinderen wat. Doe sprongen die kinder wat sie lijves hadden. Ende als suster Dayken weder quam ende dit sach, soe waert sie bedrucket ende clagede dit mater. Ende dit waert den armen kinderen soe swaerlijc ende scharpelijc of genamen dat sie nummer hoer leven en begeerden bet toe dansen, want die penytenciën die sie daer voer doen mosten en nam gien eynde.

Als suster Dayken merckte dat hoer kinder hoer oghen niet wal en waerden, soe bant sie hem die oghen toe myt een doexken. Soe weren die kinder beschemt ende stonden dan ende schreyden, dat dat doexken nat waert. [...] Suster Dayken bedwanck hoer kinder alte wal myt mennygerhande oefenynge ende penytenciën. Sie was hoer rechte trouwe in dat geen dat soe bevalen was ende seer strenge hoer selven.

Zij onderwees de kinderen goed en zette ze volkomen naar haar hand, zodat zij, eenmaal koorzuster geworden, als engelen het koor betraden. Het gebeurde eens op vastenavond dat zuster Dayke even bij de kinderen was weggelopen. De kinderen wilden een beetje plezier maken en begonnen te dansen en te springen. Een zuster die dit zag, zette een lied in. Daarop begonnen de kinderen te hossen zo hard ze konden. Toen zuster Dayke terugkwam en het tumult aanschouwde, deed dit haar veel verdriet, en zij beklaagde zich bij de priorin. Deze rekende de kinderen hun wangedrag ten zeerste aan en legde hen een zo zware penitentie op dat zij hun leven lang geen lust tot dansen meer gevoelden.

Als zuster Dayke merkte dat de kinderen afdwaalden met hun ogen, bond zij hen een blinddoek voor. De kinderen schaamden zich hiervoor en begonnen dan te huilen, waardoor de blinddoek nat werd. [...] Zuster Dayke zette de kinderen op meesterlijke wijze naar haar hand met behulp van allerlei straffen en penitenties. Zij vervulde met grote trouw de taken die haar waren opgedragen en was bijzonder streng voor zichzelf.

Na een aantal jaren schoolmeesteres van Hilwartshausen te zijn geweest, mocht Daya Dierkens weer naar Diepenveen terug. Ook daar leidde zij de kloosterschool, totdat zij in 1472 door haar medezusters als priorin werd gekozen. Zes jaar hielden de zusters van Diepenveen het onder haar leiding vol, maar in 1478 kozen zij een nieuwe priorin. Daya Dierkens was hun te streng.