Middelnederlands in 10 lessen

Les 1: Inleiding

Middelnederlands: zo noemen we het Nederlands uit de periode van 1200 tot 1500. Driehonderd jaar is een lange tijd, en het oudste Middelnederlands uit de 13de eeuw ziet er dan ook bepaald een beetje anders uit dan het late Middelnederlands van de 15de eeuw. Maar belangrijker is dat er in die tijd nog geen overkoepelende standaardtaal bestond. Eigenlijk alleen maar de dialecten. Een standaardtaal is pas veel later ontstaan.

Dat betekent dat in Middelnederlandse teksten de woorden overal een beetje anders zijn: net zo gevarieerd als tegenwoordig in de verschillende streektalen. In Brugge schrijft men Brugs, in Gent Gents, in Limburg Limburgs en in Holland Hollands. Wat in de ene tekst een rig heet, is elders een rug. En de gracht van sommige streken wordt ergens anders dan weer een graft genoemd, en solen is hetzelfde als sullen en selen.

't Is lastig bij het opzoeken in een woordenboek, maar het went. In die tijd zelf zijn trouwens geen woordenboeken gemaakt; dat is pas later gedaan. Een Middelnederlands woordenboek bestrijkt dus niet één homogene taal, maar een hele reeks varianten. Het Middelnederlands is een verzamelterm.

Als je er even over nadenkt, is ook wel te begrijpen dat het moeilijk anders kon zijn. In de late middeleeuwen waren het graafschap Vlaanderen en het hertogdom Brabant nog aparte staten, net als Holland, Limburg en Utrecht (zie ‘De Nederlanden in kaart’). Vanuit Vlaanderen gezien was Brabant nog buitenland, voor de mensen van Holland is Utrecht een vijandige buurstaat. Kortom: er viel taalkundig nog weinig te overkoepelen.

Het is pas later als onder de Bourgondiërs en de Oostenrijkers de Lage Landen meer en meer een eenheid gaan vormen, dat er ook behoefte komt aan een overkoepelende standaardtaal. En die ontwikkelt zich dan ook, naast en boven de dialecten.
Intussen zijn er wel trends en gewoontes. In de 13de eeuw is Brugge veruit de belangrijkste stad. Meer dan de helft van alle teksten die van voor 1300 zijn overgeleverd, komt uit Brugge. In de 14de en de 15de eeuw gaan ook de Brabantse en de Hollandse steden een partijtje meeblazen en wordt het belang van Brugge naar verhouding minder. Ook in de taal zien we dat: in de 13de eeuw geeft Brugge de toon aan; in de 14de en de 15de eeuw staat het Brabants vooraan.

Als we nu proberen iets over ‘het’ Middelnederlands te zeggen, dan is dat zoiets als een grootste gemene deler: we zullen niet ingaan op de verschillen tussen 1250 en 1490, en ook niet op de verschillen tussen het Westvlaamse Middelnederlands en het Limburgse Middelnederlands. Men moet dus niet vreemd opkijken als een en ander in een tekst net een beetje anders is.

In les 10 worden enkele boeken, cd-roms en websites genoemd voor wie meer wil weten over het Middelnederlands. Maar pas op: het meeste is geen eenvoudige kost. De beste manier om in het Middelnederlands thuis te raken is nog altijd: lees eerst een paar boeken uit die tijd. Bijvoorbeeld de Ferguut , de Karel ende Elegast . Of Reinaert de Vos , of De reis van Sint Brandaan.

Prachtige verhalen, en er bestaan uitstekende edities met goede verklarende noten. Maar bekommer u in het begin niet te veel om die noten: lees maar voort, en als het verhaal u te pakken heeft, gaat u vanzelf verder.


Les 2: Spelling

Wij zijn gewend aan een officiële spelling. Bijna iedereen schrijft zo. Er bestaan hier en daar minimale afwijkingen, zoals in apotheek en apoteek, en een enkeling houdt vast aan zijn pannekoeken. Maar je mag gerust zeggen dat wij tegenwoordig allemaal hetzelfde schrijven. En we vinden dat ook erg belangrijk. In een ver verleden dacht men er anders over.

Zeker in de middeleeuwen heerste op dit punt grote vrijheid. Menig woord werd op allerlei manieren geschreven, en soms zien we op dezelfde bladzijde verschillende schrijfwijzen. Waar dan nog bijkomt, dat men in feite dialect schreef: verschillende klanken leidden ook tot verschillende manieren van schrijven.

Ook dit maakt het hanteren van een Middelnederlands woordenboek er niet eenvoudiger op. Een woord als maagd werd soms als maghet geschreven, soms als maegt, maar ook wel eens als meget, magt, maget, magd, mecht of nog weer anders.

IJzeren consequentie werd dus niet als een speciale deugd gezien. Maar belangrijker verschil tussen onze manier van spellen en die uit de Middelnederlandse tijd is dat men vroeger veel meer de klanken probeerde weer te geven dan wij doen.
Logisch, als je bedenkt dat men niet stil las zoals wij, maar half mompelend half hardop. Bijvoorbeeld: omdat de slotklank van paard als een -t- klinkt, schreef men ook dikwijls pert (part, peert, paert). De beste manier om Middelnederlands te lezen, is dan ook zoals de mensen het toen deden: hardop. Als het schriftbeeld er op het eerste gezicht erg vreemd uitziet, wordt de tekst dikwijls duidelijk bij hardop lezen.

Doordat men eerst en vooral de klanken weergeeft, kan het vaak gebeuren dat men woorden die samen uitgesproken worden, ook aaneenschrijft. In de Reinaert spreekt Tybeert bijvoorbeeld: Dats over menich jaer ghesciet. Zonder moeite herkennen we dats als ‘dat is’. Iets lastiger is al Mochtire an winnen, voor ‘Mocht hi er an winnen’. Maar ook hier geldt dat hardop lezen veel kan oplossen.

Een stapje verder gaat al de vraag van Bruun als hij bij Reinaert voor de poort staat en zegt: Sidi in huus Reynaert? Hier staat sidi voor ‘sijt gi’, wat trouwens in verschillende dialecten nog steeds zo gezegd wordt (sidi, of side). De combinatie van ende die wordt vaak tot entie; te dezen wordt tot tezen; wildet ghi 'ne wordt tot wildine, enz. enz. In de wetenschap noemt men zulke samenvoegingen ‘enclisis’.

Ten slotte is nog van belang om te weten dat men de letters had leren kennen via het Latijn. Ons alfabet is ontleend aan het Romeinse schrift. Voor het Latijn was dat alfabet perfect geschikt, maar voor het Nederlands niet echt. Met name kent het Nederlands meer klanken, zodat men letters te kort kwam. Daarom waren aanpassingen noodzakelijk.

Het Romeinse alfabet kende alleen een I (i), en pas in de loop van de tijd is men i en j gaan onderscheiden. Vooral in het vroege Middelnederlands is daar slechts één teken, en we lezen dan ook vaak iaer (‘jaar’), ionst (‘gunst’) en ionc (‘jong’). Het onderscheid tussen u en v is eveneens een latere uitbreiding van het Romeinse alfabet. Aanvankelijk schreef men ook wel uele (‘vele’), vte (‘ute: uut: uit’) en louen (‘loven’). Ook de w bestond in het Romeinse alfabet niet, zodat we in de spelling van het Middelnederlands soms uuel (‘wel’) tegenkomen, en uuater of vvater. In navolging van de Latijnse traditie werd dikwijls c voor k geschreven: ic, copen, coninc.

En voorts werd in het Latijn geen onderscheid gemaakt tussen zg. ‘lange’ en ‘korte’ klinkers, zodat ook daarvoor een oplossing gezocht moest worden. Soms gebeurde dat zoals nu door klinkerverdubbeling (groot, waar), maar vaker door er een -e- of -i- achter te plaatsen: groet (‘groot’), wair (‘waar’). In feite is onze -ie- daar nog een laatste restje van, omdat we nu wel waar, veel, groot en zuur schrijven, maar niet biit doch biet.


Les 3: Naamvallen

Het Middelnederlands kende nog naamvallen. In het Duits is dat tegenwoordig nog zo, maar in het Nederlands en het Engels zijn die naamvallen in later tijd verdwenen.

Naamvallen zijn: verschillende vormen van een woord waarmee de functie in de zin wordt aangegeven. Men onderscheidt vier verschillende naamvallen: de eerste naamval of nominativus, de tweede (genitivus), de derde (dativus) en de vierde (accusativus).

De eerste naamval of nominativus duidt meestal aan dat het woord onderwerp is van de zin. Zo lezen we bijvoorbeeld die coninc wart herde gram (‘de koning werd erg boos’). En zo ook: die knape quam tote in die zele gereden (‘de knaap kwam tot in de zaal gereden’). En: thuus was wel wijt (‘het huis was heel ruim’).

De tweede naamval of genitivus werd onder andere gebruikt om bezit aan te duiden: des coninx sone levede .xl. iaren (‘de zoon van de koning leefde veertig jaar’); die porte des borgs was iserijn (‘de poort van de burcht was van ijzer’). Of met een vrouwelijk woord: der maghet moder (‘de moeder van het meisje’); an den hals ere (=ener) liebaerdinne (‘aan de hals van een leeuwin’).

De derde naamval of dativus wordt gebruikt voor wat wij het ‘meewerkend voorwerp’ noemen. We zien die gebruikt worden in den coninge hulde brenghen, en also dat dit den stedehouder van Hollant the kennen gegheven wert In de laatste zin zien we dus aan de vorm den stedehouder meteen dat niet de stadhouder iets te kennen geeft, maar dat er iets ‘aan de stadhouder’ te kennen wordt gegeven.

Ten slotte de vierde naamval of accusativus: dat is de naamval voor het lijdend voorwerp: hi sach den coninc, die vrowe, dat broot. Ook na voorzetsels gebruikte men een derde of een vierde naamval.

Tot zover is er, afgezien van de naamvalsuitgangen, eigenlijk weinig verschil met het tegenwoordige Nederlands. Bij nader toezien zijn de verschillen echter groter. Tegenwoordig gebruiken we veel meer voorzetsels (juist omdat er geen naamvallen meer zijn).

In het Middelnederlands werd juist veel met die naamvallen gedaan. Zo lezen we in een oud bijbels verhaal: Doe ginc Ihesus in een schep dat Peters was. Wij zouden zeggen: ‘dat van Petrus was’, maar destijds volstond de genitivus Peters. In de Reinaert zegt iemand: Uwes goets raets hebbet danc, wat wij zouden weergeven met: ‘hebt dank voor uw goede raad’. Letterlijk staat er: ‘van, vanwege uw goede raad’. En Ruusbroec schrijft in een van zijn geschriften: Heere ic hebbe ghesondicht, ontfermt myns, arms sondichs menschen. Dat wil zeggen: ‘ontferm (u) over mij, arm zondig mens’.
Andere toepassingen van de genitivus zien we in: ghetrects sweerts (‘met getrokken zwaard’); dat nieman sijns dancs die doot sal anvaen (‘dat niemand vrijwillig de dood zal aanvangen, d.w.z. vrijwillig sterft’). En dies dancti gode (‘daarvoor dankte hij God’).

Ook de derde naamval of dativus werd vaker gebruikt dan bij ons een meewerkend voorwerp. In hetzelfde bijbelverhaal lezen we bijvoorbeeld: Doe ontfarmde din here sijns knechtts ende lieten gaen. Er staat letterlijk: ‘toen ontfermde aan die heer over (of: vanwege) zijn knecht en liet hem gaan’. Hier is din here niet het onderwerp van de zin (anders had er die here gestaan), maar veeleer iets als: ‘aan die heer was ontferming’. Merk ook de enclisis op in lieten uit liet 'm.

Sterke en zwakke verbuigingen

Sterk

  mannelijke woorden vrouwelijke woorden onzijdige woorden
Nom. ev: die cleine worm die cleine daet dat cleine broot
Gen ev: des cleins worms der cleiner daet des cleins broots
Dat ev: den cleinen worme der cleiner daet den cleinen brode
Acc ev: den cleinen worm die cleine daet dat cleine broot
Nom mv: die cleine worme die cleine dade die cleine brode
Gen mv: der cleiner worme der cleiner dade der cleiner brode
Dat mv: den cleinen wormen den cleinen daden den cleinen broden
Acc mv: die cleinee worme die cleine dade die cleine brode

 

De eerste oftewel ‘sterke’ verbuiging zien we het meest. Maar woorden die op -e eindigen, vertonen doorgaans een andere verbuiging, die men dan de ‘zwakke’ verbuiging noemt:

Zwak

  mannelijke woorden vrouwelijke woorden onzijdige woorden
Nom ev: die cleine hane die cleine wonde dat cleine beelde
Gen ev: des cleins hanen der cleiner wonden des cleins beelden
Dat ev: den cleinen hane der cleiner wonden den cleinen beelde
Acc ev: den cleinen hane die cleine wonde dat cleine beelde
Nom mv: die cleine hanen die cleine wonden die cleine beelden
Gen mv: der cleiner hanen der cleiner wonden der cleiner beelden
Dat mv: den cleinen hanen den cleinen wonden den cleinen beelden
Acc mv: die cleine hanen die cleine wonden die cleine beelden

Les 4: Voornaamwoorden

Bij de voornaamwoorden zien we veel dat tegenwoordig nauwelijks anders is. Voor de eerste persoon is het ic, voor de derde persoon hi, si en het (‘hij, zij, het’), en in het meervoud wi (‘wij’) en weer si (‘zij’).

Verschillen zitten 'm vooral in de tweede persoon. Voor tweede persoon enkelvoud gebruikte men du: du best ghecomen al te spade (‘je bent te laat gekomen’); Reinaert, wat aetstu, wat? (‘Reinaert, wat at je?’). Voor het meervoud gebruikte men ghi. Dat is, zeg maar, de voorloper van het tegenwoordige gij of ge. In het Middelnederlands is het eerst en vooral meervoudsvorm. Daarnaast werd het ook gebruikt als beleefdheidsvorm. En zo is het in later tijd enkelvoud geworden (en verdween het oude enkelvoud du).

Ook de voornaamwoorden hebben naamvalsvormen. Dat zijn, onderscheiden naar enkelvouds- en meervoudsvormen:

ev
Nom ic, du, hi, si, het
Gen mijns, dijns, sijns, harer, 'es
Dat mi, di, hem/hen/'n, haer, hem
Acc mi, di, hem/hen/'n, haer/se, het/'t

mv
Nom wi, ghi, si
Gen onser, uwer, haer/'re
Dat ons, u, hem/hen/'n
Acc ons, u, hem/hen/'n

Zo schrijft Ruusbroec over zijn mystieke ervaringen met God: Ic wone in di ende du leves in my. En ook: si seiden alle, dat si souden sijns ghedincken in haer ghebede. En ergens anders lezen we: --onser ne gheen canse verhoghen, dat is: ‘geen van ons’.

Als aanwijzende voornaamwoorden gebruikte men onder andere die en dat. Maar die werden ook als lidwoord gebruikt. Eigenlijk moeten we zeggen dat het Middelnederlands nog geen apart lidwoord had. Die coninc is, afhankelijk van de context, meestal te vertalen als ‘de koning’, en dat huus meestal als ‘het huis’.

Belangrijk is dat het woord zich aanvankelijk nog niet voorkomt. Het is pas in de loop van de Middelnederlandse periode ontleend aan het Duits, en eerlijk gezegd in de meeste dialecten nog steeds niet erg doorgedrongen. Wanneer we dus in de Ferguut lezen Die here riep te hem twee knapen, dan moeten we dat opvatten als: ‘de heer riep twee knapen bij zich’. Of in een theologisch werk: daer haer die verborghene waerheit sonder middel openbaert, d.w.z. ‘waar zich de verborgen waarheid zonder middel openbaart’.

Bij de bezittelijke voornaamwoorden is het meeste wel duidelijk. Alleen moeten we verdacht zijn op dijn, voor tweede persoon enkelvoud. Dat hoort dus bij du. Als in een bijbelverhaal verteld wordt hoe Jezus tegen de apostelen zegt dat ze de visnetten aan de andere kant van de boot moeten uitwerpen, staat er nochtan om dijns gebods wille so salic noch mijn nette werpen, dus: ‘omwille van jouw gebod’.

Een ander verschil met tegenwoordig is dat haer niet enkel van vrouwen en meisjes wordt gezegd, maar evengoed van mannen: [Daarom] willic u alhier ter steden segghen, wie de graven waren, de Hollant in haren jaren hadden onder haer bedwanc.

Een combinatie als wie so of so wie betekent: ‘al wie’. En zo lezen we in Melis Stoke's Rijmkroniek: Dus wan grave Willam tlant, ende wie so hem was viant, die brac hi of huus ende veste (‘die, d.i. bij hem, brak hij huis en vesting af’).


Les 5: Werkwoorden

Bij de werkwoorden moeten we bedacht zijn op de zogenaamde aanvoegende wijs. Tegenwoordig is daarvan bijna niets meer over, of het moesten versteende vormen zijn zoals ‘Leve de koning’, en ‘Men neme twee eieren’.

Maar in het Middelnederlands wordt die aanvoegende wijs nog volop gebruikt, al is die reeds beperkt tot de derde persoon enkelvoud. Meestal wordt er een wens of een aansporing mee uitgedrukt, of iets dat niet het geval is. Bijvoorbeeld in de woorden van Ferguut: Sloegicken doet, ic dade sende, d.w.z. 'als ik hem doodsloeg, zou ik zonde doen’. Zo ook: God neme die ziele in sijnre macht.

We hebben zojuist de woorden van Ferguut Sloegicken doet, ic dade sende vertaald met 'als ik hem doodsloeg'. Dat brengt ons op een ander punt. Namelijk zinnen die beginnen met het werkwoord (hier: sloeg), en die een voorwaarde uitdrukken. Zoiets is tegenwoordig ook nog wel mogelijk (Komt hij niet, dan eten we alles op), maar meestal gebruiken we nu toch een zin met als: Als hij niet komt, ... In het Middelnederlands bestonden eveneens de beide mogelijkheden, maar in de praktijk gebruikte men destijds toch meestal een zin met het werkwoord vooraan. Heel veel vaker dan tegenwoordig. Zie bijvoorbeeld de vaderlijke woorden van koning Artur tot de vechtlustige Ferguut: Neen vrient, het waer quaet gedaen, wildine hier vore ons allen slaen. Dat is te vertalen met: 'als ge hem hier voor ons allen wilde slaan' (wildine is een enclisisvorm voor: wildet ghi 'ne; zie les 2).

Het werkwoord staat in het Middelnederlands nogal eens op een plaats waar we het niet zouden verwachten. Zo zei men bijvoorbeeld in de vraag van onnozele Bruun aan Reinaert: Waendi dat ic bem onvroet? , waar wij zouden zeggen: 'denkt ge dat ik onwijs ben?' Vooral in het oudste Middelnederlands is dat schering en inslag: ende streetse doe met crachte an, sodat si hem gaven ghevaen: 'zodat zij zich gevangen gaven'. En: Ende alse dat sagen de IJoden, so begonsten si te murmurne: 'en toen de Joden dat zagen'. En: Wiltu mi volgen an, so verloochene dijns selves dan: 'Wil je mij navolgen, verloochen dan jezelf'.

Voorts werd er druk gebruik gemaakt van de zogenoemde 'tegenwoordige deelwoorden' (pratende, zittend, enz.), wat tegenwoordig veel minder het geval is. Bijvoorbeeld in Deghene moet voert ane wassende sijn ende ic mindrende, waar wij zouden zeggen: 'hij moet voortaan groeien en ik minder worden'. En: Ende deghene die buten steet, hi sal bliuen roepende ende cloppende vor die dore: 'en degene die buiten staat zal blijven roepen en kloppen op de deur'. En: in crude ende in allen dinghen die inder eerden wassende sijn: 'in planten en alles wat op aarde groeit'.

En ten slotte: voltooide deelwoorden hebben nog niet altijd ge-. Zo zei men nog hi es comen, en si en hevet niet vonden / Ende deghene die buten steet, hi sal bliuen roepende ende cloppende vor die dore: 'en degene die buiten staat zal blijven roepen en kloppen op de deur'. En:in crude ende in allen dinghen die inder eerden wassende sij: 'in planten en alles wat op aarde groeit'.

Vervoegingen

Regelmatig zijn werkwoorden als wonen en geven:
Tegenwoordige tijd, Verleden tijd,
ic wone/woon, ic woonde,
du wones/woons, du woondes,
hi woont, hi woonde,
wi wonen, wi woonden,
ghi wonet/woont, ghi woondet,
si wonen, si woonden,

Tegenwoordige tijd, Verleden tijd
ic geve/geef, ic gaf
du geves/geefs, du gaves/gaefs
hi gevet/geeft, hi gaf
wi geven, wi gaven
ghi gevet/geeft, ghi gavet/gaaft
si geven, si gaven

Onregelmatig is het werkwoord sijn:
Tegenwoordige tijd, Verleden tijd
ic ben/bem, ic was
du best, du waers
hi is, hi was
wi sijn, wi waren
ghi sijt, ghi waert
si sijn, si waren

Voor 3e persoon enkelvoud bestaat ook een aanvoegende wijs: hi wone, hi geve, hi gave, hi sij, enz.


Les 6: Ontkenningen

De normale manier van ontkenningen maken in het Middelnederlands is met en of ne voor het werkwoord, en niet, nooit, niemand, enz. elders in de zin. In sommige dialecten gebeurt dat tegenwoordig trouwens nog steeds zo. Net als in de Franse schrijftaal. Maar het is niet door Franse invloed ontstaan, want alle Germaanse talen maakten vroeger zo hun ontkenningen, ook het Engels en het Duits.

Men zei dus bijvoorbeeld Reynaert, ne sorghet niet (‘Reinaert, wees niet bezorgd’). En: Wi en moghense niet begripen. En zo ook: Hine waende nemmermeer ontgaen (‘hij dacht nooit meer te ontkomen’); Hine dorste bliven no vlien (‘hij durfde niet blijven en niet te vluchten’); mar sine hadden en gheen kint, omdat Elisabet ondrechtech was (‘maar ze hadden geen kind, omdat Elizabeth onvruchtbaar was’); Nye en maecte God so leelic dier (‘nooit maakte God zo'n lelijk dier’).

Wanneer men met nadruk wilde zeggen dat iets echt helemaal niet het geval was, niks niemendal, geen bal, geen biet, dan beschikte ook het Middelnederlands over een keur van versterkingen van de ontkenning: niet omme enen canele, niet een riet, niet .i. bottoen (letterlijk: ‘geen bloemknopje’), niet een stro, niet een twinc (letterlijk: ‘geen oogwenk’), en nog vele andere.

Een beetje lastig soort zinnen, althans voor ons, want de middeleeuwer had er geen moeite mee, is: Ic salre varen, in blive doet (in is de samensmelting van ic en). We vertalen: ‘ik zal erheen gaan, als ik er niet in dood blijf’, d.w.z. tenzij ... (Of ook wel: ‘Ik zal erheen gaan, of ik moest erin dood blijven’). Hetzelfde zien we in: Nieman en mach riddere touwen hine si ridder: ‘niemand mag tot ridder slaan, of hij moest zelf ridder zijn’, d.w.z. ‘tenzij hij zelf ridder is’. En over de ongelovige Sint Brandaan, die een boek vol wonderverhalen in het vuur smeet, wordt gezegd: Hi en wilde no hi en mochte dies emmer niet gheloven, hi en saecht met zinen oghen (‘hij wilde en hij kon het maar niet geloven, of hij moest het met eigen ogen zien’). Daar kreeg Brandaan later spijt van, want voor straf moest hij van God een lange en gevaarlijke reis maken, om al die wonderen van God met eigen ogen te gaan aanschouwen, en ze weer op te schrijven, ter vervanging van het verbrande boek.


Les 7: Zelfstandignaamwoordgroepen

Wij zijn gewoon dat een bijvoeglijk naamwoord steeds voor het zelfstandige naamwoord staat. We zeggen dus: een mooie bloem, een oude fiets en het slechte weer. In het Middelnederlands kon dat ook, maar destijds stond het bijvoeglijke naamwoord ook dikwijls erachter, zoals in: Maria die maghet soete. Evenzo lezen we soms: hi hadde omme heme den mantel diere (‘hij had de kostelijke mantel om’), en Nu hort vanden verraders fel (‘hoort nu over de gemene verraders’).

Waren er twee bijvoeglijke naamwoorden, dan stond er soms eentje voor en eentje achter het kernwoord: Hi was een scone man ende groet, d.w.z. ‘hij was een knappe en grote man’. En: want menre wreet volc ende sterc in vant, ‘want men vond er wreed en sterk volk’. Of ze stonden allebei erachter: Beneden der woestinen lach een berch hoech ende lanc: ‘aan het einde van de woestenij lag een hoge en lange berg’. En Melis Stoke vertelt over een van de Hollandse graven: Dese Dideric goed ende wert had een wijf, heet Hildegaert: ‘deze goede en brave Diederik had een vrouw die Hildegard heette’.

De genitivus of tweede naamval kon zowel voor als achter het kernwoord staan: je had dus zowel des coninx bode en des spapen wijf, als den inghel Gods en zonder oorlof des keysers van romen (‘zonder toestemmning van de keizer van Rome’).

Ook het bezittelijke voornaamwoord kon wel achter het zelfstandige naamwoord staan: Dat seghet mi tghelove mijn (‘dat zegt mijn geloof me’) en Het sal mi seker leet sijn, nemt men die cleder mijn (‘het zal me zeker spijten, als men mijn kleren wegneemt’). (Wat betreft nemt: zie les 5).

Iets wat nu niet meer voorkomt maar destijds heel gewoon was, is een combinatie als een sijn swert, voor ‘een van zijn zwaarden’. Zo ook een zijn maech (‘een van zijn familieleden’), en Vrint, leene mi drie broet, want een mijn vrint es comen ouer mi, ende ine hebbe nit dat ic hem moghe vore leggen. Ook hier vertalen we met ‘een van mijn vrienden’. Het zal je intussen niet ontgaan zijn, dat ine in deze zin staat voor ic ne (zie les 2).

Wat ook niet meer bestaat, zijn zinnen als Philomene, des coninx wijf van Avalons, waarmee men bedoelt: ‘Philomene, de vrouw van de koning van Avalons’. Net zo opgebouwd zijn sGraven zone van Henegouwen (‘de zoon van de graaf van Henegouwen’), en Grite Arnouts dogter van Reke (‘Griet, de dochter van Arnout van Reke’).


Les 8: Voegwoorden

Het Middelnederlands heeft minder voegwoorden dan wij tegenwoordig hebben. Een aantal oude getrouwen zien we in die tijd ook al, zoals als (of alse), dat en of, ook al is het gebruik soms net even anders.

Van vorm veranderd is toen, dat destijds meestal doe was: Doe dese tale was ghedaen, doe ghinc Nobel die coninc staen (‘toen dit gezegd was, ging koning Nobel staan’).

Maar we zien er ook voegwoorden die nadien verdwenen zijn, zoals bedi, wat zoveel betekende als ‘omdat’: in wille niet dagen, bedi ic wille varen jaghen int foreest van Goriende: ‘ik wil niet talmen, omdat ik wil gaan jagen in het woud van Goriende’. Het eerste in is weer de samenvoeging van ic en.

Een ander oud voegwoord dat veel mensen niet meer zullen kennen, is onthier: Dat kint ne doet noch ne weet altoes ne gheerehande quaet, onthier et sprekens bestaet: ‘het kind doet noch weet geen enkel kwaad, totdat het begint te spreken’. Soms is het onthier ende: onthier ende hi quam tUtrecht. Of het voegwoord thent (‘totdat’), zoals in thent du ghenesen biste.

En ten slotte zijn er veel omschrijvingen waar wij een enkel voegwoord zouden gebruiken, zoals in alsoe ghelijc alse ten warden van der heileger ewangelien behoerlec es (‘zoals bij de woorden van het heilig evangelie passend is’); ghelycker wys dat de locht verclaert wert met den lichte der zonnen (‘zoals de lucht helder wordt door het licht van de zon’).


Les 9: Woordenschat

Ieder jaar komen er nieuwe woorden in onze taal bij. En er verdwijnen er ook. Ook als je niets van het Middelnederlands wist, zou je toch al kunnen bedenken dat veel van onze woorden toen nog niet bestonden (omdat ze pas later zijn opgekomen), en dat er toen woorden waren die wij niet meer kennen (omdat ze nadien verdwenen zijn).

Dat is inderdaad het geval. In de tussenliggende 500 tot 800 jaar is de woordenschat flink veranderd. Het is dan ook eigenlijk opmerkelijk dat we nog zoveel bekends tegenkomen. Er is blijkbaar een kerngroep van woorden die over zeer lange tijd min of meer constant blijft. Woorden als vader, moeder, kind, broer, zuster, arm, voet, koe, dag, huis, graf, hand, boom, vat, eten, gaan, helpen, slapen, werpen, worden, zitten, dom, goed, lief en vreemd treffen we in het Middelnederlands ook aan. Soms zijn er kleine verschillen, maar we herkennen ze direct.

We mogen uiteraard niet verwachten dat we in die oude teksten woorden tegenkomen als filebestrijding, computergestuurd of fluisterasfalt. Men had ze destijds dan ook niet nodig. Anderzijds zijn er inderdaad heel wat woorden die toen gangbaar waren en die nu totaal verdwenen zijn, of soms alleen nog in een enkel dialect in gebruik. Voorbeelden daarvan zijn sniemen (‘weldra, dadelijk’), schier (‘grijs’), saen (‘weldra’) (al gebruikte Streuvels dat nog wel eens in zijn romans), cume (‘nauwelijks’), abolge (‘woede’): ende de Gods abolghe sal bliuen op hem; kerien (‘vegen’): hi sal kerien sinen vloer; koever (‘overvloed’): Daer was goet koeuer van watre daer hi dat volc in doepde.

Er is uiteraard geen beginnen aan om alle woorden op te noemen die sindsdien verdwenen zijn. Daar is dan een Middelnederlands woordenboek voor (zie les 10).


Les 10: Verdere studie

Een prachtig hulpmiddel bij het lezen van Middelnederlandse teksten is het Middelnederlandsch Handwoordenboek van J. Verdam. Het kwam in 1932 gereed, maar het is nog steeds voortreffelijk bruikbaar, en het wordt telkens opnieuw herdrukt.
Kleiner, recenter en heel praktisch is het Middelnederlands Lexicon van W.J.J. Pijnenburg en T.H. Schoonheim (Amsterdam 1997).
En voor wie het helemaal grondig wil aanpakken, is er het grote Middelnederlandsch Woordenboek in tien kloeke delen (meestal afgekort als MNW), wat voor wetenschappelijk onderzoek onmisbaar is. 't Is de laatste jaren een stuk toegankelijker geworden doordat het op cd-rom beschikbaar is. Op dezelfde cd-rom staat trouwens een grote hoeveelheid teksten, waaronder bijna alle klassieke middeleeuwse verhalen.
Speciaal voor het 13de-eeuwse Middelnederlands is er sinds kort het VMNW: het Vroegmiddelnederlands Woordenboek.

De beste grammatica voor het Middelnederlands is A. van Loey's Middelnederlandse Spraakkunst in twee delen: 1. Klankleer, en 2. Vormleer. Voor de Syntaxis (zinsleer) moeten we het doen met een ouder werk: F.A. Stoett uit 1923.
Of met het boekje Korte Middelnederlandse Syntaxis (4e druk, Amsterdam 1994) van Joop van der Horst.
Of met het breed opgezette werk van A.M. Duinhoven, Middelnederlandse Syntaxis (2 dln. 1988/1997).
Een Engelstalige inleiding tot het Middelnederlands is van Colette van Kerckvoorde, An Introduction to Middle Dutch.

Handboeken voor de geschiedenis van onze taal zijn dat van M.C. van den Toorn e.a., Geschiedenis van de Nederlandse taal (Amsterdam 1997), en M.J. van der Wal, Geschiedenis van het Nederlands (aulapocket). Een eenvoudige eerste inleiding is: J.M. van der Horst & Fred Marschall, Korte Geschiedenis van de Nederlandse taal (4e druk, Den Haag 2000).

Middelnederlandse teksten vindt men eerst en vooral in een goede boekwinkel of bibliotheek. Veel is er samengebracht op de al genoemde cd-rom waarop ook het hele MNW staat. Enkele andere literaire teksten uit de middeleeuwen staan op de cd-rom Klassieke Literatuur; Nederlandse letterkunde van de middeleeuwen tot en met de Tachtigers.

Ook op het web is wel een en ander te vinden, met name in de DBNL en uiteraard op deze site.