Karel de Grote ziet erop toe dat zijn kinderen een goede opleiding genieten

In de eerste jaren van de vijftiende eeuw ontwierp heraut Beyeren voor graaf Willem VI (regeerde 1404-1417) een tweeluik Wereldkroniek-Hollantsche cronike, waarin hij op basis van enkele tientallen bronnen het verhaal schreef van een glorieus Hollands verleden dat in de schepping zijn oorsprong vond. Ofschoon de Heraut zich eerst en vooral inspande om het gezag van de Hollandse graaf over Holland, Zeeland en Friesland te bevestigen, nam hij ook de gelegenheid waar in het geschiedverhaal zijn visie op vorst en samenleving uit te werken. In het bijzonder riep hij het beeld op van een vorst die de basis voor zijn beleid gevonden had in het genoten onderwijs. Een goede vorst was op zijn minst geschoold, in een aantal gevallen zelfs geleerd en vertrouwd met de Latinitas. In zijn lofprijzing op Karel de Grote plaatste de Heraut diens geleerdheid zelfs op één lijn met verlangde vorstelijke eigenschappen als dapperheid, wijsheid en de vervulling van de christelijke plicht. Karel zag erop toe dat zijn kinderen naar school gingen. Daarna onderwees hij zijn zonen zelf in ridderlijke vaardigheden en regelde voor zijn dochters een opleiding in handvaardigheden. Volgens de Heraut was dit laatste vooral bedoeld om te voorkomen dat zij niets om handen zouden hebben:

Sijn zonen ende sijn dochtre hilt hi ter scolen gaende ende dede hem leren hoir parten. Ende dair na leerde hise riden ende jaghen ende die wapene antieren. Sijn dochtren dede hi leren zidenwerk, borduerwerk, breyden ende spinnen, omdat hise niet ledich hebben woude. Want ledicheit en vroomt niement.

Zijn zonen en dochters stuurde hij naar school en liet hen onderwijzen in grammatica. Daarna leerde hij zijn zonen paardrijden, jagen en de omgang met wapens. Zijn dochters liet hij zijden stoffen leren bewerken, borduren, breien en spinnen, omdat hij wilde dat ze iets om handen zouden hebben. Want ledigheid baat niemand.